home

PROJECTEN

BEROEP EN BEZIELING

"Tjonge, wat is dit toch mooi"

Interview: Daan vogelpoel
Redactie: Esther van der Panne

Toon Hopman: “Als je iets nastreeft, je best ervoor doet en je bereikt het, denk je elke dag: tjonge wat mooi.”Toon Hopman is boer geworden, net als zijn ouders en zijn broer. Dat zat er gewoon in. De varkens, de koeien op het land, alles wat groeit en bloeit, fascineert en inspireert hem. Dat je daar aan mee kunt doen, is mooi.
Maar net zo belangrijk vindt hij dat je als boer een nuttige bijdrage aan de samenleving levert: je zorgt voor voedsel. En dat probeer je zo te doen dat het voor iedereen goed is.

Hoe zou je je ouderlijk gezin typeren?

“Een goed katholiek gezin. Het belangrijkste was goed je best doen, eerlijk zijn. Ik heb vier broers en vijf zussen Mijn ouders hadden een boerderij. Maar ik heb mijn vader amper gekend, want die is overleden toen ik vier jaar was. Mijn moeder had het natuurlijk niet makkelijk. Maar ze vond het belangrijk dat wij leerden. Ze zei: ‘Hoe langer je leert, hoe beter het is.’ Wij kwamen ook wel uit zo’n milieu. Wat het kostte, dat kostte het. Je kon ook een beurs krijgen.”

In hoeverre is het werk dat je ouders deden van invloed op je eigen arbeidsloopbaan?

“Die invloed is heel groot, want daar ligt natuurlijk de basis van de liefhebberij voor het boerenleven en om zelf boer te worden. Ik ging thuis altijd mee melken en ik hielp altijd veel achter. Dat zat er gewoon in. Toen ik zeventien was, nam mijn broer het ouderlijk bedrijf over. Hij had nadat mijn vader overleden was, altijd samen met mijn moeder het bedrijf gedaan. Met hulp van de rest van het gezin. Twee broers onder hem hadden er helemaal geen interesse voor. Het was min of meer vanzelfsprekend dat hij het bedrijf overnam. Ja, dat kon er maar één zijn natuurlijk. Dan ga je verder met je school.”

Toen ben je naar de middelbare landbouwschool gegaan?

“Eerst ben ik naar de hogere landbouwschool gegaan. Maar ik had verwacht dat ik meer praktijk zou krijgen en dat viel tegen. Het was toen alleen wis-, natuur- en scheikunde. Ik haalde te slechte punten, dus ik moest eraf. Toen heb ik een jaar gewerkt bij een groot varkensfokbedrijf, maar dat beviel absoluut niet. Je had totaal geen verantwoordelijkheid en als je twee dagen niets deed, merkte niemand daar iets van. En ik wilde toch iets in de landbouw gaan doen. Omdat ik havo als vooropleiding had, kon ik de driejarige middelbare landbouwschool in één jaar doen. Dat heb ik toen gedaan, intern in Limburg. Dat was de mooiste tijd van mijn leven, dat was elke dag feest.”

In 1978 ben je met betaald werken begonnen, als vertegenwoordiger. Waarom heb je in eerste instantie voor dat beroep gekozen?

“Ik had heel graag naar Canada gewild na mijn school, maar toen kwam ik die baan tegen. Het was precies wat ik wilde. Ik had geen vaste werktijden, ik was mijn eigen baas, er zat een beetje handel in en ik was hele dagen bij de boeren op het boerenerf. Ik werkte voor Coveco, een coöperatieve organisatie die door de boeren was opgericht. Als boeren een koe wilden verkopen of ze hadden varkens die weg moesten, dan bemiddelde ik daarin. Ik nam ze mee naar de markt, de varkens zocht ik uit, en dan zorgde ik dat ze in het slachthuis kwamen. Je adviseerde ook: die koe kan het beste rechtstreeks naar de slachterij, die koe brengt op de markt zoveel op. Dat was mooi werk.”

