home

PROJECTEN

BEROEP EN BEZIELING

"Ze lachten me uit, daar werk je toch niet voor!"

Interview: Daan Vogelpoel (tolk: Denis Pinchuk)
Redactie: Esther van der Panne

Luba en Alex Pinchuk. Alexander en Luba Pinchuk vluchtten in 1999 uit Kazakhstan naar Nederland. Die vlucht zorgde voor een breuk, ook in hun beroepsleven. Een lange, uiterst moeilijke periode van onzekerheid in afwachting van de beslissing over een verblijfsvergunning volgde. Gek worden van het wachten en niks doen. Alles willen en moeten aanpakken, maar aangewezen zijn op vrijwilligerswerk en zwart werk. Hoe kijk je dan aan tegen beroep en bezieling?

In wat voor gezin ben je opgegroeid?

Alexander: “In een gezellig gezin. Ik heb één broer. Mijn vader was onderhoudsmonteur van automaten en mijn moeder was serveerster in een restaurant. Ik werd militair omdat mijn vader dat graag wilde, maar vooral ook omdat ik dat zelf wilde. Al toen ik op de middelbare school zat, wilde ik dat. Daarom ben ik naar de militaire academie gegaan. Je leerde daar mooi technisch en netjes werken en het betaalde goed.
Vanaf mijn 21ste heb ik in het leger gewerkt. Je werkte van zes uur ‘s ochtends tot negen uur ‘s avonds. Waar je werkte was geen vrije keuze. Ten minste eens in de vijf jaar werd je overgeplaatst, van de ene plaats naar de andere, heel ver uit elkaar in alle hoeken van de Sovjetunie. Dat was niet zo leuk.”
Luba: “We leefden altijd op onze koffer, want je wist nooit precies wanneer je werd overgeplaatst. Erg onrustig, ook voor de kinderen. Waren ze net gewend op school en in de buurt, moesten we weer weg. De laatste tijd, toen de Sovjetunie uit elkaar was gevallen, werkte Alex vreselijk veel. Maar je kreeg maar zo nu en dan een beetje betaald, zodat je net eten kon kopen. Gelukkig stuurden onze ouders geld en kleding.”
Alex: “Als ik mijn baas vroeg: ‘Wanneer krijg ik mijn salaris?’, zei hij: ‘Weet ik niet, ik heb het zelf ook niet.’
Positief was wel dat je veel mensen en culturen leerde kennen. Je kreeg veel ervaring in het werken met al die verschillende mensen.
De laatste periode was heel erg moeilijk. Kazakstan werd zelfstandig en de nationalisten kwamen aan de macht. Mijn collega’s zeiden: ‘Weg hier. Je bent geen Kazak. Als je je rang wilt houden, ga dan maar naar Rusland.’ ‘Maar daar heb ik geen huis, geen familie, geen kennissen, geen werk, niks’, zei ik. ‘Je zoekt het maar uit’, zeiden ze, ‘Opdonderen’. Omdat ik een hoge rang had, dus veel wist over duistere zaakjes, waren ze ook bang dat ik ging praten. Ze zeiden: als je je mond niet houdt, maken we je gezin dood.”
Luba: “In die tijd was hij vaak één tot twee maanden weg op oefening. Dan kwam hij tussendoor even thuis, helemaal vervuild. Vaak was er geen vervoer en liep hij uren van en naar zijn werk. En dan word je vervolgens afgedankt.”
Alex: “Ik voelde me vooral teleurgesteld. Bang ook, vooral voor mijn gezin. In de tijd van de Sovjetunie was je goed genoeg om keihard te werken. Komt er een andere baas, en je bent niet meer nodig. Je voelt je afgedankt, weggegooid. Luba en de kinderen werden bedreigd en mishandeld, en zijn uiteindelijk gevlucht naar Nederland. Een half jaar later ben ik zelf gevlucht en heb ik ze gezocht. Toen ik in Zevenaar bij de IND kwam, vertelden ze me dat Luba en de kinderen in Loenen waren en mocht ik ze bellen.
We voelden ons allemaal veiliger: we konden weer gewoon buiten lopen, zonder bang te hoeven zijn dat je werd overvallen. Maar toen kwam de tijd van eindeloze onzekerheid. Wachten, nooit weten waar je aan toe bent. Kunnen we hier blijven of moeten we weer naar een ander land? Je blijft maar hopen: misschien komt er morgen een brief van de IND, misschien duurt het nog een maand. Uiteindelijk duurde het acht jaar.
De eerste maanden waren erg moeilijk. Alleen maar zitten op je kamer, wandelen en wachten, niks doen. Dat was ik niet gewend, ik kon er slecht tegen. Ik had altijd hard gewerkt en dan opeens niks doen, dat was moeilijk. Na twee maanden kon ik gaan werken bij het Kringloopcentrum, Luba was daar al eerder begonnen. Mensen vroegen me: ‘Hoeveel verdien je daar?’ ‘Zesentachtig gulden in de maand.’ Ze lachten me uit, daar werk je toch niet voor! Maar het maakte me niks uit, als ik maar mocht werken. Samenwerken met andere mensen is voor mij belangrijk.”

