home

PROJECTEN

BEROEP EN BEZIELING

"Eigenlijk ben ik altijd weer een bouwer"

Interview: Bärbel de Groot-Kopetzky
Redactie: Esther van der Panne

Hanneke Visser-Beersma: “Mijn grootste verdienste is een tevreden revalidant, die het aandurft om, ondanks zijn beperkingen, zijn leven thuis weer op te pakken.”Hanneke Visser-Beersma werkt als ergotherapeut in een revalidatiecentrum. Het begeleiden van revalidanten vindt ze ‘puur mooi’. Samen met iemand bekijken wat diegene wil en kan bereiken, en wat daarvoor nodig is. Het belangrijkste is dat mensen gehoord worden.

Kun je iets vertellen over het gezin waarin je opgegroeid bent?

“Ik heb drie zussen en één broer, ik ben de vierde op rij. Mijn vader werkte als stedenbouwkundige bij de gemeente Helmond. Mijn moeder was altijd thuis voor ons. We woonden in een huis dat mijn vader zelf ontworpen had en dat erg kindvriendelijk was. We hadden een eigen speelkamer en we amuseerden ons goed onder elkaar. Mijn moeder kookte, deed de was en was graag buiten om lekker te genieten van de zon. Mijn vader was een heel creatieve man. Hij vond het heerlijk om vliegers te bouwen en dingen met ons te doen. Een heel fijne man.
Van huis uit zijn allebei mijn ouders katholiek. Ik herinner me zondagen: je was naar de kerk geweest en dan was er meestal een kop soep met krentenbrood. Er lag een enorme legpuzzel op tafel die we met z’n allen gingen maken. Dat soort dingen deden we gezamenlijk, dat was heel gezellig.
We hebben de creativiteit van mijn vader meegekregen. Mijn moeder was op sociaal gebied heel actief. Ze vulden elkaar goed aan.”

Hoe kwam je op het idee om de opleiding voor ergotherapie te gaan doen?

“Bij een les over beroepen in het vierde of vijfde jaar van het vwo kreeg ik informatie over ergotherapie. Ik ben zeer geïnteresseerd in creatieve technieken: ik denk praktisch en creatief en zoek graag oplossingen. Ergotherapie is een vak waarbij dat nodig is. Ik ben gaan meekijken met een ergotherapeut en gaf me op voor de opleiding. Er waren 1600 aanmeldingen en 50 plaatsen. Ik had het geluk dat ik bij de laatste 50 zat. Daar was ik heel blij mee. En het is een hele goede keus geweest.”

Wil je ook iets vertellen over je eigen gezin?

“Tom en ik zijn in 1992 getrouwd, toen woonden we al samen. Tot 2000 waren we allebei nog een beetje zoekende: dan had ik werk, dan had Tom werk.
Ook hadden we een kinderwens. Dat bleek voor ons een hele moeilijke weg. Uiteindelijk is het gelukt en in 2000 is Thomas geboren.
Tijdens mijn zwangerschap kreeg ik lichamelijke klachten die ik niet vertrouwde. Na onderzoek bleek dat er in mijn hoofd een tumor zat. Gelukkig had het geen consequenties voor de gezondheid van ons kind. Maar het was duidelijk dat ik na de bevalling geopereerd zou moeten worden. Het was een ernstige ingreep. Ik beleefde dus iets heel leuks, een geboorte, tegelijk met een grote zorg over mijn gezondheid. Dat was een moeilijke samenloop, ook voor mijn echtgenoot. Hij is iemand die actief is, graag alles regelt en organiseert. Gezondheid laat zich echter niet ‘regelen’, en ziekte dat ‘overkomt’ je. Hij raakte overbelast en heeft een lange periode niet kunnen werken. Op een gegeven moment hadden we alles tegelijk.
Maar ik kan toch met plezier terugkijken. Het positieve heeft overheerst. Ik wou Thomas zien opgroeien. Daar ging ik voor.”

Wanneer ben je begonnen met het verrichten van betaalde arbeid?

