home

PROJECTEN

WERKEN AAN EEN GELOOFWAARDIGE ECONOMIE

Rio+20 - lichtpunt bij een mager resultaat

Door Trinus Hoekstra

Inleiding

In juni is in Rio de Janeiro de VN-milieutop Rio+20 gehouden, in navolging van de ‘moeder van alle milieuconferenties’ die in 1992 in de Braziliaanse hoofdstad plaatsvond. De Verenigde Naties namen toen 20 jaar na de Club van Rome de handschoen van duurzaamheid op. Volgens Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de VN, ging het bij de Rio+20-conferentie om een breed inzicht in een eeuwenoude vraag: hoe de behoefte van de groeiende wereldbevolking in evenwicht te brengen met de noodzaak de natuurlijke hulpbronnen van onze planeet in stand te houden? Volgens het VN-voorstel van een groene economie, dat een antwoord geeft op deze vraag, zou het moeten gaan het om het model van een groeieconomie waarmee overheden armoede kunnen verminderen en sociale vooruitgang kunnen boeken op een manier die de eindige hulpbronnen van de aarde respecteert. Ingewijden reageren verschillend op de conferentie.

In de aanloop naar Rio is in april in Den Haag door de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) een 352 pagina’s tellend rapport over de milieu-ontwikkeling tot 2050 gepresenteerd. Volgens de prognoses van de OESO zal de wereldbevolking nog met twee miljard groeien, tot negen miljard in 2050. De temperatuur stijgt wereldwijd met 3 tot 6 graden. De behoefte aan water neemt explosief toe. De industrie zal vier keer zoveel water nodig hebben. Voor de opwekking van elektriciteit is een toename van de vraag met 140% te verwachten. Huishoudens zullen vergeleken met nu 130% meer nodig hebben.
Volgens Jan Rotmans, hoogleraar duurzaamheid en transities aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en mede-oprichter van de duurzame actie-organisatie Urgenda, is de boodschap al 20 jaar dezelfde. Het heeft weliswaar geleid tot een toenemende zorg en een stijgend besef van de noodzaak tot ingrijpen, maar verder gebeurt er niet veel. Al in 1992 namen de toen deelnemende landen zich eendrachtig voor de uitputting van de aarde een halt toe te roepen. Veel is daar niet van terechtgekomen. Het huidige rapport maakt volgens Rotmans te weinig duidelijk dat de situatie nu echt anders is. De huidige financieel-economische crisis zal gevolgd worden door een klimaatcrisis, een energiecrisis en een grondstoffencrisis.
Volgens Rotmans onderstrepen dit soort conferenties dat de politiek als initiërende weg heilloos is. De OESO is een samenstel van landen, die niet willen dat de situatie te scherp wordt neergezet. De echte verandering komt volgens Rotmans van onderop. De verandermacht ligt bij consumenten en bedrijven. Die macht kan overheden dwingen om de toon te zetten voor meer duurzaam handelen.

omhoog

Economisch model

Volgens René Grotenhuis, algemeen directeur van ontwikkelingsorganisatie Cordaid, is ons economisch model, waarin groei centraal staat het probleem, terwijl velen nog steeds in de waan leven dat het de oplossing is. Regeringen, zeker die van de industrielanden, willen vooral het bestaande groeimodel weer aan de praat krijgen. Ze weigeren in te zien dat de huidige economie is ingericht op uitputting en verspilling van natuurlijke hulpbronnen. Economische groei, uitgedrukt in het bruto binnenlands product gedefinieerd als de marktwaarde van alle goederen en diensten die in een jaar geproduceerd worden in een land, staat in hun ogen voor welvaart. Afname van die economische groei is een bedreiging, omdat schulden uit het verleden dan niet weggewerkt kunnen worden. Maar voor economische groei moeten nieuwe schulden worden gemaakt die weer toekomstige groei vereisen, en zo gaat het maar door.
Pablo Solón: “De groene economie staat wel hoog in het vaandel, maar de bijbehorende ecologische en sociale waarden zijn niet verwerkt in het gehanteerde economische model.”Een soortgelijk argument hanteert de Boliviaan Pablo Solón. Volgens de voormalige ambassadeur bij de VN staat ‘the green economy’ wel hoog in het vaandel van de conferentie, maar zijn de bijbehorende ecologische en sociale waarden niet verwerkt in het gehanteerde economische model. Solón schreef als lid van de regering van Bolivia één van de meest vooruitstrevende wetten voor natuurbescherming en organiseerde in 2010 de eerste internationale klimaatconferentie voor burgers. Sinds zijn vertrek uit Bolivia werkt hij voor de denktank Focus on the Global South in Bangkok, die opkomt voor de belangen van de zuidelijke landen. Ecologische waarden, in de zin van functies van de natuur om CO2 op te slaan, worden volgens Solón in het VN-voorstel van de groene economie wel verhandelbaar gemaakt, maar ze krijgen geen intrinsieke waarde in het model. Ecologische waarden blijven vooral een instrumentele waarde spelen met het oog op groei.

