home

PROJECTEN

BEROEP EN BEZIELING

"Je moet niet bangerig zijn"

Harry Kempen: "Wat mij aan heel veel mensen stoort is, dat die heel even wat doen en het dan erbij laten liggen."Interview: Bärbel de Groot-Kopetzky
Redactie: Esther van der Panne

Harry Kempen is elektrotechnicus. Van na zijn studie tot aan zijn pensionering werkte hij bij één bedrijf, KEMA in Arnhem. Dat was hij niet van plan, maar hij rolde van de ene functie in de andere.
Hij is meer een manager dan een technicus. Mensen, die interesseren hem.
Zijn levenshouding? "Ik ben bewust naïef."

Hoe was jouw ouderlijk gezin samengesteld?

"Pa was een Rotterdammer die naar Limburg kwam. Er waren toen geen banen, het was crisistijd. Hij was elektrotechnisch ingenieur en hij kreeg een baantje bij De Staatsmijnen als tekenaartje. Dat was ver onder zijn niveau, maar hij was ontzettend blij. Dat werk heeft hij via de pastoor gekregen.
Daar heeft hij mijn moeder leren kennen; zij was een echte Limburgse. Op een gegeven moment verhuisden ze naar Geleen en kreeg mijn vader een betere baan. Ze kregen toen vijf jongetjes en het laatste kind was een meisje. Ik ben de tweede.
Het was heel gezellig. Het was de tijd dat je midden in Geleen nog 's avonds op straat kon spelen. Een onbezorgde tijd.
Pa werkte altijd. En als hij tijd had, in het weekeinde, dan moest hij altijd wat leren. Ik was een beetje de kwajongen die hem daarmee plaagde. Dat was zo de verhouding met mijn vader. Hij was een ontzettend goede man, hardwerkend. Hij heeft zijn leven lang alles voor die Staatsmijnen gedaan. Maar de kern van het gezin was toch eigenlijk de moeder.
Mijn ouders waren beiden katholiek. Mijn vader maakte zich er in die tijd boos over dat ze in Afrika bij het ter communie gaan geen rijst mochten gebruiken. Zo'n man was dat. Een goede man, heel gelovig maar rebels."

Je bent naar het gymnasium gegaan en daarna heb je een opleiding elektrotechniek gevolgd.

"Ik wist niet zo goed wat ik zou gaan studeren. Uiteindelijk was het biologie of elektrotechniek. Mijn vader was elektrotechnisch ingenieur. Toen ben ik maar elektrotechniek gaan doen. Als je het achteraf bekijkt, had het net zo goed biologie kunnen zijn. Alleen was ik niet het type van de researchman. In de biologie was ik waarschijnlijk ook een beetje meer naar de organisatorische kant, de managementkant gegaan.
Na de studie en de militaire dienst ben ik in 1965 naar Oosterbeek gekomen en bij de KEMA gaan werken. Toen zijn Rie en ik ook getrouwd."

Waarom ben je naar Oosterbeek gekomen?

"Het was toen een gouden tijd, ze stonden met zijn zevenen op de stoep of je alsjeblieft wilde komen werken. Mijn hoogleraar zei toen: 'Ga maar een paar jaar bij de KEMA werken. Dat is goed werken, dan weet je hoe en wat en kom je met iedereen in contact.' Ik heb dat advies gevolgd, ondanks het feit dat ik daar ongeveer 30% minder verdiende dan bij andere bedrijven. Ik had wel een voorkeur: niet in het Westen. Ik wilde uit die drukte weg."

Je bent je hele beroepsleven bij de KEMA gebleven?

"Dat was ik helemaal niet van plan. Ik ben begonnen als testingenieur. Dat was echt techniek. Op de knieën. Het was best interessant, maar op een gegeven moment wil je toch iets meer. Toen werd ik groepsleider van het binnenlab. Na vijf jaar was dat ook te klein geworden en had ik met mijn vriendje, die op een ander lab werkte, bedacht: als die en die weggaat, neem ik dat lab wel over. Maar op dat moment werd er van bovenaf geredeneerd dat dat niet kon. Toen dacht ik: dan ga ik weg. Toen ben ik met Rie - ik kon toen overal terecht - naar Geertruidenberg gegaan. Dat is dat Brabantse land, grijs en grauw bij lelijk weer en de rivier de Dongen stonk toen zo naar de suikerbieten. Wij liepen daar en Rie zei: 'Als je denkt dat je hier gelukkig zult worden dan moet je het vooral doen...' Dus toen ben ik toch maar bij de KEMA gebleven en een half jaar later werd ik gesmeekt of ik dat andere lab wilde overnemen. Toen hadden ze me plots hard nodig."