Hoe was dat, Luba, om opeens kleding uit te moeten zoeken? Je was immers toptrainer in Rusland?

Luba PinchukLuba: “Dat maakt niet uit. Een vrouw kwam in het opvangcentrum vragen of we wilden werken bij Kringloop. We gingen allemaal. Maar de meesten gingen weer weg, omdat het zo stoffig en vies was. Ten slotte bleef ik alleen over. Ik bleef zelfs vaak langer werken dan moest, omdat ik het gezellig vond met de mensen en omdat ik dan wat zinnigs te doen had.
Toen we uit het opvangcentrum werden gezet, kon ik er niet meer blijven werken. Ik kreeg geen verblijfsvergunning, omdat ik als Russische vrouw met mijn kinderen wel terug zou kunnen naar Rusland. Omdat er nog een procedure liep voor een verblijf op medische gronden, werden we niet het land uitgezet, maar wel op straat gezet. Alex was nog in procedure, dus die kon in het opvangcentrum blijven en bij Kringloop blijven werken.
We hadden geen huis meer, geen geld. Om te kunnen leven, moest ik betaald werk zoeken. Zonder papieren kon ik alleen zwart werk vinden in de huishouding. We leerden mensen kennen die ons hielpen: bijna een jaar mochten we bij iemand van de kerk in een kleine caravan wonen in de achtertuin. Maar op het laatst werd dat toch wel erg moeilijk. Toen kwamen we op een heel kleine kamer terecht zonder keuken, heel vies en erg duur.”

Dat herinner ik me nog wel. Ik schreef in overleg met jullie een artikeltje in het Apeldoornse kerkblad. Een zieke man van 79 jaar zei: ‘Ik maak wel plaats in mijn appartement.’

Luba: “Meneer Van den H. was een goed mens. Alex kreeg meteen een sleutel, zodat we bij elkaar konden zijn. Bijna vijf jaar hebben we samengewoond, nooit was er ruzie. Voor ons was hij opa. Toen we een verblijfsvergunning kregen en het huis in Zutphen moesten opknappen, bleef Denis hem verzorgen: boodschappen doen, steunkousen aan- en uittrekken. Eerste kerstdag hebben we nog samen gegeten. ‘We zijn bijna familie’, zei ik. Toen zei hij: ‘Ik ben zo blij dat jullie nog hier zijn, hoezeer ik jullie ook een eigen plek gun.’ Toen we naar Zutphen verhuisd waren, is hij na drie maanden overleden...
We zijn heel veel kwijt geraakt, maar hebben ook veel goede mensen gevonden die ons hielpen. De mensen waar we in de caravan hebben gewoond, maar ook mensen van de kerk van Alexander, de Russisch-orthodoxe kerk in Deventer.”
Alex: “Tot januari 2007 heb ik bij Kringloop gewerkt. De eerste tijd in de caravan, toen Luba geen werk had, hadden we heel weinig geld. Toen ben ik ‘s morgens vroeg kranten gaan bezorgen: om vier uur opstaan, kranten bezorgen tot zeven uur, en dan om half negen beginnen bij Kringloop. Dat heb ik bijna zes maanden gedaan. Toen mocht ik het niet meer doen, omdat ik nog geen nieuw verblijfspasje had gekregen. Dat duurde ook weer maanden.”
Luba: “We dachten dat de procedure van Alex snel zou gaan, een maand of twee maanden. Dat we daarna iets anders zouden kunnen zoeken. We wachtten en wachtten maar, schreven brieven, maar er kwam niks. Ik werd er gek van, ik kon niet meer slapen, niet meer eten.”
Alex: “Luba kwam in het ziekenhuis terecht. Toen ze uit het ziekenhuis kwam, wisten we ook niet hoe verder. We wilden graag een huis huren, maar hadden het geld niet. Met mijn krant erbij had ik 200 euro in de maand. En Luba kon toen ook nog niet werken.
Al vijf jaar betaalden we die asieladvocaat, steeds gingen we weer naar Leiden om te vragen wat hij deed voor onze zaak. ‘Alles gaat goed’, zei hij dan, ‘Volgende maand ga ik naar de rechtbank.’
Toen ik na een paar jaar weer binnenkwam, zei hij: ‘Hé, ik ken jou, wat is je naam? En hoe lang ben je al in Nedeland?’ Ik zei: ‘Zeven jaar’. ‘Wat?’ zei hij, ‘zeven jaar al? En nog geen status gekregen? Je wilt zeker niet meewerken, anders had je wel een status. Heb je al betaald, trouwens?’
Toen zijn we naar een andere advocaat gegaan en na twee maanden had ik een status. Ik snap het niet. Hadden we het maar eerder gedaan...”