Waarom ben je er toch uitgestapt?

“Het trok om buiten te gaan wonen en we hadden dit huis gekocht. Het was toen nog geen boerderij. Ik had als hobby wat koeien en zeugen, en ik had al eerder een varkensschuur gehuurd om 150 varkens in te houden. Fien werkte als huishoudkundige. Dat werd allemaal te druk. Toen heb ik gezegd dat ik wilde stoppen met het huren van die stal. Een dag later dacht ik: je wou boer worden - dat zat toch altijd in mijn achterhoofd - maar als je die stal wegdoet, zal dat misschien nooit meer gebeuren. Toen kreeg ik in één keer een ingeving om voor mezelf te beginnen met fokzeugen. Dat was de makkelijkste manier om te beginnen met een boerderij, ook de minste investering. Ik ben opgestaan midden in de nacht, heb koffie gezet, ben gaan denken en rekenen en zei: ‘Ik doe het.’
De volgende dag op de markt heb ik tegen mijn collega gezegd: ‘Ik stop ermee, ik word boer.’ Toen heb ik het aan Fien verteld, maar ik wist al wel dat ze dat goed vond. Fien stond altijd achter me en zei: ‘Je moet zelf weten wat je wilt doen’. Zij ging daar in mee, vanaf het begin. En het komt ook omdat haar familie boer is in hart en nieren. Als dat anders was geweest, was het waarschijnlijk moeilijker geweest. Ik heb eigenlijk van mijn hobby mijn werk gemaakt.”

Je doet het bedrijf nu samen met je zoon Tom?

“Ja. We doen het werk met zijn tweeën en we hebben een taakverdeling: hij doet de fokzeugen en ik doe de vleesvarkens en de koeien.
Ik ben meestal een paar uur per dag druk met de varkens te verzorgen. Controleren, af en toe een injectie geven of een bak beter afstellen, een varken verplaatsen. De tachtig koeien voeren kost ook ongeveer een uur per dag.
Elke maandagmorgen leveren we varkens af, die gaan naar de slachterij. Dan moet de afdeling schoongespoten worden en op woensdag komen er van Tom weer een aantal biggen binnen bij mij in de vleesvarkensstal. Tom krijgt weer zeugen uit de drachtige zeugenafdeling, die krijgen kleine biggetjes en dan begint het opnieuw.
Dertig procent van het voer wat de varkens krijgen, komt van ons eigen land. Ideaal zou zijn dat je het van zaadje tot karbonaadje zelf doet. Dat is onmogelijk omdat de grond erg duur is en je hebt dan behoorlijk veel grond nodig.”

De zaaiende boer - het zaaizaad is toch de basis van alle leven hè?

“Ja. Dat vind ik het nuttige ook. Je leeft met zijn allen in de wereld en het mooiste is dat iedereen een nuttige bijdrage levert in de samenleving. Wij zorgen voor dingen die mensen op hun bord krijgen en dat is toch een primaire levensbehoefte. Dus wij hebben een hele belangrijke taak.
Er zijn wel boeren die klagen: er zijn zoveel regels en er is zoveel commentaar op boeren. Ja, je staat in de belangstelling. Je maakt spelregels voor de hele samenleving en voor ons is dat natuurlijk ook zo. Als daar maar goed mee omgegaan wordt, is dat prima.”

Toon en Fien Hopman: “Wij vinden het werk mooi wat we doen. Nuttig. En we proberen het ook te doen voor de mensen om ons heen.”Hebben jullie altijd behoorlijk kunnen leven van wat jullie met het bedrijf verdienden?

“Wij leven niet overdadig. Het inkomen varieert van een kleine min tot plus, dus dat is heel wisselvallig. De laatste jaren is het een redelijke plus. Wij leven niet veel anders of we nou veel of weinig verdienen.
Zoveel mensen geven altijd alles uit, aan constant weer nieuwe dingen. Dat doen wij niet, maar als er iets nodig is, kopen we het wel.”