Toen kon je je plannen wel uitvoeren?

"Ja, maar toch anders. Dat was voor mij een heel moeilijke stap. Ik was aan het managen, dat vond ik heel leuk, en toen moest ik een nieuw laboratorium opzetten, een hele nieuwe techniek. Ik heb toen een jaar lang altijd maar gestudeerd, ben naar het buitenland geweest en heb overal mensen gesproken die zulke laboratoria dreven. Het was erg zwaar: de hele dag studeren zit helemaal niet in mijn aard.
Toen het klaar was, was het de bedoeling dat ik weer wat anders zou doen. De beproevingsingenieurs zeiden: waarom wordt hij niet ons baasje? Toen dacht ik ook: 'Jeminee!' Dat was een hele andere wereld dan ik gewend was. De eerste zeven, acht jaar werkte ik bij hoogspanning, en dit was kortsluiting."

Waarom hebben ze jou voorgedragen?

"Ik was technisch wel nieuwsgierig. Die beproevingsingenieurs hadden eerst de houding van: wat weet jij van ons vak? Ik was bereid om erin te duiken en op een gegeven moment ontdekten ze dat ik niet helemaal gek was. En ik luisterde heel goed naar ze. Ik denk ook om de sociale houding van: 'Joh, als er iets mis gaat, dan ben jij niet 'de schuld, maar dan zijn we met z'n allen schuld.' Het was typisch een bedrijf waar veel mis kan gaan, waar je met de grenzen van de vermogens zit te werken. En ja, dat moet je dan sociaal oplossen. Dat was een hele breuk met de voorganger, die was veel harder.
Dus ik ben toen dat lab gaan doen. Dat heb ik tot het einde gehouden. Ik kreeg er nog twee labs bij, dus toen had ik er drie onder me. Dat vond ik wel leuk, maar ik vond het jammer dat je verder van de werkvloer komt te staan.
Wat ik heel belangrijk vond, waren de mensen. Ik wist van bijna alle mensen hoe het thuis zat, vooral als er wat was. Ik herinner mij nog goed: Er was een man die hoofd was van de monteurs. Hij was een kei, maar werd overspannen en bleef dat. De dokter zei: 'Joh, volgens mij is het mooi geweest.' Toen moest ik toch wel zeggen: 'Henk, je zult aan de slag moeten.' En: 'Als je niet komt, dan is het werkweigering!' Ik zie hem nog zitten met zijn vrouw erbij, met tranen. Hij is gaan werken, langzamerhand opbouwen, en elke keer als ik die kerel nog eens tegenkom... Ik word er emotioneel van. Ja dat was moeilijk.
Met een andere man is het helemaal misgegaan. Zijn zoon werd ziek en stierf jong. Hij kreeg met iedereen ruzie, dat was rampzalig voor het bedrijf. En toen ging hij ook nog met een secretaresse donderjagen. Ik denk dat hij mij nog steeds haat. Want op een gegeven moment moet je toch zeggen: 'Dat gaat niet.' Dan moet je gewoon duidelijk zijn, dat kan niet anders. Dat zijn momenten van pijn.
Dat laatste heeft me heel erg aangegrepen. Als ik hoor hoe men nu denkt een groep te motiveren, het werk interessant te houden en mensen hard te laten werken... Daar geloof ik gewoon niet in.
Wij hadden toen ook mensen lopen die waren zo'n beetje ziek - daar kon je niet veel van verwachten - en mensen met een beperkt vermogen, die konden de ontwikkeling van de techniek niet volgen. Daar zochten we een plekje voor. Dat gaat nu niet meer. Er is een soort angstsfeer."

Jij had oog voor de sociale aspecten?

"Ja, ik denk dat ik dat wel goed kon. Maar daarnaast moest je het natuurlijk over de klanten hebben. Ik had heel veel met klanten, in China, Aboe Dhabi, India. Ik heb nú nog kerstcontacten. Je krijgt er een band mee.
Al met al moest je ook hard zijn. Als we uitgeruzied waren, kon je daarna toch altijd gezellig gaan eten. China is typisch een land waarmee je veel contacten moet hebben, van lange duur, alsmaar opnieuw. En toch werd je alsmaar onder druk gezet. Een collega en ik hadden na onderhandelingen met onderminister huppeldepup moeilijkheden en toen zeiden we : 'Nou, verder gaan we niet! En morgen gaan we naar huis.' Dat bestónd niet. Wij wilden net het vliegtuig ingaan en daar kwam zo'n mannetje aanhollen, met het getekende contract. Dat spel van geven en nemen, daar had ik lol in.
Die baan was ook heel interessant omdat je veel internationale contacten had."

