home

PROJECTEN

BEROEP EN BEZIELING

"Ieder kind mag er zijn"

Interview: Gea van der Velde
Redactie: Esther van der Panne

Esther Vollebregt-Schalkwijk: “Ik geloof dat de intentie waarmee je naar je werk gaat, in mijn geval: de intentie waarmee je de kinderen benadert, belangrijk is. En het is geweldig hoe kinderen daarop reageren. Je hebt niet alleen maar woorden en niet alleen jezelf als instrument, maar je kunt dat echt samen doen. Daar komt de bezieling van mijn werk vandaan.”Esther Vollebregt-Schalkwijk werkt en woont met haar gezin in een witte boerderij met een rieten dak – een plek waar ze als kind van droomde. De boerderij is een logeerhuis voor kinderen met een psychiatrische diagnose. Esther werkt al jaren in de antroposofische zorg voor kinderen. “We werken vanuit een intentie om samen om de kinderen heen te gaan staan en een kind onvoorwaardelijk te accepteren.”

Hoe zou je je ouderlijk gezin typeren?

“Mijn vader was vaak aan het werk en mijn moeder was huisvrouw. Mijn ouders komen allebei uit een groot gezin en zijn jong getrouwd. Toen ik anderhalf was, gingen we in het dorp Hendik Ido Ambacht wonen waar ook mijn oma en de rest van de familie woonde. Mijn ouders zijn uit elkaar gegaan toen ik acht was. Ik bleef bij mijn moeder wonen, mijn vader zag ik vanaf dat moment niet meer zo heel veel. Mijn moeder was vader en moeder en duizendpoot tegelijk. Die was er altijd, die wist alles, die regelde alles. Ze is gewoon een heerlijk mens. Mijn vader kwam zo nu en dan eens langs. Dat was wel prima, ik had daar ook geen behoefte aan. Hij is een enorme vrijbuiter. Ook nu hebben we wel contact, maar we lopen de deur zeker niet bij elkaar plat.
Ik was natuurlijk wel verdrietig op het moment dat de scheiding daar was, maar kinderen zijn ook heel flexibel. Het leven nam al snel zijn gewone keer.”

Binnen vier jaar was ik leidinggevende, dat was wel apart.

Je vader heeft allerlei beroepen uitgeoefend en is nu buschauffeur. Je moeder werkt al heel lang als gezinsverzorgster. Is het beroep van je ouders van invloed geweest op je eigen beroepskeuze?

“Het was bij ons logisch om voor elkaar klaar te staan. Dat deed je gewoon. Ik was altijd aan het sjouwen met mijn neefjes en nichtjes. Mijn moeder was er ook altijd voor andere mensen. Als er wat aan de hand was, konden ze langskomen en praten. Dat sociale heeft mijn moeder heel erg gevormd bij mij.
En dat ik uiteindelijk de coördinerende kant ben opgegaan, heb ik aan mijn vader te danken. Mijn vader kan niet zo goed voor een baas werken. Hij heeft graag zelf de touwtjes in handen. Dat vind ik ook prettig. Ik kan prima in een team functioneren, maar ik vind het fijn om de koers uit te stippelen.”

Kun je nog iets meer zeggen over de reden dat je gekozen hebt voor een sociaalpedagogische opleiding?

“Dat is heel moeilijk. Ik wilde zoveel en ik was een goede leerling op de havo, dus ik kon alle kanten op. Uiteindelijk hebben we met de klas zo’n beroepsinteressetest gedaan en daarin kwam dat sociale heel erg naar voren. Daar heb ik dus mijn beroep van gemaakt. Ik vind het gewoon heerlijk om met andere mensen bezig te zijn en te proberen alle kreukels recht te strijken.”

Het is dus een goede keus gebleken?

“Als ik economisch verstandig was geweest, was ik geen verpleegkunde gaan doen. Mijn man en ik werken allebei in de zorgsector en het verdient niet erg veel. Als ik zie wat leeftijdsgenoten van mij verdienen die lager geschoold zijn, denk ik: dat is aantrekkelijk. Maar dan vergelijk ik hun werkzaamheden met die van mezelf en dan denk ik: ik heb toch echt het leukste beroep. Dan maar niet drie keer per jaar op vakantie. Het is ruim voldoende hoor, maar ik zou wel willen dat het beter beloond werd.”