Vind je de vergoeding redelijk die je krijgt voor het werk dat je doet?

“Ja, gemiddeld wel. De prijs van de varkens gaat op en neer, maar langzaam naar beneden. Vroeger had iemand dertig zeugen, nu heb je driehonderd zeugen nodig om net zoveel te verdienen. En dan moet je de inflatie ook nog meetellen.
We hebben er altijd goed van geleefd, maar je doet het met beleid. Dat leer je in de loop der jaren. Wij hebben in het verleden ook veel grond gekocht, maar nooit als die heel duur was.”

Welke bijzondere gebeurtenissen, negatief of positief, heb je in je arbeidsloopbaan meegemaakt?

“Vanaf 1997 hebben we een moeilijke tijd gehad, tot 2001. In 1997 begon de varkenspest. Zelf hadden we een heel goed inkomen en wij zaten in een gebied dat vrij was. Maar een vriend van mij zat wel in dat gebied en mijn zus en mijn broer. Die ellende, die beelden op televisie, die hebben zoveel impact gehad. Het feit dat heel veel varkens vernietigd werden voor nop. Wij mochten vroeger thuis nog geen korst brood weggooien. De hele ethiek daarvan. Wij hebben die varkens niet om in de put te gooien maar om op te eten. Dat is helemaal fout geweest. Dat heeft ons, en heel veel boeren, veel gedaan. Dat heeft niks met geld te maken, dat heeft alleen maar te maken met gevoel.
Nu boeren we weer zoals het hoort. Maar de verwerking van die moeilijke periode heeft tijd gekost.”

Wat is er verder gebeurd dat voor jullie bepalend is geweest?

“De ziekte van Fien was natuurlijk ook van invloed. Dat was moeilijk, maar ik denk dat we er steeds beter mee om kunnen gaan. En het gaat met Fien niet slecht.
Je moest leren om van elke situatie het beste te maken. Dat proberen wij ook. Gewoon doordoen op een lager pitje. Dingen rustiger aan doen.”

Incasseren en doorgaan? Niet bij de pakken neerzitten?

“Ja. Dat zal iedere boer doen. De gemiddelde bedrijfsomvang wordt steeds groter, je moet op een gegeven moment mee met je bedrijf. En je kunt tegenwoordig geen kleine stapjes nemen, dus moet je een grotere stap nemen. Je wilt toekomst voor je kinderen. Als je je bedrijf goed en op tijd ontwikkelt, kun je dat makkelijker doen.
Zoals het toen met Fien ging, dat is hartstikke jammer. Maar als je dan zegt: ‘Nou ga ik bij de pakken neer zitten en mijn bedrijf ook niet meer ontwikkelen...’ Dat is niet mijn karakter. Alleen gaat het met minder plezier, denk ik.”

Hoe lukt het je om je betaalde werk te combineren met andere activiteiten binnen- en buitenshuis?

“Toen de kinderen klein waren, hielp ik als het echt nodig was, maar het meeste deed Fien. Daarom kon ik achter, het bedrijf, goed doen. We hebben toen ook vijf jaar lang een medewerker gehad. De laatste jaren ga ik thuis wat meer doen, omdat Fien wat minder doet.
Besturen heb ik ook gedaan. Daar werd je voor gevraagd. Dat kon ik er wel bij doen.
Sinds Tom thuis is, is het ook een stuk makkelijker. Vijf, zes jaar terug werd het bedrijf steeds groter, toen was er een periode dat het te druk was met mijn werk. En toen we begonnen te boeren ben ik een jaar lang druk aan het verbouwen geweest met beunhazen erbij. Je had geen cent te makken en na dat jaar kon ik geen cement meer zien. Maar daarna hebben we een hele periode lekker geboerd.”

Wie of wat inspireert jullie? Misschien iets als het belang van het leven?