Je arbeidsverleden is een doorgaande lijn.

"Ik heb nooit om een baan gevraagd, afgezien van de eerste keer. Ik ben overal ingerold. Er zijn dus nooit van die breukpunten geweest. Hoewel er wel kritische momenten waren.
Ik heb mij op de KEMA sterk gemaakt voor de bouw van een nieuw lab. Dat was de grootste investering in die jaren. De directeur heeft uiteindelijk toegegeven: 'We zullen het doen, maar op je bruine ogen. Je hebt me eigenlijk niet overtuigd!'
Ik kon het ook niet keihard waarmaken. Maar hij had vertrouwen in de mens, dat het goed zou komen. Dat heeft met intuïtie te maken. Na twee jaar ging het met dat labje financieel heel beroerd en hij zei: 'Ik had nooit naar je moeten luisteren!' Twee jaar later zei hij: 'Potverdorie het draait als een tierelier!' Het was toch goed gekomen. Je moet ook een beetje geluk hebben. Maar dat mensen vertrouwen in je hebben of niet, is wezenlijk. Beslissingen door de directie worden vaak genomen op vertrouwen in mensen. Je moet op je gevoel, je intuïtie durven afgaan. Je moet niet bangerig zijn."

Je bent negen jaar geleden gepensioneerd.

"Ja, ik ben vervroegd gepensioneerd. Dat heb ik echt zelf beslist. Ik genoot bij de KEMA geweldig, maar ik wou nog even wat anders. Iets dat toch een heel andere wereld is. Het is de vrijwilligerswereld die je meer bindt. Ik had genoeg van die centen flauwekul.
Ik heb zelf gekozen om de kerk te benaderen of ik daar een rol in kon spelen. Toen ben ik in het parochiebestuur gekomen.
Na mijn pensionering heb ik als een mooie tijd ervaren. Ik kon iets nieuws beginnen, met meer ruimte. En de kleinkinderen - dat is een gave Gods, hoor. Dat is zo fijn! Dat je dat nog mag meemaken. Ik ben gek op die kinderen en zij zijn ook gek op mij. Die van drie, die altijd vraagt: hoe weet je dat? Niets zaligers dan dat.
Sommige mensen denken dat het zwaar is, omdat Rie ziek is. Maar dat valt reuze mee. Ja, er zijn natuurlijk beperkingen. Ik kan niet met haar praten over onderwerpen die boven haar niveau gaan."

Beschouw je jezelf als een bezield, geïnspireerd mens?

"Dat vind ik wel heel erg zwaar. Als ik het zelf mag formuleren: er moet meer zijn om voor te leven dan brood alleen. Ik zie dat gelukkig ook terug in mijn kinderen. Die ene gaat in een tuin werken, in plaats van dat ze dik geld verdient met het werk dat ze deed."

Kun je zeggen wie of wat jou inspireert?

"Ik denk mensen, gewoon mensen. Er zijn zoveel mensen die somber zijn over de jeugd. Dan denk ik: dat valt allemaal reuze mee. Misschien ontmoet ik alleen bepaalde mensen... Maar ook mensen waarvan je eerst zegt: 'Ja, ja...', vallen reuze mee als je even met ze in contact treedt. Als mensen benaderd worden van 'jij bent een rotzak', dan worden ze ook een rotzak.
Vanmorgen vroeg komt een meneer hier schilderen. Heeft hij die ene lekkere Chinese vaas gebroken en zegt ook tegen mij: "Je kunt wel even dat schakelaartje maken, daar ben je goed in. Ik moet nu weg.' Je zou daar boos over kunnen worden. Daar liggen mijn grenzen ver weg. Ik ben bewust naïef. Dan belazer jij me maar. Ik heb geen zin de hele dag te bedenken of ik misschien belazerd wordt.
Ik doe een heleboel dingen impulsief. Maar mijn grondhouding is een bewuste keuze. Dat had ik ook met klanten. Ik streefde altijd naar langdurige relaties - niet naar klanten die je even kunt uitzuigen, dat was mijn stijl niet. Dat wisten ze, dat voelden ze ook. En daar had je op den duur profijt van. Ja, ik zou het bewuste naïviteit noemen."

Je hebt verteld dat je bewust in het parochiebestuur bent gestapt. Je bent ook heel lang koorlid en lid van de liturgiegroep geweest. Hadden dit soort vrijwilligersactiviteiten te maken met je beroep of waren het volstrekt gescheiden werelden?