“Nadat ik mijn opleiding had afgerond heeft het een klein half jaar geduurd voordat ik echt werk had. Mijn eerste vaste baan was in een verpleeghuis. Dat werk beviel me uiteindelijk niet zo goed. In die tijd en daarna werkte ik ook als docent ergotherapie, eerst voor ziekenverzorgenden, later voor activiteitenbegeleiders. Ik vond het leuk om dingen uit te dragen van mijn vak en om mensen te prikkelen anders na te denken over dingen. Later ben ik in vaste dienst gekomen bij Groot Klimmendaal.”

Je deed ook advieswerk.

“Ja. Mijn echtgenoot begon in 1994 voor zichzelf en we hadden bedacht dat ik ook dingen als zelfstandige zou kunnen doen. We hebben een V.O.F. (Vennootschap onder firma, red.) opgericht zodat we goede voorwaarden hadden om allebei zelfstandig te werken. Van de gemeente Arnhem kreeg ik toen opdrachten om aanpassingen en voorzieningen voor gehandicapten te adviseren in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten. Dat werk kon ik zelf plannen. Ik ging bijvoorbeeld bij iemand op huisbezoek om te kijken welke woningaanpassingen thuis nodig waren, of ik adviseerde tijdens het passen van een rolstoel bij de leverancier.
Ik heb hele drukke tijden gekend. Toen ik op revalidatiecentrum Groot Klimmendaal begon, werd ik aangenomen voor 40 uur en gaf ik nog steeds ’s avonds les. De lessen heb ik afgestoten omdat het te veel was. Later ben ik een dag minder gaan werken. Het advieswerk kon ik dan op die dag doen. Zo heb ik in Zwolle en Apeldoorn ook advieswerk gedaan. Die opdracht kwam op mijn pad in de tijd dat Tom ziek was. Die kans moest ik aangrijpen.”

Je werkt als behandelaar, docent en adviseur. Wat vind je het leukste om te doen?

“Als ik iemand adviseer, moet ik in een half uur alles op alles zetten om goed te kijken wat er aan de hand is en wat er nodig is. Dat is een kort intensief contact met de cliënt. Daarna ben ik administratief erg druk. Daarin ligt niet puur mijn passie.
In de revalidatie, waar ik nu zit, bouw ik samen met iemand iets op. Ik behandel vijf keer per week mensen die in de kliniek zitten, of twee keer in de week mensen die gewoon thuis zijn en voor behandeling naar Groot Klimmendaal komen. Ik begeleid hen; ze komen met vragen of ideeën, met verhalen hoe het wel of niet goed gaat en we zoeken samen naar oplossingen. Ik vind dat begeleidingsproces het leukste.
Uiteindelijk ben ik met het advieswerk gestopt omdat het te veel is, met mijn gezin erbij en naast mijn werk van vier dagen. Dat lukte gewoon niet meer.”

Hanneke Visser-Beersma: “Dat ik mensen zie, ontmoet en spreek, dat is een hele grote waarde in mijn leven.” Kun je mij uitleggen waarom je al achttien jaar op revalidatiecentrum Klimmendaal werkt?

“Omdat ik het revalidatiewerk puur mooi vind. Ik werk voor de groep neurologie. Dat is heel breed. Je hebt zowel te maken met lichamelijke klachten, met training en opbouw van bewegen, als met cognitieve problemen zoals: moeite met onthouden, met organiseren van handelen en met handelen op zich.
Je bedenkt met de revalidant: Wat wil je bereiken? Kan een hulpmiddel of oefening je helpen om weer zelfstandig te zijn in wat je wil doen? Welke rolstoel is voor jou handig, waar moet je hem vandaan halen en waar moet je op letten bij het passen van die rolstoel bij de leverancier?
Elke revalidant is uniek en heeft eigen wensen in wat hij of zij wil bereiken. Dat maakt dat elke nieuwe revalidant weer een nieuwe uitdaging voor mij is.
Ik begeleid ook mensen met ALS, een progressieve spierziekte, waar mensen aan overlijden binnen enkele jaren. Binnen Groot Klimmendaal hebben we er een specialisme van gemaakt, met een vast team dat mensen begeleidt vanaf de diagnose tot hun overlijden. Dat is een hele andere tak van sport, vooral omdat ik gewend was te werken met iemand in opbouw. En dit is afbouw. Waar je bij de een zegt: ‘Oefen maar goed, dan word je beter’, moet je tot de ander zeggen: ‘Kies maar waar je hoogste prioriteit ligt!’”