Je hebt ook een mbo-opleiding verpleegkunde gedaan op antroposofische grondslag. Was dat een bewuste keus?

“Nee, dat ging een beetje gek. Tijdens mijn stage in de psychiatrie ging een kindje op proef naar Zonnehuizen. Toen vroeg ik: ‘Wat is dat?’ Een beetje lacherig zei men: ‘Als je daar binnenkomt, zit iedereen te punniken. Het is allemaal lief, vrolijk en vriendelijk. Er gaan veel kinderen naartoe; vooral kinderen met autisme doen het daar goed maar we weten niet waarom.’ Dat vond ik zo intrigerend, dat ik toen ik klaar was met mijn studie een briefje naar Zonnehuizen heb gestuurd. Bijna per ommegaande kreeg ik antwoord en kon ik daar komen werken. De personeelsconsulente vroeg wel aan mij: ‘Wat heb je met antroposofie?’ ‘Helemaal niets’, zei ik. ‘Maar ik hoop dat jullie me dat kunnen leren. Ik vind het belangrijk om me erin te verdiepen.’
Antroposofische scholing was daar verplicht, al had je je hbo-opleiding gedaan. Drie jaar lang moest ik naast mijn werk een dag in de week naar school. Ik heb heel veel geleerd over antroposofische gezondheidszorg. Dat is een heel eigen wereld, bij sociaalpedagogische hulpverlening had ik daar niks over meegekregen. Dus het was heel zinvol.”

Je hebt heel lang in Zonnehuizen gewerkt, maar je hebt een korte periode ergens anders gewerkt. Hoe kwam dat?

De Perzik, de boerderij is een logeerhuis voor kinderen met een psychiatrische diagnose.“Bij mijn werkgever was ik toen assistent-manager op proef. Waarschijnlijk werkte dat uiteindelijk toch niet goed genoeg. Toen werd me aangeboden om weer groepshoofd te worden. Dat werk vond ik enig om te doen, maar ik zei toen tegen mijn locatiehoofd: ‘Dat heeft voor mij geen uitdaging. Als ik hiermee stop, prima, ik snap waarom – maar dan ga ik echt mijn bakens verzetten.’ Dat vonden ze héél jammer. Toen kon ik op de Camp Hill Gemeenschap Christophorus in Bosch en Duin komen, als huisouder om iemand te vervangen die met zwangerschapsverlof ging. Ik heb er vier maanden gewerkt. Het was een mooie tijd. Maar ik vond het daar niet zo prettig als op Zonnehuizen, dus ik wilde graag terug.
Bij Zonnehuizen was een nieuwe manager gekomen, een heel heldere kordate dame. Tijdens het kennismakingsgesprek klikte het goed. Ze snapte waarom ik was weggegaan, ze snapte ook precies waarom ik terug wilde komen. Dus ben ik teruggekomen in het huis waar ik het liefste werkte, op het nest... Dat moest zo zijn.
Het gebeurt niet vaak dat iets zo goed en passend voelt. Je hebt dan het idee dat iemand je bedje al voor je heeft opgemaakt.”

Je werd teamleider op twee groepen. En toen kwam je huidige werkplek vrij. Waarom ben je naar Maurik gegaan, naar De Kleine Perzik?

“Als klein meisje droomde ik al van een wit boerderijtje met een rieten dak in een groen veld. Ik zei altijd tegen mijn moeder: ‘Ik word later boerin’. Als begeleider was ik hier een paar keer geweest, we hadden het een paar keer als particulier gehuurd en telkens dacht ik: O wat is het hier fijn. Echt dat gevoel van thuiskomen. En het is een wit boerderijtje met een rieten dak. Zie je wel dat het bestaat!
Toen stond er opeens een mededeling in ons dienstblaadje: ‘Gezocht: coördinator/beheerder voor De Kleine Perzik’. Onze oudste dochter Jolijn was net één. Ik zei tegen Vincent: ‘Ik zou daar zo graag willen wonen!’ Hij vroeg nuchter: ‘Is daar wel genoeg ruimte? Kun je daar genoeg werken? Is dat wel een goed plekje voor Jolijn?’ Maar hij was direct enthousiast.
Het was nogal ingrijpend. Je moet je huis verkopen. Het is niet iets van: Ik doe dit voor twee jaar en daarna zie ik wel weer verder. Je moet een soort live-event beslissing nemen. Maar tot nu toe werkt dat goed.”