"Qua inhoud hebben ze niets met elkaar te maken en de manier waarop je daarin functioneert is ook een groot verschil. Het zijn vrijwilligersorganisaties. Daar moet je geweldig aan wennen in het begin. Als je in het bedrijf zegt, 'dat doen we', dan kan iemand wel zeggen: 'doe het anders', maar dan debatteer je dat uit, en op een gegeven moment wordt besloten 'dat gaan we doen'. In het vrijwilligerswerk gaat het anders.' Maar voor de rest, hoe je met mensen omgaat, dat is in elke organisatie hetzelfde. Mannenorganisaties vind ik wel gemakkelijker dan vrouwenorganisaties. Daar zitten van die onderhuidse spelletjes die ik, die mannen niet kennen."

Je bent in een kerk gaan werken. Heeft dat iets te maken met je persoonlijk geloof?

"Ik ben natuurlijk helemaal kerkelijk rooms: gedoopt, misdienaar, acoliet. Al dat gedoe. Ja, dat heeft toch een soort liefde voor dat instituut kerk. Dan kan ik nog zo vaak boos worden op dat instituut, maar dat is dan het instituut veraf, daar houd ik afstand van. Het instituut dichtbij, het gedoe, de ceremonieën, de symbolen. Ik geniet geweldig van onze kerk nadat die geschilderd is.
Je mag van zoiets moois wat zo'n geloof meebrengt, genieten. Aan de andere kant worstel ik met mijn geloof. Dat er meer is dan dit hier op aarde, daar twijfel ik niet aan. Dat weet ik gewoon. Alleen, als ik dan soms in de kerk kom, denk ik bij iedere zin: wat zing ik nu eigenlijk? De persoonlijke God is voor mij heel moeilijk. Ik zou zo graag in een persoonlijke God willen geloven. Ik neig naar het ietsisme, maar eigenlijk wil ik dat niet."

Wat vind je waardevol in je leven? Waar streef je naar?

"Als ik aan het eerste en het tweede gebod denk, dan hel ik meer naar het tweede gebod. Als ik praat over verticaal en horizontaal geloven, dan gaat het mij om de sociale setting.
Je kunt ook zeggen: wat zijn in contacten met mensen voor jou de belangrijkste waarden? Dat zijn eerlijkheid en trouw. Ik heb het idee dat daar alles aan vastzit. Wat mij aan heel veel mensen stoort is, dat die heel even wat doen en het dan erbij laten liggen. Dat vind ik jammer. Als je iets aangaat in contacten met mensen, moet je daar trouw in zijn. Dat is wel eens lastig, dan worden je schouders soms moe, dat is vervelend.
Eerlijkheid vind ik ook heel belangrijk. Dat heeft een zwakke kant, geef ik toe. Ik had er in het bedrijf regelmatig problemen door. 'Eerlijk is eerlijk, geen flauwekul.' Mijn vader had dat heel sterk. Mijn moeder heeft dat gecompenseerd."

Loopbaan in het kort

Harry Kempen: "Ik ben nu al negen jaar gepensioneerd en als ik nu bij KEMA rondloop, zeggen ze niet 'wat doe jij hier?' Ja, ik heb daar zo ontzettend veel plezier beleefd."Harry Kempen is geboren in Heerlen in 1938. Hij groeide op in Geleen en ging in Sittard naar het gymnasium. Daarna studeerde hij elektrotechniek aan de Technische Universiteit in Delft. Na zijn afstuderen en de vervulling van zijn militaire dienstplicht, kreeg hij in 1965 een baan bij KEMA in Arnhem en bleef daar werkzaam tot zijn pensionering in 1999. Hij vervulde verschillende functies: eerst als testingenieur, daarna als manager van het Hoogspanningslaboratorium en het Kortsluitingslab (waar voornamelijk voor buitenlandse opdrachtgevers electriciteitshoogspanningsmateriaal wordt beproefd).
Harry heeft altijd vrijwilligerswerk verricht op kerkelijk gebied, vooral in jongerenwerk en liturgie. Na zijn pensionering is hij acht jaar lid geweest van het parochiebestuur en was hij lid van het bestuur van de Katholieke Bond voor Ouderen.
Harry is getrouwd met Rie. Zij hebben vier kinderen, die inmiddels allemaal volwassen zijn en het huis uit. Hij heeft altijd meegeholpen in het huishouden, na zijn pensionering in sterkere mate. Zijn hobby's zijn hardlopen, bridge en op de kleinkinderen passen.

Interviewer Bärbel de Groot-Kopetzky was tot eind 2006 werkzaam als r.k.-basispastor in Doorwerth, Heelsum, Renkum en Oosterbeek.

Terug naar openingspagina Beroep en Bezieling

home