home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

DE NOODZAAK VAN KERKELIJKE FINANCIELE HULPVERLENING
Efficiënt helpen met de pinpas op zak

OndersteBOVEN, 16(2002)3
door
Trudi Nederland

De omvang van de hulp
Stille problemen
Geld van gemeente en parochie
Maatwerk
Hulp onder protest
De stilte doorbreken

In juni verscheen het rapport De kerk als vangnet? De belangrijkste conclusie van dit onderzoek naar de individuele financiële hulp door kerken luidt: kerken moeten doorgaan met het doorbreken van onwetendheid over stille armoede en het falen van de reguliere hulpverlening.

Sinds de invoering van de Algemene Bijstandswet in 1965 is er in Nederland een vangnet dat financiële steun geeft aan de mensen die (tijdelijk) niet in staat zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarom leek er een tijdlang op dat het traditionele sociale vangnet, de kerkelijke steun, niet langer nodig was. Helaas blijken er veel gaten te zitten in het vangnet van de moderne verzorgingsstaat. Het onderzoek laat zien dat kerkelijke hulp nog steeds noodzakelijk is om de tekortschietende voorzieningen van de overheid op te vangen.

omhoog

De omvang van de hulp

Het ging de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA, die het onderzoek uitvoerde, er vooral om zicht te krijgen op de omvang en de aard van deze hulpverlening. Het onderzoek bestond uit twee delen: een schriftelijke ronde met een vragenlijst en mondelinge gesprekken met veertien mensen die deze hulp geven. In totaal zijn er 545 enquêtes verspreid. De repons was hoog: 209 vragenlijsten kwamen ingevuld terug. De twee voornaamste uitkomsten van dit deel van het onderzoek hebben betrekking op financiën en werkverdeling.

De totaalbedragen aan giften en leningen blijken in de loop van de afgelopen drie jaar vrij stabiel te zijn. Gemiddeld geeft een kerkelijke gemeente of parochie 2813 euro aan giften en 726 aan renteloze leningen. In de vier grootste steden van ons land ligt het bedrag aan giften veel hoger. Daar is het gemiddelde 10.000 euro.

Naast de concrete financiële hulp verzetten diakenen en vertegenwoordigers van caritasinstellingen veel werk op het terrein van advisering, bemiddeling en nazorg. Daarbij maken deze vrijwillige hulpverleners veel uren.

omhoog

Stille problemen

In de gesprekken met hulpverleners – het andere deel van het onderzoek – komt naar voren dat hulpverleners met uiteenlopende hulpvragen te maken krijgen. Deze vragen komen meestal binnen via het netwerk van kerkelijke werkers. Dat zijn bijvoorbeeld de mensen die huisbezoeken afleggen, zoals diakenen, ouderlingen, leden van een bezoekersgroep, de dominee of de pastor, maar ook vrijwilligers die werken in kerkelijke projecten als inloophuizen en eetcafés. Mensen in financiële nood blijken het moeilijk te vinden om zelf hulp in te roepen.

De hulpvragen zijn over het algemeen in de volgende categoriën in te delen: ‘broodnood’ (er is gebrek aan de noodzakelijke levensbehoeften in het hier en nu); schuldenlasten (allerlei soorten schulden komen voor, bijvoorbeeld achterstanden in het betalen van de vaste woonlasten of in het betalen van goederen van postorderbedrijven); tegenslagen (mensen komen in de problemen door oplopende ziektekosten of door de studiekosten van hun kinderen); verslavingen (een alcohol-, drugs- of gokverslaving); ‘gesloten deur’-problemen (iemand kan onvoldoende aanspraak maken op een voorziening van de overheid).

omhoog

Geld van gemeente en parochie

In de praktijk blijkt de hulpverlening in een aantal stappen te verlopen. Allereerst gaan de hulpverleners onderling overleggen of zij op de vraag kunnen ingegaan. Daarna komt er een gesprek met de hulpvrager om de achtergronden van de vraag in kaart te brengen. Vervolgens wordt er informatie ingewonnen bij, en zo mogelijk onderhandeld met de geldeisende partij, bijvoorbeeld een woningbouwvereniging. Hierna vindt de concrete hulp plaats in de vorm van een gift of een geldlening, die meestal direct aan de geldeisende instantie of winkelier wordt betaald.

De hulpverleners leggen vervolgens verantwoording af aan de eigen gemeente of parochie. Het gaat immers om geld dat de leden van de kerk via collectes en giften ter beschikking stellen. De laatste stap is vaak de registratie en de signalering. Meestal houden de hulpverleners een overzicht bij van de gehonoreerde hulpvragen. Daarnaast geven ze de knelpunten in de voorzieningen door aan onder andere de sociale dienst, politici, woningbouwverenigingen en energiebedrijven.

Het samenwerken met diverse organisaties is om een aantal redenen belangrijk voor de kerkelijke instellingen. Het gaat hen in de samenwerking onder andere om het organiseren van een betere kerkelijke hulpverlening, het beter kunnen begeleiden van mensen, het bemiddelen tussen, en onderhandelen met schuldeisers en het beïnvloeden van het beleid van overheden.