Kun je een gebeurtenis noemen die je in je arbeidsloopbaan negatief of positief heeft beïnvloed?

“Ik ben altijd gevraagd om de kar te trekken. Dan moesten er bijvoorbeeld mensen overstappen naar een andere groep en dan vroegen ze mij. In vier jaar was ik leidinggevende, dat was wel apart.
Zonnehuizen heeft me altijd heel veel vertrouwen gegeven. Daar ben ik heel dankbaar voor.
Al hang ik erg aan mijn collega’s en ‘mijn’ kindertjes, ik weet: als ze weggaan, komt er wat goeds voor terug. Dat heb ik op Zonnehuizen geleerd. Ik ben stevig genoeg om in mijn eentje te functioneren. En de mensen om me heen deugen allemaal. Er zijn altijd samenwerkingsconflictjes en problemen, er zijn altijd mensen die het werk doen op een manier die ik niet goed vind of niet vind passen, maar je kunt het er altijd over hebben.”

Je hebt geen grote conflicten gehad.

“Precies. Ik ben er wel één van het harmoniemodel. Ik kan er niet tegen als mensen boos naar elkaar kijken. Ik kan er niet tegen als mensen de kinderen voor wie we zorgen met negativiteit omringen. Als ik dat tegenkom, dan zeg ik daar meteen iets van. Niet alleen omdat ik zelf zo niet goed functioneer, maar ook omdat je verantwoordelijk bent voor die kleine ukken, die antennes hebben van hier tot Tokio. Als je het tijdig aan de orde stelt, heeft het geen tijd om te groeien en te escaleren.
Als ik echt merk dat het gevaarlijk is voor de kinderen, durf ik ook autoritair te zijn. We zijn hier een zorginstelling. We moeten zorgen dat de kinderen het goed hebben en dat betekent dat we ervoor moeten zorgen goed naar elkaar te zijn.”

En dan gaat het over, als je dat zo zegt?

“Ja, dat is bijzonder. Dan zijn collega’s weer collega’s.
Er zijn mensen die beginnen in de zorgwereld met het idee: ik vind kinderen lief en ik wil helpen om hun handicap op te lossen. En het is een hele zware dobber als ze merken dat kinderen niet altijd lief zijn, dat ze bijten, schoppen en spugen. Je kunt ze niet altijd bereiken en je hebt ze niet altijd binnen tien tellen weer keurig op een krukje zitten. De uitdaging voor de hulpverlener houdt in dat je gaat proberen om dat samen met dat kind wél voor elkaar te krijgen. Ik ga jou helpen dat je niet meer hoeft te knijpen en te bijten, dat je gaat leren vertellen of duidelijk maken wat er in je koppie omgaat en waar we je mee kunnen helpen.
Maar daarvoor moet je je idealen bijstellen. En als je daardoor het gevoel krijgt dat je geen goede hulpverlener bent, hakt dat er enorm in. Daar kunnen mensen goed kapot van zijn. Dat vind ik afschuwelijk om te zien.”

Je bent zelf ook een paar keer langer ziek geweest.

“Dat stelde niet zoveel voor. In ons vak heb je veel idealisten zoals ik. Die lopen altijd te hard, en vragen te veel van zichzelf. In Zonnehuizen waren er kinderen die diep autistisch waren, die niet konden vertellen wat hen bezig hield, die dermate agressief waren dat je ze echt tegen moest houden zodat ze niet zichzelf of anderen iets aandeden. Dat zijn geen leuke dingen, vooral niet als je het werk uit kinderliefde doet.
Ik draaide daar ook bereikbaarheidsdiensten. Dan moet je dag en nacht bereikbaar zijn en met een pieper op zak lopen. Als er ergens iets gebeurt, moet je erheen en moet je handelen. Dat is ook heel vormend. Je ontdekt dingen in jezelf die je van tevoren niet vermoed had. Maar het was uitputtend en het verdriet om het leed van die kinderen heeft me een aantal keren naar de keel gegrepen. Dan was ik er soms een paar weken tussenuit.
In De Kleine Perzik komen kinderen die weliswaar een problematiek hebben, maar gewoon thuis wonen. Ze kunnen naar een gewone school met aangepast onderwijs waar ze goed mee kunnen komen. Ze komen hier om hun ouders te ontlasten en hebben het hier ook nog redelijk leuk. En ze hoeven geen ingewikkelde therapieën te volgen. Dus dit is allemaal redelijk ontspannen. Hier is het meer in balans.”