omhoog

Energie

Wim Turkenburg, emeritus hoogleraar energie aan de Universiteit Utrecht, hanteert vanuit zijn vakgebied een pragmatische benadering. Hij is één van de hoofdauteurs van de mondiale studie Global Energy Assessment over de mogelijkheden van een duurzame energiehuishouding in de wereld van 2050. Volgens het 1700 pagina’s tellende rapport dat op de top van Rio is gepresenteerd, kunnen hernieuwbare energiebronnen (zon, wind en waterkracht) over veertig jaar voor 30 tot 75% in de wereldwijde energiebehoefte voorzien.
Turkenburg geeft onmiddellijk toe, dat 75% wellicht een optimistische inschatting is, maar het is ook geen 100%. Wereldwijd is 75% het maximum, dan moet alles meezitten en iedereen de bereidheid hebben om mee te werken. Dit percentage wereldwijd betekent dat delen van Latijns-Amerika en Afrika boven de 90% moeten zitten en het rijke Westen 60 tot 65% moet zien te halen. Voor de resterende 25% van de energiebehoefte zijn we aangewezen op een forse wereldwijde uitbreiding van biomassa en blijft er ook nog steeds een rol weggelegd voor fossiele brandstoffen. De CO2-uitstoot daarvan moet dan wel ondergronds worden opgeslagen, anders wordt het klimaatdoel – de opwarming van de aarde binnen de twee graden houden – onbereikbaar.
Naast de bereidheid om voor hernieuwbare energiebronnen te kiezen, gaat het er volgens Turkenburg om dat we zuiniger leren omgaan met energie. De efficiëntie moet jaarlijks met 2% verbeterd worden. In dat geval blijft het wereldwijde energiegebruik op het huidige niveau. Verbetering van de efficiëntie van 2% per jaar was een aantal jaren het beleid in Nederland. We hebben het echter niet vastgehouden. Dan moet je wijk voor wijk op de schop nemen om energiearme huizen te bouwen, en krachtig stimuleren dat auto’s zuiniger worden.
Er zijn allerlei belemmeringen. De investeringskosten voor een windmolenpark of een zonnecentrale zijn hoog, ook al is de brandstof gratis. Wat de introductie van hernieuwbare energieën betreft, moeten we nog veel leren. Dat betekent dat het nog duur is. Bovendien gaat er nog veel subsidie, bijvoorbeeld in de tuinbouw, naar het gebruik van fossiele brandstoffen. Daarnaast zijn er grote bedrijven, zoals oliemaatschappijen, die er belang bij hebben dat het bestaande energiesysteem behouden blijft. Maar verandering is niet onmogelijk. Voorwaarde is volgens Turkenburg wel dat de overheid de benodigde keuzebereidheid voor hernieuwbare energiebronnen en energiezuinigheid steunt door middel van een krachtig stimuleringsbeleid.

