home

PROJECTEN

1 MEI CONFERENTIE 2002
Een initiatief van het Platform Economische Gerechtigheid

'Van Polderburger naar Wereldburger'
Toespraak bisschop Van Luyn conferentie ‘Globalisering en arbeidsmigratie’

Inleiding
Tekorten hier

Noden elders

Eenzijdige globalisering

Mondiale sociale rechtvaardigheid

Evenwicht van belangen
Oorzaken van migratie bestrijden

Inleiding

Vandaag over twee weken zijn de parlementsverkiezingen. Een van de argumenten, die in het publieke debat op scherp staan, is de discussie over de toelating van en de omgang met vreemdelingen in onze samenleving. Het is daarom toe te juichen dat de vijf organisatoren van deze 1 mei-conferentie juist dit thema hebben gekozen: de sociale rechtvaardigheid in een globale context, dat wil zeggen ook wat betreft de positie van mensen die vanwege de bittere armoede en het gebrek aan werkgelegenheid in eigen land naar West-Europa emigreren op zoek naar werk, ontplooiing, bestaansmogelijkheden voor zichzelf en hun gezinnen.

Het thema staat bol van tegenstellingen, zoals tussen principiële keuze en pragmatische oplossingen, tussen ruime toelatingscriteria en gebrek aan draagvlak in de samenleving, tussen legaal en illegaal, tussen rechten en rechteloosheid, tussen sociale voorzieningen en uitbuiting, tussen vraag en aanbod, tussen eigen-Nederlands en/of Europees belang en de mondiale economische ontwikkeling.

Zoals het reeds op de uitnodiging voor deze conferentie staat aangeduid, het gaat bij dit thema vooral om dilemma’s en deze bijeenkomst is bedoeld om meer inzicht en helderheid te verkrijgen met betrekking tot het vraagstuk van de arbeidsmigratie vanuit de sociaal-democratische principes en vanuit het christelijk-sociale gedachtegoed. Mij is gevraagd een bijdrage te geven vanuit de traditie van de katholieke sociale leer, waarbij ik graag onmiddellijk vooropstel dat daarin geen blauwdruk te vinden is voor de arbeidsmigratie. Wel zijn er relevante ethische uitgangspunten die van toepassing zijn op dit vraagstuk.

omhoog

Tekorten hier

Al meer dan een eeuw heeft de arbeidersbeweging, evenals de katholieke kerk, op 1 mei hun inzet voor de rechten van de arbeiders in ons land publiekelijk onder de aandacht gebracht. Sinds enkele decennia vallen daar ook de mensen onder die uit verschillende landen en continenten naar Nederland emigreren om hier een positie te verwerven op onze arbeidsmarkt. In de jaren na de oorlog ontvingen wij duizenden immigranten, vooral uit Zuid-Europa, met open armen, omdat wij gastarbeiders nodig hadden voor de wederopbouw en voor de ongeschoolde arbeid. Intussen is veel van dergelijke arbeid uit Nederland verdwenen, omdat ze is ‘uitbesteed’ voor veel lagere kosten aan andere landen in de derde wereld. De groei van onze economie zit nu vooral in de dienstensector en op het gebied van nieuwe technologie en informatica. Nederland heeft een aantal buitenlandse deskundigen nodig – een veel beperkter aantal dan vroeger voor de ongeschoolde arbeid – hoog opgeleide deskundigen, die kunnen helpen om de groei in deze sectoren op te vangen.

Het is vooral het bedrijfsleven dat aandringt op verruiming van de mogelijkheden voor deze beperkte arbeidsmigratie. Zo kwam de NRC op 27 maart met het bericht dat twintig multinationals bij de overheid lobbyen voor een spoedprocedure met één contactpersoon, met wie zaken snel geregeld kunnen worden. Op 25 april meldde dezelfde krant dat dit spoedloket er inderdaad komt.

In de meeste West-Europese landen is het niet anders. De Europese Commissie streeft onder leiding van commissaris Vittorino naar een efficiënt beleid ten aanzien van de arbeidsmigratie. Uitgangspunt is daarbij de lange termijn-behoefte van de Europese Unie als geheel en de aanzienlijke tekorten op de arbeidsmarkt in de diverse lidstaten.