In je persoonlijke leven, zijn daar belangrijke momenten geweest, breukmomenten?

“Een belangrijk breukmoment is geweest dat ik op de lagere school gepest werd. Ik was een heel zacht kind, ik had een brilletje, ik was onzeker, zei niet zoveel en ik was heel knap op school. Die combinatie maakte me tot een gewillig pestslachtoffertje. Het duurde lang, vanaf een jaar of acht tot in het eerste jaar van de havo. Wat doe je ertegen als je buiten het schoolplein in elkaar wordt geslagen en je wilt niet terugslaan?
Toen mijn leraar tegen mijn moeder had gezegd: ‘Ik wou dat ze eens terugsloeg’ en mijn moeder dat aan mij teruggaf, dacht ik: vind de meester het goed als ik terugsla? Als dat de manier is waarop het stopt, dan moet het maar. Naar praten willen ze niet luisteren. Toen ben ik het maar gewoon gaan doen en toen stopte het. Ik vond dat zo vreemd. Ik ben absoluut anti geweld. Maar het was wel de taal die die kinderen op dat moment begrepen.
Dat was heel leerzaam. Ik sla al lang niet meer, maar het heeft wel gemaakt dat ik tot op de dag van vandaag heel duidelijk aangeef waar mijn grenzen liggen.
Een ander belangrijk moment was de ziekte van mijn opa. Mijn oma was altijd voor hem aan het zorgen en had eigenlijk geen leven voor zichzelf. Toen opa overleed, is ze een tijdje heel verdrietig geweest en daarna kwam ze echt in bloei. Ze ging opeens naar clubjes, ging mooie kleren kopen, maakte busreisjes met andere dames.
Toen dacht ik: als je voor iemand zorgt, zet je een heel stuk van jezelf op een ander spoor en heb ik me voorgenomen: ik wil niet al héél vroeg kinderen krijgen. Eerst ga ik ontdekken wat ik allemaal leuk vind en daarna ben ik er helemaal voor wie ik dan moet zorgen.
Het is belangrijk dat je het zelf leuk hebt en dat je de dingen doet waar je je goed bij voelt, naast dat je er bent voor andere mensen. Ik merk ook dat ik dat nu aan de kinderen vertel.
Ik vond dat van mijn oma wel heel krachtig. Ze heeft zichzelf heel lang op een zijspoor gezet en daarna de tijd genomen om dat te compenseren. Ik vind dat heel bijzonder als je dat zo lang kan doen zonder er aan onderdoor te gaan. Want ze bleef trouw, al die jaren. Eerst acht kinderen grootbrengen en dan voor een ziekelijke man zorgen. Dan zie je wat je allemaal kan als het moet.”

Ik ben er eentje van het harmoniemodel. Maar als ik merk dat mensen over een grens gaan – of dat nu mijn grens is of die van de instelling – dan stel ik dat meteen aan de orde.

Je hebt naast je baan van 36 uur per week ook tijd voor vrijwilligerswerk en hobby’s?

“Ja. Soms is het schipperen. Nu ben ik net drie weken intensief bezig geweest met de musical op school. Dan is het eventjes alle zeilen bijzetten. Maar een weekend goed slapen en je kunt er weer tegen aan. En het is zo enig om met al die kinderen iets leuks in elkaar te zetten.”

Zie je jezelf als een geïnspireerd persoon?

“Vanuit de antroposofie heb ik geleerd: ieder kind mag er zijn en neemt iets waardevols mee. Het kind zelf is nooit ‘stuk’, het is de behuizing die stuk is. Het is alsof een volleerd violist probeert te spelen op een viool waarvan een aantal snaren kapot zijn en de kast is gebarsten. Maar ik wil achter de muziek komen: wat ben jij voor een kind, wat wil je ons leren? Laten we dat samen gaan ontdekken. Daar doe ik het voor.
Ze zeggen bij ons in het werk heel vaak dat de gemeenschap een erg gezondmakende factor is. Als het in de gemeenschap deugt, als mensen dicht bij elkaar betrokken zijn om een kind, dan gebeuren er kleine wondertjes.
Er komen hier kinderen van wie de ouders zeggen: ‘Hij is wel vaak agressief. Hij slaat op school en hij spuugt en krabt.’ Soms moeten we wat zeggen tegen een kind, maar vaak is het al genoeg om gewoon te wijzen op de huisregels en te zeggen: ‘Dat doen we hier niet. Dat kan hier echt niet.’ En ze dóen het ook niet. Dat is zo bijzonder.
Ik geloof dat de intentie waarmee je naar je werk gaat, in mijn geval: de intentie waarmee je de kinderen benadert, belangrijk is. En het is geweldig hoe kinderen daarop reageren. Je hebt niet alleen maar woorden en niet alleen jezelf als instrument, maar je kunt dat echt samen doen. Daar komt de bezieling van mijn werk vandaan.”