Zijn er in jouw arbeidsverleden bijzondere gebeurtenissen die je hebben geraakt?

“Dat zijn juist de kleine dingen. Een stukje geluk wat je ziet als iemand weer iets mag of kan doen. Mensen weer trots te zien op zichzelf .
Kort geleden bijvoorbeeld. Vanuit mijn opleiding heb ik geleerd: je begint met reiken, dan grijpen; als je dat kunt, kun je misschien iets hanteren en dan ga je een activiteit doen. Ik heb een cursus gedaan en daar werd gezegd: ‘Je moet proberen om wat sneller activiteiten met iemand te gaan doen. Misschien heeft iemand een ambitie. Ga dat gewoon eens doen, bekijk welke moeilijkheden diegene tegenkomt en ga dan terugredeneren wat er aan oefening nodig is. Dit prikkelt de motivatie van mensen.’
Toen heb ik een project gedaan met een meneer die erg graag biljartte. Deze man kon nog maar net wat staan. We zijn in de auto gestapt, hij heeft zijn keu opgehaald en we zijn naar zijn biljartclub gegaan. Met behulp van zijn vrouw kon hij een paar passen maken rondom de biljarttafel. En daarna konden we ook op Groot Klimmendaal weer verder oefenen, gericht op biljarten. Dat heeft veel goed gedaan in het hele traject daarna. Hij is nog een keer met zijn vrouw naar het biljarten teruggegaan. Die man gaat weer biljarten! Dat vind ik super, dat je dat toch bereikt met iemand.”

Op die manier probeer je ook met andere patiënten om te gaan?

“Ja, dat is in ieder geval binnen onze vakgroep de tendens. Mensen kunnen zelf aangeven: ‘Daar loop ik tegenaan, dat is moeilijk en daar wil ik aan werken.’ Vervolgens vragen we ze om te waarderen hoe belangrijk het voor hen is om dat probleem opgelost te krijgen. Dan kan iemand bijvoorbeeld ook zeggen: ‘Ik kan niet naar het toilet, maar dat vind ik nu niet het belangrijkste.’ Dat kan soms heel verrassend zijn voor ons als behandelaars en toch richten we ons werk op de prioriteiten die de revalidant aangeeft. Zo laat je een heleboel sturing van revalidatie bij de revalidant zelf en dat motiveert. Ik krijg dat ook terug van mijn revalidanten. Ze voelen zich gehoord en begrepen. Als je dat bereikt, is dat al heel veel, zeker voor mensen die door ziekte een andere kant op moeten in hun leven.”
 
Zijn er nog bijzondere gebeurtenissen buiten je werkkring?

“Ja, je hebt natuurlijk altijd dingen als trouwen, het proces van kinderen krijgen, mijn ziekte rond mijn zwangerschap en de ziekte van mijn man. Dat zijn toch heel belangrijke gebeurtenissen in je leven.
En dat zijn ook dingen die gewoon blijven gebeuren. Nu gaan we weer in onderzoek met ons zoontje die wat concentratiemoeilijkheden heeft. Het is nooit helemaal opgelost. Je moet misschien meer energie steken in hoe je ermee kunt leven dan in hoe je alles kunt oplossen.
Ik ben iemand die dingen graag netjes opgelost wil hebben en dat lukt me gewoon niet meer. Loslaten is heel belangrijk als je dingen even niet kunt oplossen: dan maar even niet… Toch maar steeds aan je zelf blijven werken en aan elkaar, denk ik.”

Je hebt ook de tijd en de energie voor vrijwilligersactiviteiten. Wat betekenen die voor jou?