omhoog

Magere opbrengst

De opbrengst van de duurzaamheidstop wordt door velen magertjes genoemd. Tijdens Rio+20 zijn de vorderingen op het gebied van armoedebestrijding, energievoorziening en milieubescherming weliswaar bekeken, maar de top is niet uitgemond in een nieuw verdrag. Zo’n 130 regeringsleiders hebben een slotdocument getekend met weinig concrete afspraken. Er is weliswaar besloten dat er een agenda voor Duurzame Ontwikkelingsdoelen vanaf 2014 opgezet moet worden, voor wanneer de termijn van de huidige Millenniumdoelen afloopt, maar er zijn verder geen afspraken over gemaakt. Er zijn geen nieuwe mechanismen voor de financiering van een beleid van duurzame ontwikkeling gepresenteerd. Er is geen akkoord gesloten over het opzetten van een nieuw groot milieu-agentschap van de VN. Er zijn geen nieuwe initiatieven voor een betere bescherming van de oceanen tegen overbevissing genomen. De hulp van rijke landen aan ontwikkelingslanden is niet vertaald in concrete bedragen. Er is geen beslissing genomen over het afschaffen van de subsidies op fossiele brandstoffen, die in veel landen worden gehanteerd.
Volgens de alternatieve ‘Volkerentop’ in stadspark Aterro do Framengo, waar honderden maatschappelijke organisaties elkaar ontmoetten in tenten, kraampjes en in de open lucht, is de reden voor de magere opbrengst wel duidelijk. De ware beslissingen op het gebied van ontwikkeling en milieu zijn volgens hen genomen in Mexico. Hier waren in juni de rijkste 20 landen - de G20 - bijeen, om zich te beraden op een oplossing voor de wereldwijde financieel-economische crisis. De overlap tussen de ‘groene economie’ van Rio+20 en het beraad van de G20 is volgens de maatschappelijke organisaties van de Volkerentop, dat de economische groei weer aan de praat gebracht moet worden.

omhoog

Lichtpunt

Volgens van Bram van Ojik, in 1992 namens Novib betrokken bij de onderhandelingen tijdens de top en sinds kort voorzitter van de Tweede Kamerfractrie van GroenLinks, valt er toch ook wel een opvallend positief feit te melden over de milieutop. Ook in 1992 ging het volgens hem vooral om intenties en minder om duidelijke afspraken. Bovendien zijn heel veel afspraken van de top in 1992 na 20 jaar nog steeds door Nederland niet of nauwelijks opgepakt. Wat hij als een groot positief verschil tussen Rio toen en Rio+20 nu duidt, is de huidige betrokkenheid van het bedrijfsleven. De leiders van 100 internationale bedrijven waren nu bij de top aanwezig. Veel bedrijven hebben zich de afgelopen jaren ook aangesloten bij het VN-netwerk Global Compact (waarover meer in het artikel over maatschappelijk verantwoord ondernemen elders in dit nummer). In 1992 lieten grote bedrijven daarentegen nauwelijks iets van zich horen. Tegenwoordig gaan ze overheden voor, wat het streven naar duurzaamheid betreft.
Bedrijven richten zich vaak op duurzaamheid onder druk van de aandacht van maatschappelijke organisaties en consumenten. Het belang van het streven naar duurzaamheid, ook in verband met het aandacht hebben voor een breder begrip van welvaart, is in de loop van de tijd een belangrijk thema voor burgers geworden. In hun rol en verantwoordelijkheid als consumenten, maar ook als werknemers, hebben ze die aandacht ook overgebracht op bedrijven. Natuurlijk is het van fundamenteel belang dat de overheid richtinggevend haar verantwoordelijkheid neemt. Deze ontwikkeling echter, waarbij burgers en bedrijven een belangrijke rol vervullen, moet naast het magere resultaat van Rio+20 toch zeker ook als een lichtpunt genoemd worden.

Trinus Hoekstra is mededirecteur van Landelijk bureau DISK en projectmanager binnenlands diaconaat bij de Protestantse Kerk in Nederland.

omhoog

Terug naar openingspagina Werken aan een geloofwaardige economie

home