home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

WIE ACTIVEERT WIE?
Theorie en praktijk van het beleid rond sociale activering

Wie activeert wie?OndersteBOVEN, 15(2001)3
door Trudi Nederland

Doelstelling
Het overheidsbeleid
Het standpunt van de Alliantie
De lokale praktijk
Obstakels in de praktijk
Onderlinge afstemming

Het kabinet heeft het voorkomen van sociale uitsluiting en isolement van groepen burgers hoog in het vaandel staan, en sociale activering vindt de overheid een belangrijk middel om dit te bereiken. De uitgangspunten en doelstellingen van dit beleid beloven veel, maar in de praktijk zijn er een paar belangrijke obstakels.

Doelstelling

Rond de doelstelling van sociale activering bestaat verwarring. Is het bedoeld om uitkeringsgerechtigden naar betaalde arbeid toe te leiden, of is het gericht op het bevorderen van participatie in brede zin? In de huidige definitie die overheidsinstanties gebruiken, zitten beide elementen verwerkt, hetgeen de duidelijkheid niet ten goede komt. Volgens de definitie in de brochure Sociale Activering. Inhoud en ontwikkelingen van het Informatie- en Servicepunt Sociale Activering (Den Haag, juni 2000) is het doel van sociale activering: ‘Het verhogen van de maatschappelijke participatie en het doorbreken of voorkomen van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten die eventueel een eerste stap op weg naar betaald werk kunnen betekenen.’

De dubbele doelstelling die in deze definitie naar voren komt, heeft veel te maken met het overheidsbeleid dat al jaren voornamelijk gericht is op de uitstroom van uitkeringsgerechtigden richting de arbeidsmarkt.

omhoog

Het overheidsbeleid

Het kabinetsbeleid rond sociale activering richt zich vooral op het activeren van mensen richting deelname aan betaald werk. Dit blijkt weer eens in het recent verschenen Nationaal Actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting dat voortkomt uit afspraken die tijdens de Europese top in Lissabon zijn gemaakt. De doelgroep van de sociale activering bestaat in dit plan uit langdurig werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze mensen dienen volgens het kabinet gestimuleerd te worden om mee te doen aan vrijwilligerswerk of andere maatschappelijk zinvolle activiteiten. Als effecten noemt de nota het ontstaan van een werkritme en sociale vaardigheden, nieuwe toekomstperspectieven en een positieve bijdrage aan de leefbaarheid van buurt en wijk.

De overheid heeft de volgende maatregelen genomen om het sociale activeringsbeleid kracht bij te zetten. Iedereen kan voor alle vragen over sociale activering terecht bij het Informatie- en Servicepunt Sociale Activering (ISSA)*, waarvan het bestaan is verlengd tot eind 2002. Verder is in 2000 de ‘Stimuleringsregeling sociale activering’ van kracht geworden, in het kader waarvan overheden vanaf 2001 bijstandsgerechtigden die deelnemen aan sociale activeringsprojecten tijdelijk kunnen ontheffen van hun actieve sollicitatieplicht. In 448 gemeenten zijn inmiddels aanvragen gehonoreerd voor in totaal 39 miljoen gulden. Voor alleenstaande ouders zijn de voorwaarden voor deelname verbeterd door extra voorzieningen op het gebied van scholing, kinderopvang en buitenschoolse opvang.

omhoog

Het standpunt van de Alliantie

In het overheidsbeleid is de deelname aan betaalde arbeid de sleutel tot zelfstandigheid, sociale integratie, maatschappelijke participatie en volwaardig burgerschap. De Alliantie voor sociale rechtvaardigheid vindt dit een beperkte blik op burgerschap. Democratisch burgerschap vereist een breder arbeidsbegrip; arbeid zou naast betaalde arbeid ook onbetaalde arbeid, zorg en andere vormen van maatschappelijke inzet moeten omvatten.

De Alliantie vindt bovendien dat de overheid moet erkennen dat betaald werk voor een aantal mensen geen reëel perspectief is vanwege hun leeftijd, handicap of hun sociale situatie. De mensen van wie niet verwacht kan worden dat ze (betaald) gaan werken, dienen op dit punt ‘met rust gelaten’ te worden. Dit betekent dat sociale activering niet als een instrument gezien moet worden om mensen naar de arbeidsmarkt te leiden, maar eerst en vooral ontwikkeld moet worden als een instrument dat mensen mogelijkheden in handen geeft om mee te doen in de samenleving.