Halverwege vorig jaar heeft in Duitsland de overheidscommissie Süssmuth een opmerkelijk rapport uitgegeven. Kern hiervan is de constatering dat Duitsland buitenlandse werknemers nodig heeft vanwege de eigen internationale concurrentiepositie, vanwege de vele vacatures zowel voor hoog- als voor laaggekwalificeerden, en vanwege de vergrijzing en noodzaak om de pensioenen voor de vergrijsde allochtone bevolking op peil te kunnen houden. Voorgesteld wordt daarom nieuwe mogelijkheden te openen voor arbeidsmigratie via een ruimere, flexibele regelgeving, waarbij met name voor hoogopgeleide deskundigen vanaf het begin een duurzaam verblijf mogelijk wordt gemaakt.

In Nederland heeft de regering onderzoek laten verrichten dat tot enigszins andere conclusies leidt. De vergrijzingsproblematiek dient zich wel aan, maar de pensioenen zijn slechts gedeeltelijk afhankelijk van de werkende bevolking, aangezien de kapitaaldekking hier mede gegarandeerd wordt door bedrijfspensioenen en individuele levensverzekeringen. Er is bovendien nog voldoende reserve aan arbeidskrachten voor de werkgelegenheid; de afname van de beroepsbevolking dient zich pas in 2016 aan. Wel zijn er personeelstekorten wat betreft hoogopgeleide deskundigen; deze zouden door gerichte arbeidsmigratie kunnen worden afgedekt, mede dank zij flexibele regelgeving. Maar ook ziekenhuizen en verzorgingshuizen doen steeds meer en vaker een beroep op de buitenlandse arbeidsmarkt.

Het referentiekader blijkt bij dergelijke onderzoeken en beleidsvoornemens uitsluitend te zijn: met welke tekorten hebben wij hier in het Westen te kampen en hoe kunnen we daarvoor, dus voor de handhaving en verdere uitbouw van onze welvaart, buitenlandse arbeidskrachten aantrekken?

omhoog

Noden elders

Wanneer we echter de onrechtvaardige verdeling van de welvaart wereldwijd als uitgangspunt nemen, verandert het perspectief: van onze tekorten op de arbeidsmarkt naar de extreme noden in de derde wereld.

De kloof tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden wordt steeds dieper en breder. De cijfers spreken hier een duidelijke taal. Volgens een rapport van de Wereldbank (Pritchett, 1996) steeg het inkomen per hoofd van de bevolking in rijke landen tussen 1960 en 1990 met vijfenveertig procent meer dan dat van arme landen. Ook het UNDP (United Nations Development Program) komt met vergelijkbare cijfers. Het aandeel van de wereldwijde verdiensten van de rijkste 20% van de wereldbevolking steeg tussen 1960 en 1991 van 70 tot 85%. De armste 20% van de wereldbevolking hadden nog minder te verdelen als vroeger: hun aandeel in het totale wereldinkomen daalde van 2.6 tot 1.8%.

De demografische ontwikkelingen wereldwijd in de komende decennia eisen ook hun tol. Onlangs bracht een onderzoek van de VN deze in kaart. Terwijl de bevolking van de landen in het Noorden in de komende halve eeuw ongeveer stabiel blijft rond de 1.2 miljard mensen, zal de bevolking van landen in het Zuiden in dezelfde periode toenemen van 5 naar ruim 8 miljard. Een factor die zwaar gaat wegen, gezien de huidige proporties van de verschillen in inkomen en welvaart.

Tenslotte is er nog het ontwrichtende effect van oorlogen, gewapende conflicten, mensenrechtenschendingen, milieuvervuiling en natuurrampen – de laatste vaak veroorzaakt of versterkt door uitbuiting en wanbeheer van de natuurlijke hulpbronnen – op de samenleving in armere landen. Grote stromen van vluchtelingen en ontheemden zijn het gevolg. Volgens de UNHCR zijn er zo’n twintig miljoen vluchtelingen op de wereld en nog eens twintig tot dertig miljoen ontheemden. De Wereldraad van Kerken noemt hen terecht ‘uprooted people’, ontwortelde mensen en geeft daarmee ook aan dat het onderscheid tussen politieke en economische migranten steeds problematischer wordt. Vanuit de herkomstlanden doen emigranten een beroep op zowel humanitaire als economische hulp en opvang.

omhoog

Eenzijdige globalisering

Dat de economie steeds verder globaliseert, hoeft geen betoog. Maar in hoeverre draagt deze globalisering bij tot meer sociale rechtvaardigheid in de wereld?