Vooral in de grote steden zijn er veel contacten met professionele hulpverleners, zoals maatschappelijk werkers, sociaal raadslieden en ouderenwerkers. Op de plekken waar binnen een diaconie of caritasinstelling echt moeite wordt gedaan om contacten te leggen en te onderhouden, levert dit voor de mensen in nood veel op, met name een goede verwijzing en een snellere hulpverlening.

omhoog

Maatwerk

De kerkelijke hulpverlening vertoont een paar belangrijke positieve kenmerken in vergelijking met de reguliere hulpverlening: ze is kleinschalig, snel, flexibel, niet-bureaucratisch en ze staat naast de mensen. Snelheid is in noodsituaties van cruciaal belang.

Een van de geïnterviewden zegt hierover: ‘Tijd is iets dat de gemeente niet heeft. Ik loop met mijn pinpas op zak, dus ik kan bij wijze van spreken telefonisch met iemand afspreken en onderweg even geld pinnen. Dat zie ik een gemeenteambtenaar nog niet doen.’ Een ander kenmerk van maatwerk is dat iedere hulpvraag opnieuw wordt afgewogen. Hierdoor is de hulp niet-bureaucratisch, want er zijn geen vaste regels waar de hulpvragen in moeten passen.

Opvallend is verder dat er in de afgelopen tien jaar een andere hulpbenadering is ontstaan: een bevoogdende houding heeft plaatsgemaakt voor het samen met mensen werken aan een oplossing die bij hen past. Een van de geïnterviewden brengt dit als volgt onder woorden: ‘Vroeger hebben we vaak voor mensen gedacht. Toen ik in de jaren zeventig bij de diaconie kwam, ging ik bijvoorbeeld bij een gezin iedere week een tientje brengen. Nu gaan we naar een gezin toe en vragen: ‘Hoe kunnen we samen de problemen aanpakken?’ Je leent ze dan bijvoorbeeld in één klap 450 euro. Het gaat erom dat mensen er zelf aan willen werken.’

omhoog

Hulp onder protest

Niet iedereen denkt op dezelfde manier over de rol van de kerkelijke hulp. In de gesprekken kwamen verschillende visies naar voren. Zo koesteren sommigen een niet-bevoogdende visie op hulpverlening. Het gaat er voor hen niet om mensen iets uit handen te nemen, maar om samen aan een oplossing te werken. ‘Als je een pasklare oplossing neerlegt, dan is dat een oplossing die bij de hulpverlener past, en die hoeft niet te passen bij de mensen waar het om gaat.’ zegt een van deze hulpverleners.

Een andere visie benadrukt de witte vlekken in het vangnet van de verzorgingsstaat: ‘We hebben hier diverse aanvragen gehad van uitgeprocedeerden. Het gaat dan echt om helpen waar geen hulp aanwezig is. Je hoort via tussenpersonen dat mensen zijn ondergedoken en eten moeten hebben. Ze krijgen geen uitkering meer, ze hebben niets.’

In bijna alle gevallen is er sprake van hulp ‘in laatste instantie’: ‘We helpen eigenlijk alleen maar als mensen nergens anders meer geld kunnen krijgen. Ze moeten eerst proberen of ze het van de overheid kunnen krijgen. Dat gaat altijd voor. Maar als niemand ze meer helpt, ja dan moet dat geld toch ergens vandaan komen.”

Een belangrijke visie is te karakteriseren als hulp onder protest. Als mensen financieel in de knel zitten en ze doen een beroep op kerken voor hulp, dan mag je hen niet in de kou laten staan. Dan moet je helpen. Tegelijkertijd moet je aan de politiek en de samenleving duidelijk maken dat je hebt geholpen, terwijl dat eigenlijk niet nodig had moeten zijn: ‘We hebben als kerken de opdracht om te signaleren waar het niet goed gaat. We zijn nu bijvoorbeeld aan het werk voor ouderen die alleen AOW of een klein pensioentje hebben. Die mensen schamen zich en vragen geen bijzondere bijstand aan. We proberen te zorgen voor meer voorlichting door de gemeente. En we proberen ervoor te zorgen dat de gemeente een bestandskoppeling maakt, dus dat de belastingdienst doorgeeft wie de minima zijn. De gemeente wil dat niet, omdat ze vinden dat de privacy daarmee wordt geschaad.’

omhoog

De stilte doorbreken

Het onderzoek heeft aan het licht gebracht hoe noodzakelijk het ‘helpen onder protest’ is. Het doorbreken van de geheimen over het leven in stille armoede kan een belangrijk nevendoel van de kerkelijke hulp zijn. Het zichtbaar maken van de financiële problemen van mensen maakt duidelijk hoe en waar het vangnet van de overheid tekortschiet.

Wat duidelijk in het rapport naar voren komt, is de noodzaak om de gaten in het vangnet van de overheid te dichten. Deze conclusie wordt ondersteund door een recent onderzoek van het Nibud dat is verricht in opdracht van de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid. Uit dit onderzoek, getiteld Een onderzoek naar de bestedingsmogelijkheden van huishoudens met een minimuminkomen, blijkt dat het sociaal minimum te laag is wanneer men uitgaat van uitgaven die nodig zijn voor een leefbaar bestaan. Op de agenda van de anti-armoedebeweging staat een verhoging van het sociaal minimum al jaren bovenaan. Wat eraan schort, is de politieke wil in Den Haag om het vangnet te verbeteren.

Het onderzoeksrapport De kerk als vangnet? Een verslag van een onderzoek naar individuele financiële hulp door kerken is geschreven door Trudi Nederland, Peter de Bie en Herman Noordergraaf. Het is te bestellen voor € 10,35 bij de werkgroep AKN/EVA, tel 030 8801887 of e-mail akneva@sowkerken.nl.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home