De overheid zou een activerend participatiebeleid moeten ontwikkelen dat erop gericht is uitkeringsgerechtigden in staat te stellen invulling te geven aan hun betrokkenheid bij de samenleving. Bij het overleg met het kabinet in mei van dit jaar heeft de Alliantie het voorstel gedaan om op korte termijn de mogelijkheden en onmogelijkheden van de huidige participatie-instrumenten in kaart te brengen, in het licht van de door haar voorgestelde brede definitie van participatie. De uitkomst van het overleg is dat de Alliantie nauw betrokken wordt bij het beleid rond sociale activering. In de toekomst zal blijken of deze inbreng gunstige effecten kan hebben voor de lokale praktijk van sociale activering.

omhoog

De lokale praktijk

De praktijk van sociale activering is erg veelsoortig. In de eerste plaats zijn er naast de landelijke, de provinciale en de gemeentelijke overheden veel organisaties betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering ervan, zoals de welzijnsorganisaties, het sociaal cultureel en maatschappelijk werk, de centra voor Werk en Inkomen (CWI’s), de uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen (uvi’s), vrijwilligersorganisaties en zorginstellingen. Deze betrokken instellingen hebben dikwijls verschillende aandachtspunten, zoals het scheppen van voorwaarden, het bereiken van de doelgroep of het ontwikkelen van een aanbod aan activiteiten.

Naast de verschillende aandachtspunten zijn ook de activiteiten die de instanties organiseren veelsoortig. In de eerste plaats zijn er allerlei soorten vrijwilligerswerk: activiteiten bij kinderboerderijen, peuterspeelzalen, scholen, ziekenhuizen, het verrichten van klusjes voor ouderen, het assisteren in club- of buurthuizen en activiteiten voor sportverenigingen. Daarnaast zijn er andere maatschappelijk nuttige activiteiten zoals activiteiten in het landschapsonderhoud, in het buurt- en wijkbeheer, of het werken bij een kringloopbedrijf.

omhoog

Obstakels in de praktijk

Het ISSA organiseerde in mei en juni workshops in het land waar vertegenwoordigers van de bovenstaande organisaties met elkaar de obstakels in de praktijk uitwisselden. Hierbij bleek dat er nogal wat uitkeringsgerechtigden zijn die in de organisatiestructuur en regelgeving van de uitvoerende organisaties vastlopen. Het gaat om uitkeringsgerechtigden die zelf initiatieven tonen. Ze komen de bureaucratie tegen of ze vallen tussen de wal en het schip. Vooral als deze mensen, die ‘zelfmelders’ worden genoemd, niet passen in het al bestaande aanbod voor langdurig werklozen. Een vrouw die dit heeft meegemaakt, vertelt hierover in één van de workshops: ‘In 1998 was ik een zelfmelder, want ik had zelf een plan om weer aan de slag te gaan, maar ik was soms wekenlang bezig met het uitpuzzelen van brieven. Nu neem ik geen initiatieven meer.’

Een ander obstakel is het vaak moeizame overleg tussen organisaties onderling. Tussen de betrokken organisaties is dikwijls een wereld van verschil. Een voorbeeld hiervan is het contact tussen de sociale diensten en de uvi’s. De sociale diensten van gemeenten maken plannen en ze zijn verantwoordelijk voor de inhoud van sociale activering. Ze hebben vooral contact met mensen die langdurig zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. Een ambtenaar vertelt: ‘Dagelijks word je geconfronteerd met mensen die iets willen.’ De uvi’s daarentegen, zijn gericht op ‘scoren’. Ze richten zich op mensen die weer betaalde arbeid kunnen gaan verrichten, en vinden daarom al snel dat er geen sprake is van activiteiten die gericht zijn op het herstel of behoud van arbeidsgeschiktheid en maken geen geld vrij voor sociale activering.

omhoog

Onderlinge afstemming

Veel energie gaat vervolgens verloren aan het overleg tussen organisaties over de interpretatie van de regelgeving. Uit het conferentieverslag Samenwerking: sociale activering, van beleid naar praktijk… en terug, (ISSA, Den Haag, mei 2001) blijkt dat dit geen nieuw verschijnsel is. Op de conferentie, die in januari 2001 plaatsvond, werden de volgende knelpunten gesignaleerd: het ontbreekt de gemeenten aan visie op sociale activering; organisaties accepteren de regierol van gemeenten niet; en er is een gebrek aan onderlinge afstemming.

Wie activeert nu eigenlijk wie? Ambtenaren van de landelijke overheid activeren ambtenaren bij provincies en gemeenten om projecten voor sociale activering op te zetten. Ambtenaren van de afdelingen welzijn en van de sociale diensten van gemeenten activeren vrijwilligersorganisaties en non-profitorganisaties om activiteiten te organiseren. Ze activeren ook de plaatselijke politici en de uvi’s om geld vrij te maken voor sociale activering.

Wellicht wordt bij al deze activering vergeten dat het uiteindelijk gaat om hoe uitkeringsgerechtigden zelf op een door op hen zelf gekozen wijze mee willen doen. Zij moeten niet het sluitstuk, maar het vertrekpunt van sociale activering zijn.

* Het telefoonnummer van het ISSA is 070-3335482, het e-mailadres: ISSA@minszw.nl

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home