Mede door de informatie-technologie en de toename van transportmogelijkheden is een nieuwe economische en financiële wereldordening mogelijk geworden. Er zijn economen die stellen dat een vrij verkeer van goederen, kapitaal en mensen de grootste welvaartsgroei voor iedereen in de wereld met zich mee zal brengen. Maar de marktwerking blijkt eerder tot het tegendeel te voeren. Bedrijven produceren hun waren en laten hun administratie uitvoeren in landen waar de arbeid het goedkoopste is, geld wordt geïnvesteerd waar het rendement het hoogste is en even gemakkelijk weer teruggetrokken als er elders betere vooruitzichten zijn. Met name multinationals organiseren hun economische en financiële activiteiten zonder enige beperking door geografische grenzen of nationale overheden. Op het terrein van handel en geldstromen hebben de overheden zich steeds verder teruggetrokken. Ze willen echter wel controle houden wat betreft het verkeer van mensen, en de migratie naar het eigen grondgebied. Toch zou het een logisch gevolg zijn van de globalisering dat kapitaal en onderneming arbeid aantrekken. Migranten zullen afkomen op plaatsen waar fabrieken staan, waar handel gedreven wordt, waar vraag bestaat naar dienstverlening. Een toename van de arbeidsmigratie is een onlosmakelijk bijproduct van de globalisering van de economie, zoals die nu georganiseerd is.

Omgekeerd is het ook denkbaar kapitaal daarheen te brengen waar veel potentiële arbeid aanwezig is. Dat zou dan niet alleen de productie ten bate van de export moeten bevorderen, maar evenzeer de lokale ontwikkeling door het scheppen van werkgelegenheid en stijgende lonen. Potentiële migranten hoeven hun land dan niet te verlaten.

Er zijn inderdaad pogingen in die richting gedaan, zowel door financiële instellingen en privé-investeerders, als door multinationals. Met name in de ‘emerging markets’ van Azië zijn grote bedragen geïnvesteerd. Maar helaas is het gewenste effect uitgebleven. Investeerders trekken hun geld terug, wanneer de beloofde groei uitblijft, ze volgen meer de groei dan dat ze deze stimuleren en kiezen dus niet voor landen waar de nood aan werkgelegenheid het grootst is. Bovendien wordt niet voorzien in de noodzakelijke scholing van de lokale arbeidskrachten, hetgeen immers de kosten te zeer zou doen stijgen.

Op korte termijn kunnen dergelijke investeringen sociale veranderingen veroorzaken, maar op lange termijn is het resultaat laag gebleken en er is nauwelijks invloed geweest op emigratie.

omhoog

Mondiale sociale rechtvaardigheid

De centrale vraag die steeds terugkeert wat betreft de arbeidsmigratie is: welke belangen prevaleren of geven de doorslag, die van de landen in het Noorden of die van de landen in het Zuiden? Moeten de landen in het rijke Westen niet meer oog hebben voor de mondiale rechtvaardigheid en zich het lot aantrekken van de arme landen, ook ten koste van het eigenbelang?

Voor de katholieke kerk is de universele dimensie steeds constituerend geweest. Haar zending is wereldwijd en haar gemeenschap overschrijdt alle culturen en nationale grenzen. Ze ziet zichzelf als Gods volk onderweg door de tijd, zonder zich ergens definitief te vestigen. De goederen van de aarde zijn door de Schepper voor alle mensen bestemd en niemand mag zich die toe-eigenen ten bate van zichzelf ten koste van de ander. De gastvrijheid voor vreemdelingen is een essentiële opdracht vooral ten aanzien van mensen in nood. In hen wordt Christus zelf herkend, als hongerige, dorstige, naakte, zieke, gevangene, vreemdeling (Mt. 25, 35-40). Het evangelie is een radicale oproep tot solidariteit. De christelijke kerken treden terecht op als advocaat en verdediger van de rechten van vreemdelingen en komen voor hen op wanneer ze volledig aan hun lot zijn overgelaten, buitengesloten, uitgeprocedeerd en uitgeput.