“Alles wat groeit en bloeit, fascineert je, en inspireert je denk ik ook. Dat verbaast je telkens weer en daar geniet je van. Uiteindelijk is dat het mooiste wat er is. En dat je daaraan mee kan doen, is alleen maar mooi.”

Heb je bepaalde voorbeelden? Een persoon, een lied of een verhaal?

“Er schiet me een liedje te binnen: ‘Ben ik dan soms te min, omdat je vader een grotere kar heeft dan de mijne?’ Of mensen veel of weinig hebben, vind ik niet zo belangrijk. Hoe ze zijn vind ik belangrijker. Mijn nichtje wordt plastisch chirurg. Ik zei: ‘Wat moet je daar nou mee? Mensen veranderen...’ Toen zei ze: ‘Er zijn ook mensen die een ongeluk krijgen, die zijn verbrand en verminkt, die kunnen we helpen.’ Ik zei: ‘Dat is een beter iets om te doen.’ Die nuttige bijdrage aan de samenleving, dat vind ik belangrijk.”

Hoe heeft wat je inspireert, doorgewerkt in de bijzondere dingen die er zijn gebeurd in je arbeidsloopbaan?

“Je kunt misschien zeggen: het feit dat wij die bezieling hebben, heeft gemaakt dat die mond- en klauwzeer en die varkenspest ons zoveel pijn gedaan hebben. Want als je alleen maar rekent en calculeert, wordt je misschien rijker maar dan mis je de liefde voor de dieren en het werk.”

Wat voel je op de momenten dat je bezield bent in je werk?

“Dan voel je je gelukkig. Misschien ben ik aan het voeren of iets anders, gewoon wat ik aan het doen ben, dan denk ik daar even bij na en denk: tjonge, wat is dit toch mooi; dat ik dit kan doen.
Daar heb je dan zoveel plezier in, dat maakt je blij. Die momenten heb ik toch wel regelmatig. Je gaat door met wat je doet, maar je staat er even bij stil.”

Zijn er ook kanten aan je werk die minder inspirerend zijn?

“De verzakelijking van de mensen staat me wel eens tegen. Je moet tegenwoordig goed van wanten weten, wil je je staande houden in de omgang met mensen waarmee je zaken doet. Sommige mensen zijn heel goed van vertrouwen, te goed misschien, en redden het op een gegeven moment niet meer. Dat vind ik jammer. Als ik zulke mensen spreek, probeer ik ze adviezen te geven.
Je bent ook wel eens te druk en dan gaat er van alles mis. Op zo'n dag geniet je minder van je werk. Je moet zorgen dat het je niet boven je hoofd groeit. Wij hebben alles goed op de rij en op papier en een duidelijke structuur. Soms verander je iets en ga je daar weer over praten: ‘Zullen we dat doen?’ Wij vinden het leuk dat je het zelf ook kunt beïnvloeden. Het is een beetje een sport en een soort spanning waar ik wel van houd.”

Hoe houd je je bezieling levend?

“De varkens, de koeien op het land, alles wat groeit en bloeit, je omgeving - dat inspireert je, dat is mooi. Dat is de basis en omdat je die zo mooi vindt, kun je ook iets hebben.”

Welke waarden vind je vanuit je inspiratie belangrijk in je werk?

“Het leven moet verder gaan, dus je moet proberen het zo te beheren en te verzorgen dat het verder kan gaan. Dus moet je niet te veel bemesten, niet te veel spuitmiddelen gebruiken. We hebben de stallen zo gebouwd dat dat, volgens ons, voor de gezondheid van de varkens heel goed is. Ook met medicijngebruik bij de varkens zijn wij heel terughoudend. Dat is een bewuste keuze.”

Toon Hopman: “Ik zie het niet als een industrie van: je zet een bedrijf neer, daar zet je me-dewerkers op en dat is het dan.”Wat zijn de dingen waar je je tegen afzet in je werk?