Hoe werkt wat jullie hebben meegemaakt door in jullie leven nu? Je hebt nu een huis, de kinderen zijn weer op school, jij gaat aan een opleiding beginnen, jullie doen aan sport.

Luba: “Het eerste half jaar geloofde ik nog helemaal niet dat we een status hadden. Ik kon maar niet geloven, dat dit echt ons huis was, dat we hier echt konden blijven wonen. ‘s Nachts schrik ik nog vaak wakker: ‘Hebben we nou wel een status?’
Maar nu ben ik blij dat wij een plek hebben gekregen. Blij dat de kinderen studeren, dat we weer zekerheid hebben, weer iets kunnen opbouwen, plannen maken. Vroeger mochten we niet studeren, daar was geen geld voor. Nu hebben we documenten, zijn we Nederlanders, kunnen we bewijzen dat we mogen blijven. We zijn weer iemand nu. En Alexander leert weer een beroep.”
Alex: “Het is een beetje moeilijk voor ons, met de taal, we zijn niet zo jong meer, maar we proberen het. Geeft niet, nu kunnen we ergens aan werken.”

Wat vind je mooi aan je werk, toen en nu?

Alex: “Toen ik naar Nederland kwam, vond ik het heel moeilijk om alleen maar te zitten in het opvangcentrum, zonder werk, niks te doen. Naar het plafond en de muur kijken, daar werd ik gek van. Toen ging ik als vrijwilliger werken, dat was beter. Geeft niet wat, als ik maar wat kan doen. Nu ik een status heb, vroeg mijn contactpersoon: ‘Wat wil je gaan leren?’ Ik zei: ‘Ik heb wel een beroep, maar dat is hier nu niet meer geldig’.
Mijn vader was vroeger onderhoudsmonteur. Nu ga ik naar school en leer daar ook voor. Ik moet nog een stagebedrijf zoeken. Ik vind het een mooi beroep. Als ik goed heb gestudeerd, kan ik de mensen altijd helpen. Als je hun apparaten herstelt, dan zijn ze blij met je. En ik vind het leuk om met mijn handen te werken.
Een onderhoudsmonteur hebben ze altijd nodig: de ketel gaat kapot, of wat anders.
Of het loon voldoende zal zijn weet ik nog niet, voorlopig moeten we het nog doen met een uitkering: net genoeg, omdat Luba ook wat verdient met schoonmaken.”

En jij, Luba?

“Ik zit nu op de inburgeringscursus, maar ik wil iets doen met mijn oude beroep, met sport. Ik was handbalcoach. Nu ben ik vrijwillig coach bij hockey. Dat is wel moeilijk met de woorden. Ik heb twee groepen: meisjes die wat ouder zijn, dat gaat prima, maar ook een groep jongens van vijftien, echte pubers, die doen zulke rare dingen! Praten, vechten, niet luisteren. Ik kan dan niet zo goed zeggen dat ze moeten ophouden. Een keer moest ik meisjes van twaalf trainen, en die zeiden: ‘O wat moeilijk, het lijkt wel straf!’ ‘Ja’, zei ik, ‘als je goed wilt leren hockeyen, moet je goed trainen. Hardlopen, balbeheersing, reactie.’ Ik weet geloof ik nog niet zo goed wat het niveau is. Toen ik in Rusland op school les gaf was het toch anders.”