De zorg van de kerk betreft heel de mens in al zijn dimensies en capaciteiten: fysiek en psychisch, sociaal, politiek, cultureel en religieus. Ze betreft ook iedere mens, zonder onderscheid van geslacht, ras, positie, bezit, gezondheid, burgerschap. Iedere mens heeft van nature grondrechten, op basis van zijn menselijke waardigheid als unieke persoon, als broeder of zuster van alle anderen, kinderen van dezelfde Vader. Ondanks individuele of sociale verschillen zijn alle mensen gelijkwaardig. Deze persoonlijke mensenrechten zijn onvervreemdbaar en dienen in alle omstandigheden gerespecteerd te worden. Als er al van enige voorkeur sprake mag zijn, dan kiest het evangelie voor de geringsten, de armsten, de meest uitgeslotenen.

De mens is geroepen om een volwaardige persoon te worden in relatie tot de ander/Ander, tot de medemens en tot aller Schepper en Verlosser. Wegens zijn sociale natuur kan de mens slechts tot ontplooiing komen in een gemeenschap. Het gezin is de grondvorm van dat samenleven. Het recht om met de leden van het eigen gezin samen te leven moet in alle omstandigheden gewaarborgd blijven, ook voor de vluchtelingen en migranten. Gezinshereniging is de hoeksteen van de immigratie. Regeringen zouden hieraan prioriteit moeten geven, vooral wanneer het gaat om gezinnen met minderjarige kinderen. Barrières moeten uit de weg geruimd worden.

Omdat iedere mens ook lid is van de wereldwijde mensenfamilie en burger van de mondiale levens- en rechtsgemeenschap, moet het ieder zijn toegestaan om naar een ander land te gaan en daar een bestaan op te bouwen. In zijn beroemde vredesencycliek "Pacem in terris" stelt Paus Johannes XXIII: "ieder menselijk wezen heeft het recht op vrijheid van beweging en van verblijf binnen de politieke gemeenschap waarvan hij burger is; en hij heeft tevens het recht om wanneer legitieme belangen hem dat raden, te emigreren naar een andere politieke gemeenschap en zich daar te vestigen" (§ 12).

De catechismus van de katholieke kerk zegt daarover: "de rijkere naties zijn verplicht om zoveel mogelijk onderdak te bieden aan de vreemdeling die op zoek is naar de veiligheid en het levensonderhoud die hij in eigen land niet kan vinden. De overheid moet ervoor zorgen dat het natuurrecht geëerbiedigd wordt, dat de gast onder de bescherming plaatst van degene die hem ontvangen" (1995, nr. 2241). Hij spreekt vervolgens van het "recht op emigratie", maar voegt eraan toe dat dit recht in zijn concrete toepassing wel beperkingen kan ondergaan. Dit recht kan afhankelijk gemaakt worden van bepaalde juridische voorwaarden, wanneer het algemeen welzijn dat de overheid moet behartigen dit in een bepaald land vergt. De staat is er mede verantwoordelijk voor dat de sociale structuren integratie van immigranten en toetreding tot de arbeidsmarkt mogelijk maken, maar heeft ook de taak ervoor te waken dat deze structuren houdbaar en duurzaam zijn. De migrant heeft verder de plicht, zo zegt de KKK, om de wetten van het land te onderhouden en het materiële en geestelijk erfgoed te eerbiedigen van het land dat hem ontvangt (ib.).

Er bestaat dus een recht op emigratie, maar niet automatisch een recht op immigratie in elk willekeurig land. Toch mag dit voor de rijkere naties niet tot een beleid voeren van afweer en tegengaan van migratie, tot het sluiten van de grenzen en het afwijzen van elke medeverantwoordelijkheid voor de grote problemen die migratie veroorzaken en voor de vaak extreme nood waarin politieke en economische vluchtelingen verkeren.

Immers, elk land is onderdeel van de wereldwijde menselijke familie. Het ‘bonum comune’, het algemeen goed, geldt niet alleen het niveau van de staat of van de federatie van staten (zoals de Europese Unie), maar geldt ook de wereldgemeenschap. Ieder volk of groep dient zich rekenschap te geven van de reële behoeften en rechtvaardige aanspraken van andere volken en groepen. Christenen zijn per definitie wereldburgers. Er bestaat een mondiaal ‘bonum comune’ dat de gehele mensheid insluit - ook de komende generaties - en dat verplicht tot wereldwijde solidariteit. Deze solidariteit sluit elke ‘bevoorrechting’ van de ene groep ten koste van de andere uit.

Het blikveld van de katholieke sociale leer is dus gericht op de wereld als een geheel van onderling samenhangenden en medeverantwoordelijke delen, op het algemeen belang in mondiaal perspectief. Niet het eigen belang van de afzonderlijke westerse landen of van de Europese Unie moet voorop staan, maar internationale solidariteit en ontwikkeling der volkeren.