“Er zijn boeren, die hebben een bedrijf in Polen of in Oost-Duitsland. Ik kan dat nooit begrijpen. Ik zie het niet als een industrie van je zet een bedrijf neer, daar zet je medewerkers op en dat is het dan. Wij vinden het werk mooi wat we doen. Nuttig. En we proberen het te doen voor de mensen om ons heen, dat is ook een bewuste keuze. Ik heb het liefst dat het vlees naar een Apeldoornse slachterij toe gaat. Er zijn enkele boeren die halen het voer uit het buitenland, de varkens gaan naar het buitenland, de mensen uit het buitenland verrichten het werk - gewoon omdat die goedkoop zijn. Sta je dan in de samenleving? Vroeger had je de smid, de timmerman, de bakker. Iedereen had zijn taak, dat was een harmonie, op een kleine schaal. Nou wordt het allemaal iets groter, maar die harmonie moet er zijn, die moet je nastreven.”

Ben je gelovig?

“Ja.”

Hoe heeft je gelovig zijn te maken met wat je in je werk bezielt?

“Volgens mij heeft het er bij mij niet zoveel mee te maken. Ik geloof vooral in een samenleving, in een gemeenschap. Hoe je met elkaar omgaat, naastenliefde en rechtvaardigheid, die dingen komen steeds weer terug in het leven. Naastenliefde vind ik het belangrijkste in het geloof. Dat wordt dan opgehangen aan God en de apostelen en Jezus. Daar is niet zoveel op tegen. Maar sommigen aanbidden een persoon. Dat doe ik niet.”

Deel je op de een of andere manier met andere mensen dat wat je in werk inspireert?

“Ja. Met je gezin natuurlijk en met iedereen eigenlijk, hè. Opa en oma, met de familie en je vrienden en kennissen.”

Ben je betrokken bij je geloofsgemeenschap?

“Dat is de laatste tijd iets minder geworden. Er komt weinig van om naar de kerk te gaan. De kerk is veranderd. Vroeger had je een priester, voor langere tijd; die had de kinderen gedoopt, daar kreeg je echt een band mee. Van onze leeftijdsgroep zijn er nog maar heel weinig betrokken bij de kerk. Maar ik vind wel: het geloof van de kerk in rechtvaardigheid en samen delen, wat het evangelie ook steeds brengt, heeft ons gevormd. Die waarden moet je ook onderhouden natuurlijk.”

Loopbaan in het kort

Toon Hopman is geboren in Bergharen in 1956. Hij haalde zijn havodiploma, werkte een jaar bij een groot varkensfokbedrijf en volgde een verkorte opleiding van de middelbare landbouwschool. Daarna volgde hij de middelbare kaderopleidingen rundvee en varkens. Van jongsaf hielp Toon mee op de boerderij van zijn ouders.
Vanaf 1978 werkte Toon als vertegenwoordiger bij de Coveco, een coöperatie van boeren. Na zes jaar is hij zelf een boerenbedrijf begonnen met fokzeugen, vleesvarkens en koeien.
Toon is getrouwd met Fien. Zij hebben vijf kinderen, van wie er vier nog thuis wonen, en een kleinkind. Met hun zoon Tom hebben ze een maatschap gevormd. Tom zal waarschijnlijk op termijn het bedrijf overnemen.
Toon deed bestuurswerk voor de Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond, de school, de parochie en voor een club van varkenshouders. De laatste tien jaar besteedt hij een aantal uren per week aan werk in huis, ook zijn Fien en hij regelmatig oppasopa en -oma. Verder doet Toon aan paardenmennen.

Interviewer Daan Vogelpoel was tot halverwege 2008 pastoraal werker van het parochieverband IJsselvallei met het profiel diaconie. Momenteel is hij werkzaam als geestelijk verzorger in de Gelre Ziekenhuizen.

Terug naar openingspagina Beroep en Bezieling

home