Wat geeft je kracht in je werk of wat maakt je enthousiast? Is er een mens of een voorbeeld, waarvan je kunt zeggen: dat inspireert me? Je geloof, misschien?

Alex: “Dit is een beetje moeilijk. Ik probeer het maar. De eerste keer dat mijn Russische vriend in Kampen me vroeg: ‘Kom me helpen met bouwen’, zei ik: ‘Dat wil ik wel, maar ik heb het nog nooit gedaan.’ ‘Niet erg’, zei hij. ‘Als je maar wilt, kan je alles.’ Hij is ook nog helemaal niet zo lang in Nederland, maar hij doet veel, hij leert gewoon wat hij nodig heeft. En hij zegt: als je het maar echt wilt, dan ga je goed studeren, taal leren, vak leren. Ga door, hou vol. Zoals die technische woorden, die kan ik helemaal niet uitspreken, dan word ik wel eens moedeloos. Maar dan denk ik weer aan Sergei, die zegt: als je het echt wilt, kan je het. Dan houd je het vol, al moet je er lang voor studeren en oefenen. Als je het goed wilt hebben, moet je er goed je best voor doen, dan krijg je alles. En niet te gauw zeuren of medelijden hebben met jezelf.”
Luba: “Onze ouders hebben altijd hard gewerkt. Dat hebben ze ons ook geleerd. Alexanders vader kon ook alles zelf maken, heel netjes, heel mooi. Mijn moeder had wisselende diensten en we waren met acht kinderen thuis. Dat was ook niet zo makkelijk. Toen ik acht was, begon ik met wassen, strijken, eten koken. Er was geen wasmachine, alles met de hand.
Wat ik nog wil vertellen, is dat Alexander zo was veranderd toen we hem hier terugzagen. In Kazakstan had hij niks met de kerk, ik was nog een beetje joods, maar hij was een echte militair: grote woorden, lekker drinken. Maar hier had hij het steeds over de kerk. Hij ging vasten en vloeken deed hij nooit meer.”
Alex: “Toen ik heel bang en alleen was, de laatste vier maanden in het leger in Kazakstan, heb ik met een priester gepraat van de Russisch-orthodoxe kerk. Was het Gods wil dat ik naar Nederland zou gaan? Die man heeft me getroost en nieuwe moed gegeven. Toen ik naar hier kwam, heb ik het Russisch-orthodoxe geloof bestudeerd. Dat is erg belangrijk voor me, nog steeds. Ik ben een ander mens geworden: rustiger, ik lees veel en ik vast geregeld. Dat geeft me rust en kracht.”

Alexander PinchukLoopbaan in het kort

Alexander Pinchuk is geboren in Alma Ata (in Kazakhstan) op 11 maart 1960. Hij ging na de middelbare school naar de militaire academie en volgde daar de richting autotechniek. Op zijn 21ste was hij eerste luitenant, commandant van een afdeling infanterievoertuigen in Tsjecho-Slowakije. Later werd hij compagniescommandant en hoofd transport van een transportbataljon, daarna regimentscommandant van een transportregiment in Kazakstan. Alexanders loopbaan werd onderbroken toen hij in 1999 moest vluchten.
In Nederland kon hij als vluchteling geen betaald werk doen en is hij als vrijwilliger bij het Kringloopcentrum in Apeldoorn gaan werken, samen met zijn vrouw Luba. Inmiddels doet Alexander een opleiding voor onderhoudsmonteur.
Luba Pinchuk was in Kazakstan handbalcoach en wil in Nederland ook graag weer werk in de sport. Ze werkt nu vrijwillig als hockeycoach. In de afgelopen jaren deed ze schoonmaakwerk.
Alexander en Luba hebben een dochter van 24, Irina, en een zoon van 21, Denis. In 2007 kreeg het gezin een verblijfsvergunning.

Interviewer Daan Vogelpoel was tot voor kort pastoraal werker van het parochieverband IJsselvallei met het profiel diaconie. Vanaf 1 juli is hij werkzaam als geestelijk verzorger in de Gelre Ziekenhuizen.

Terug naar openingspagina Beroep en Bezieling

home