“Soms zit ik daar een beetje dubbel in. Waarom doe je het er eigenlijk nog bij? Ik heb het al zo druk. Maar aan de andere kant heb ik het zo nodig om juist buitenshuis, buiten het gezin, buiten het werk om, andere ervaringen op te doen, andere contacten te hebben vooral. Ik heb altijd wel ambitie gehad om meer te doen dan alleen activiteiten thuis met het gezin. Het is wel eens heel erg veel: naar vergaderingen gaan voor de kerk, voor de MOV (Missie Ontwikkeling Vrede, red.)-groep, voor de Roemenië-werkgroep, naar het koor. Toch wil ik het blijven doen. Alleen roep ik niet meer zo snel bij extra taken: ‘Dat doe ik wel.’ Wat ik tussen de bedrijven door kan regelen, doe ik graag.
Mijn schildercursus kan me echt ontspannen. Het heeft me verbaasd dat ik daar een hele avond sta te schilderen en daarna ben ik niet moe! Op dat moment is er dan ook niemand die iets aan me vraagt of me interrumpeert. Zo probeer ik rustpunten te vinden. Dat heb je nodig. De ruimte daarvoor zie ik ook weer steeds meer komen in het gezin. Na een hele drukke tijd waarin Thomas niet alleen kon zijn en we veel met zijn tweetjes hebben opgevangen zonder oppas van buitenaf.”

Hanneke Visser-Beersma (links): “Mensen voelen zich gehoord. Als je dat bereikt, is dat al heel veel.” Zijn er voorbeelden van mensen, teksten, dingen, activiteiten die jou inspireren?

“Ik denk wel dat mensen mij inspireren. Dat ik mensen zie, ontmoet en spreek, dat is een hele grote waarde in mijn leven.
Muziek ook. Ik heb met heel veel plezier gezongen in koren waar je ook allerlei mooie teksten tegenkomt. Maar ook het luisteren naar een preek, op een ander gedachtespoor gebracht worden. Lezen heb ik op dit moment niet de rust voor. Het zit voor mij het meest in de ontmoeting met anderen op het werk, in het vrijwilligerswerk, contacten uit het verleden.
Samen met Tom heb ik ooit een project gedaan in Frankrijk bij de Nederlandse pastoor Frans Broers. Deze man liet ons meekijken in zijn parochie. Dat heeft bij ons tot veel gesprekken geleid en tot begrip hoe hij over dingen dacht en hoe hij met mensen omging. Het was een man die niets voor zichzelf vroeg, die ’s morgens vroeg om zes uur opstond om er overdag te kunnen zijn voor ieder die hem nodig had. Een echte Jezuïet. Hij heeft ons heel veel geleerd
over het leven als christen. Je zag hem op zo’n leuke manier omgaan met mensen en tegelijkertijd bouwen aan tolerantie tussen kerk en staat. Waar hij te maken kreeg met regels die overtreden werden om een goed doel, zei hij altijd: ‘Goed of fout? Dat beoordelen ze later ‘boven’ wel’. Ik denk dat hij voor Tom en mij een hele goede inspiratiebron is geweest om als christen in het leven te staan.”

Zijn er ook saaie of vervelende momenten in je werk? Momenten dat je er het liefst mee zou willen stoppen?