Hieruit volgt de noodzaak om enerzijds arbeidsmigratie te verruimen als uiting van solidariteit – waarbij deze migratie ten voordele dient te zijn van de migranten zelf en van de landen van herkomst – en anderzijds de oorzaken te bestrijden en weg te nemen die tot een excessieve stroom van vluchtelingen en migranten leiden, door meer inzet voor vrede en gerechtigheid wereldwijd.

omhoog

Evenwicht van belangen

De Westeuropese landen benaderen het vraagstuk van de arbeidsmigratie nog te zeer vanuit het gezichtspunt van het nationale of eigenbelang. We mogen echter niet doen alsof we ons kunnen isoleren in een eigen bloeiend en vruchtbaar paradijsje of kunnen verdedigen tegen de dreigende druk van de rest van de wereld in een fort Europa.

Allereerst zal de migratiestorm niet aan het rijke Westen voorbijgaan. Bovendien hebben we een medeverantwoordelijkheid en delen we in de plicht om de verschillen op te heffen of minstens te reduceren wat betreft het leefniveau tussen de verschillende landen en continenten.

Daarvoor is een tweesporenbeleid nodig, waardoor er een meer evenwichtige balans ontstaat tussen het behartigen van de belangen van de eigen bevolking en het bevorderen van de belangen van de volkeren in het Zuiden. Enige verruiming van toelating van arbeidsmigranten zou derhalve wenselijk zijn: uit de kandidaatlanden van de Europese Unie zowel als van arme landen uit het Zuiden. Niet alleen voor hoogopgeleide migranten, maar ook voor laagopgeleide migranten, zoals bijvoorbeeld in de zorgsector, in dienstverlening, in seizoenarbeid. Dit zou legaal mogelijk gemaakt moeten worden, zodat de migratie de noodzakelijke mate van regulering en controle heeft. In elk geval moet illegale immigratie worden tegengegaan, evenals criminele activiteiten, waardoor emigranten worden uitgebuit, en elke vorm van mensenhandel of – smokkel.

De toegelaten asielanten en migranten hebben op grond van gelijkwaardigheid recht op sociale voorzieningen, op toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, op een aangepaste huisvesting, ook voor het eigen gezin, op rechtsbijstand en participatie aan het arbeidsbestel, de burgerlijke samenleving, de culturele ontplooiing.

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft als algemene stelregel: "Tegelijk echter groeit het bewustzijn van de uitnemende waardigheid die aan de menselijke persoon toekomt, daar deze al het andere overstijgt en zijn rechten en plichten universeel en onschendbaar zijn. Het is dus nodig al datgene voor de mens toegankelijk te maken wat hij nodig heeft om een waarlijk menselijk leven te leiden, zoals voedsel, kleding, woning, het recht om zijn levensstaat vrij te kiezen en om een gezin te stichten, het recht op opvoeding, op werkgelegenheid, goede naam, respect en passende voorlichting, het recht om te handelen volgens de juiste vorm van zijn geweten, het recht op bescherming van zijn privé-leven en op juiste vrijheid, ook in het godsdienstige" (Gaudium et Spes, nr. 26).

Dit principiële standpunt acht de kerk ook van toepassing op illegale vreemdelingen, zeker als ze al geruime tijd in ons land verblijven en op grond van werkelijke noodsituatie zijn binnengekomen. Ook zij behouden hun onvervreemdbare rechten op een humane behandeling en op een redelijk bestaansminimum, zolang ze hier verblijven.