Ik ben dolblij met mijn collega’s, ik heb een geweldig team. Maar ik doe het voor de kinderen.

Die instelling heeft met de antroposofie te maken?

“Ja. Ik denk dat het sowieso in mij zit, maar bij mijn werkgever heb ik voor het eerst gemerkt dat dit een gezamenlijk gedragen waarde is. We werken vanuit een intentie om samen om de kinderen heen te gaan staan en een kind onvoorwaardelijk te accepteren.
Er is een neiging om alleen maar naar probleemgedrag te kijken. Maar wij proberen echt te kijken vanuit het kind als geheel, met zijn problemen maar ook met de dingen die hij heel goed kan of de dingen waartoe hij andere mensen aanzet. Een beroemd voorbeeld is dat een kind met het syndroom van Down in een groep vaak een ongelooflijk zachtmakende invloed heeft op de andere kinderen.”

Heb je zelf een uitgesproken levensbeschouwing of godsdienst?

“Nee, ik ben niet praktiserend. Ik ga graag met de kinderen mee naar de kinderkerk, vier Palmpasen en Kerstmis mee. Op het logeerhuis en met mijn kinderen vieren we ook de jaarfeesten.
Ik leef heel erg volgens de Tien Geboden. Die heb ik vroeger zo’n beetje uit mijn hoofd geleerd. Ik was heel erg geïnteresseerd in godsdienst, dus ik heb de Bijbel op eigen houtje gelezen en nog een keer gelezen en ik vond de Bijbelverhalen prachtig. Er zitten hele mooie waardes en dingen in. Dus ik ben wel een religieus betrokken persoon. Maar ik ben nog niet die kapstok tegengekomen, waarvan ik dacht: daar hoort alles thuis. Ik voel me overal wel goed bij. En ik moet er niet aan denken dat er een wereld zou zijn zonder religieuze inspiratie.”

Loopbaan in het kort

Esther Vollebregt-Schalkwijk is geboren op 3 april 1971 in Papendrecht. Ze volgde de havo, daarna een hbo-opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening en een mbo-opleiding Verpleegkunde (op antroposofische grondslag). In 1993 ging Esther bij Zonnehuizen Kind en Jeugd in Zeist werken, een antroposofische instelling voor kinderen van 4 t/m 21 jaar met een ontwikkelingsstoornis. Ze werkte daar als groepleidster, teamleider en assistent-manager.
Sinds 2002 werkt Esther als coördinator en beheerder van logeerhuis De Kleine Perzik in Maurik, samen met haar man. Hier vangen zij (met een team van medewerkers) ieder weekend en in de schoolvakanties zeven kinderen op met een psychiatrische diagnose, vaak gecombineerd met een lichte verstandelijke beperking. Als er geen logeerkinderen zijn, staat het huis open als vergaderlocatie voor Zonnehuizen Kind en Jeugd, en verzorgt Esther het huishouden en de administratie. Als beheerders zorgen Esther en haar man voor de dieren en het onderhoud van boerderij en omgeving.
Esther is vaak en graag buiten; ze leest, e-mailt en internet graag, houdt van fotografie en film, en schrijft gedichtjes voor speciale gelegenheden. Een bijzondere liefhebberij is het verzorgen van de jaartafel: een hoekje in huis dat zij aankleedt met voorwerpen uit de natuur en popjes die bij het jaargetijde horen. Verder is ze voorzitter van de ouderraad van de basisschool en voorzitter van de gymnastiekvereniging.

Gea van der Velde is predikant van de protestantse gemeente te Rijswijk (Gld.).

Terug naar openingspagina Beroep en Bezieling

home