“Ja, die momenten heb ik ook, zeker. Ik vind het bijvoorbeeld moeilijk dat er op mijn werk steeds meer accent ligt op de productiviteit, vaak ten koste van kwaliteit, terwijl ik als behandelaar juist kwaliteit wil kunnen bieden. De ruimte die de organisatie daarvoor biedt wordt steeds krapper. Ik kaart dat aan, ik maak me daar soms boos om.
Waar ik nu erg tegenaan loop: de organisatie heeft belang bij zoveel mogelijk werkuren waarbij revalidanten aanwezig zijn. Zo kan ik op een volle dag twaalf mensen zien, elk half uur iemand anders. Maar bij mijn taak als ergotherapeut horen ook taken als verslaglegging, schriftelijk advieswerk, reflectie, ontwikkeling. Niet alle zorg die nodig is, is vooraf te plannen in geroosterde halve uren. Dat wringt bijna dagelijks. In mijn dagrooster staat te weinig ruimte voor die extra taken, waardoor je eigenlijk je werk niet afkrijgt.
Als collega’s proberen we wel naar oplossingen te zoeken, elkaar als referentie te gebruiken: ‘Heb ik dat nu alleen of gebeurt het anderen ook? Wat kunnen we ermee?’ Het zijn vaak regels die hiërarchisch worden opgelegd en niet zomaar te veranderen zijn.
Dat zijn de dingen waar je over moppert! Maar om te zeggen: daarom stop ik ermee – nee. Het behandelwerk zelf vind ik fijn en dan relativeer ik die organisatorische dingen eromheen. Ik denk wel eens: wat minder uren in de toekomst zou me wat rustiger maken.”

Wat vind je vanuit je inspiratie belangrijk in je werk?

“De ontmoeting met mensen, samen bouwen aan iets of samen afbouwen van iets. Eigenlijk ben ik altijd weer een bouwer, probeer ik altijd weer om iets te laten lukken, op de rit te zetten of iets los te laten. Dat inspireert mij het meeste in mijn werk.”

Ben je gelovig en heeft jouw geloof ook iets te maken met je werk?

“Ja, ik denk zeker dat het geloof mij helpt in mijn manier van werken met mensen: het omgaan met en het kijken naar mensen, mensen in hun waarde laten, ze helpen. Ik vind het heel moeilijk om dat concreet te benoemen. Je neemt uit vieringen op zondag steeds weer dingen mee waar je van leert. Ik ga op mijn werk ook om met mensen die gaan overlijden. Mensen denken en praten daarover. Ik denk dat het geloof me in dat alles sterkt.”

Loopbaan in het kort

Hanneke Visser-Beersma is geboren in Helmond in 1963. Ze haalde haar vwo-diploma en volgde een hbo-opleiding voor ergotherapie in Zuid-Limburg. Na het afronden van haar studie, in 1986, is ze in Arnhem gaan wonen. Haar eerste vaste baan als ergotherapeut in een verpleeghuis in Winterswijk combineerde Hanneke met lesgeven in ergotherapie aan een opleiding voor ziekenverzorgenden. Later gaf ze ook lessen ergonomie op de avondopleiding voor activiteitenbegeleiders. In 1990 begon ze als ergotherapeut bij revalidatiecentrum Groot Klimmendaal in Arnhem, voor 40 uur per week. Vanaf 1997 ging ze 32 uur per week werken. Daarnaast deed Hanneke advieswerk als zelfstandige in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten.
Na de geboorte van zoon Thomas, in 2000, kon ze door ziekte anderhalf jaar lang niet werken.
Op dit moment behandelt Hanneke revalidanten met neurologische ziektebeelden, zoals CVA, MS en ALS. Ze werkt zowel met revalidanten die in de kliniek zijn opgenomen als revalidanten die vanuit huis voor behandeling naar het revalidatiecentrum komen.
Hanneke doet zelf het huishouden, de verzorging van Thomas deelt ze met haar man. Ze stemmen hun werk zo af dat buiten schooltijd (bijna) altijd één van hen thuis is. Aan hobby’s komt Hanneke op dit moment thuis bijna niet toe, wel doet ze een schilder- en tekencursus buitenshuis.
Ze doet vrijwilligerswerk: momenteel voor de kerk (MOV-werk en werkgroep Roemenië), en voorheen bij windmolen De Kroon en voor de Werkgroep Frankrijk (een organisatie die middels jongerenwerkvakanties Nederlandse priesters in Frankrijk ondersteunde bij het opknappen van hun kerk of pastorie).

Interviewer Bärbel de Groot-Kopetzky was tot eind 2006 werkzaam als r.k.-basispastor in Doorwerth, Heelsum, Renkum en Oosterbeek.

Terug naar openingspagina Beroep en Bezieling

home