Er is nog een belangrijke voorwaarde wat betreft de afweging van belangen bij het migratiebeleid. Niet alleen de individuele migranten, maar ook het land van herkomst moet er beter van kunnen worden. Migranten vinden vaak in het land van bestemming betere levensvoorwaarden, werk, toekomst. Hun vertrek kan echter een gevoelig verlies betekenen voor hun eigen land, zeker als het gaat om hoogopgeleide krachten. Dit soort migratie berooft een ontwikkelingsland van professionals die het zelf hard nodig heeft. Dan heeft er een soort ‘brain drain’ plaats, ten koste van de ontwikkeling in het land van herkomst. Het kan ook een ‘drain’ betekenen in andere kwetsbare sectoren, zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg. West-Europese landen, ook ons land, werven op vrij grote schaal verpleegkundigen en artsen uit landen als Polen, Filippijnen, Indonesië en Zuid-Afrika. De gezondheidszorg in die landen heeft deze geschoolde krachten zelf hard nodig, maar kan ze nauwelijks betalen, in elk geval niet zoveel als het rijke Westen. Hierdoor wordt de gezondheidszorg in die landen, die al zover achter blijft bij die van ons, nog verder uitgehold. Zijn er geen andere oplossingen te bedenken, door inschakeling en omscholing van mensen buiten het arbeidsproces hier in eigen land? Of door compensatie te betalen voor het inhuren van buitenlandse arbeidskrachten, bijvoorbeeld door het stichten van een fonds waarmee in het ontwikkelingsland nieuw personeel wordt opgeleid, ofwel kennis, apparatuur, deskundigheid ter beschikking wordt gesteld. Wellicht is het mogelijk een speciale belasting te treffen ter financiering van projecten in het land van herkomst.

Migratie hoeft niet altijd negatief te zijn voor het land van herkomst. Sommige landen profiteren juist van arbeidsmigratie omdat daardoor werkeloosheid wordt teruggedrongen en sociale spanning vermindert.

Migratie is een belangrijke bron van inkomsten voor het land van herkomst, wanneer migranten geld overmaken naar eigen land. Van Algerije tot Joegoslavië is dit een van de grote inkomsten aan buitenlandse valuta. Vanuit het Westen zou deze geldstroom bevorderd kunnen worden, door verlaging van de transferkosten. Bovendien zou bevorderd kunnen worden dat het geld besteed wordt voor investeringen die werkgelegenheid scheppen. In de jaren 60 en 70 hielp de Nederlandse regering bij het creëren van Turkse Arbeiders Compagnieën die met het spaargeld van Turkse migranten bijdroegen tot de economische ontwikkeling van gebieden in het moederland waar de migranten vandaan kwamen. Deze compagnieën bleken een effectief middel om de migranten te overtuigen hun spaargeld in Turkije te investeren.

Ook voor hoogopgeleide migranten kan arbeid in het buitenland een noodzakelijke stap zijn in hun loopbaan, evenals een belangrijke bijdrage aan de economische ontwikkeling van hun land van herkomst. Hooggeschoolde migranten kunnen een schakel zijn tussen kennis en netwerken, voor bedrijven kan dit een hefboom zijn voor innovatie en groei. Eerder dan een ‘brain drain’ is er dan sprake van een ‘brain gain’ en ontstaat er een ‘brain circulation’. Computerdeskundigen uit India die in de Verenigde Staten werkten, hebben als intermediair gefunctioneerd tussen bedrijven in de VS en in eigen land. Deze link heeft de informatietechnologie in India veel goed gedaan. Dat vergt wel een flexibele migratiepolitiek zodat dergelijke professionals periodiek naar hun eigen land kunnen terugkeren voor werk en onderzoek, zonder daardoor hun verblijfsrecht en hun werk te verliezen in het Westen.

Wat betreft lageropgeleide migranten zou de terugkeer naar eigen land na afsluiting van hun contract, gefaciliteerd kunnen worden. Te denken valt aan het betalen van een tegemoetkoming die de overgang naar het arbeidsbestel in het land van herkomst vergemakkelijkt, of aan een gunstige lening voor het opzetten in eigen land van een werkplaats of bedrijf.

Een laatste voorwaarde voor het slagen van een goed migratiebeleid, die niet onvermeld mag blijven, maar die voor het gehele vraagstuk van de vreemdelingen in ons midden geldt, is het creëren van een breed draagvlak voor een positieve ontplooiing van een multiculturele samenleving. Dit vraagt van de migranten de wil tot incorporatie, niet alleen economisch, maar ook burgerlijk en sociaal, en tot respect voor de cultuur en de wetten van het gastland. Van de autochtone bevolking veronderstelt dit bestrijding van discriminatie, xenofobie en racisme. Van allen vraagt het bereidheid tot interculturele dialoog, een positieve houding van tolerantie en vooral een bundeling van krachten voor het ‘algemeen goed’ dat elke afzonderlijke cultuur overstijgt.

Hier dragen alle maatschappelijke groeperingen, de media, de politieke partijen, de vakbonden en de kerken elk een eigen bijzondere verantwoordelijkheid. Duidelijke politieke stellingnames zijn noodzakelijk, maar voor het slagen van integratie is het samenleven dag in dag uit beslissend. Met name christenen moeten zich van deze verantwoordelijkheid bewust blijven en zich hiervoor engageren.

omhoog

Oorzaken van migratie bestrijden

Of we nu migratie willen tegengaan voornamelijk uit verlicht eigenbelang, of dat wij mensen elders perspectief willen bieden op een menswaardig bestaan zodat zij niet meer hoeven te emigreren, beide intenties zijn gediend met het bestrijden van de fundamentele oorzaken van migratie.

De beste weg om ongewenste internationale migratie tegen te gaan, is de economische drijfveren daartoe uit te schakelen. Wanneer de kloof in inkomen of lonen wordt teruggebracht tot een proportie van vier of vijf tegen één en er meer perspectief en groei ontstaat in een emigratieland, dan valt de omvang van migratie om economische redenen onmiddellijk beduidend terug.

Wat kunnen de Westerse landen daartoe bijdragen? Allereerst moeten ze hun markt openstellen voor producten uit ontwikkelingslanden door de afbouw van protectionistische maatregelen voor eigen agrarische en industriële producten. Vervolgens zouden ze een eerlijke prijs moeten betalen voor grondstoffen en natuurlijke producten. Financieel zouden de Westerse landen verder moeten gaan met schuldverlichting voor de armste landen. En ze zouden eindelijk moeten voldoen aan de internationaal overeengekomen norm van minimaal 0.7 % van het Brutonationaal Product voor ontwikkelingshulp. Het effect hiervan moet niet overschat worden, maar het is een schande dat veel rijke landen deze bescheiden bijdrage niet opbrengen.

Samen met de andere Europese landen moet Nederland respect voor de mensenrechten afdwingen in Derde Wereldlanden en aldaar een goed bestuur en democratie bevorderen. Veel krachtiger dan tot nu toe moeten deze punten op de agenda staan van de Europese buitenlandse relaties. Hierbij is het urgent noodzakelijk dat de landen van de Europese Unie met één mond spreken, met overstijging van nationale en electorale belangen.

Als de Westers landen bereid zijn om in eensgezindheid dergelijke maatregelen te nemen, dan zal op termijn hiervan een gunstig effect uitgaan voor de ontwikkeling in andere continenten en zal er derhalve de behoefte om te emigreren sterk verminderen.

De Europese Unie is zelf een sprekend bewijs van een dergelijke tendens en effect. Vroegere Europese emigratielanden, zoals Ierland, Italië, Spanje en Portugal, hebben intussen dankzij integratie in de Europese Unie een voldoende hoog niveau bereikt, zodat ze geen economische noodzaak meer kennen tot emigratie. Eenzelfde ontwikkeling is op termijn te verwachten voor de binnen afzienbare tijd toetredende kandidaatslanden, die nu nog een sterke emigratiestroom kennen naar het Westen.

Als dit een goede en effectieve weg blijkt te zijn, zou het dan niet de moeite waard zijn dit model van de Europese Unie ook elders te hanteren en uit te bouwen? Dit mag een hoopvol perspectief zijn voor de arme landen en continenten – met name het meest vergeten continent Afrika – maar dat dispenseert de Westerse landen niet van de plicht, hier en nu, tot mondiale solidariteit, gepaard met de bereidheid tot versobering hier, wat betreft de ongeremde drang tot consumptie en productie, zodat er daadwerkelijk en op korte termijn meer lucht en water en ruimte komt voor de arme landen en volken.

* * * *

In de complexe problematiek van de arbeidsmigratie staan de West-Europese landen voor moeilijke dilemma’s en afwegingen van belangen. De waardenoriëntatie van de katholieke sociale leer legt de nadruk op de ontwikkeling van alle volkeren en op de internationale solidariteit. Waar in Nederland en andere Europese landen de discussie over de arbeidsmigratie gedomineerd dreigt te worden door enerzijds het veilig stellen van nationale belangen en anderzijds door de angst voor de komst van nog meer vreemdelingen, bevat de sociale leer van de kerk een pleidooi voor mondiale sociale rechtvaardigheid: van polderburger tot wereldburger!

Mgr A.H. van Luyn s.d.b.
Bisschop van Rotterdam

omhoog

Klik hier om de toespraak te lezen die Lodewijk de Waal van de FNV hield tijdens de conferentie.

omhoog

Terug naaar openingspagina 1 mei conferentie

home