home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

ARBEIDSPASTORAAT BLIJFT NOODZAKELIJK
Werk maken van geloven, geloven in werken

OndersteBOVEN, 16(2002)4
door
Albert Koot en Ine Molenkamp

In juni verhuisde Disk Amsterdam van de Noordermarkt naar de hervormde diakonie op de Prins Hendriklaan. Dit was de aanleiding voor een interview met Hub Crijns, directeur van het landelijk bureau Disk, over verleden en toekomst van het arbeidspastoraat (*).

Inleiding
Waar werd toen arbeidspastoraat bedreven?

Waren de jaren negentig goede jaren voor het arbeidspastoraat?
Hoe is daar verandering in gekomen?
Hoe is de stand van zaken anno 2002?
Hoe kijk je aan tegen de situatie in het bisdom Haarlem?

Waarom moet arbeidspastoraat blijven?

Hoe ziet de kerk eruit in de moderne tijd?
Moet het arbeidspastoraat zich op meer bemiddelde groepen richten?
Blijft arbeidspastoraat noodzakelijk?

Inleiding

Hub Crijns (54 jaar) is 25 jaar in dienst van de katholieke kerk als pastoraal werker. Hij begon als industriepastor in het bisdom Breda. In 1981 werd hij stafmedewerker Kerk en Industriële Samenleving op het Diocesaan Pastoraal Dienstencentrum en ambtelijk secretaris voor het arbeidspastoraat in het aartsbisdom Utrecht. In 1988 werd hem gevraagd directeur te worden van het landelijk bureau Disk. Vanaf dat moment werkt hij in Amsterdam.

omhoog

Waar werd toen arbeidspastoraat bedreven?

“Op dat moment was er in alle zeven bisdommen arbeidspastoraat, ook het bisdom Groningen was toen nog bezet. In Roermond heette het ‘de aalmoezeniers van sociale werken’. Dat bestaat binnenkort op 18 oktober honderd jaar. Sinds drie jaar heet het ‘dienst kerk en samenleving’ maar de priesters die er werken heten nog steeds aalmoezeniers van sociale werken.

In 1988 was de verhouding katholiek en protestants arbeidspastoraat vijf op een. We hadden op zo’n veertig plaatsen arbeidspastoraat wat door vijftig mensen werd gedaan. We hadden zo’n veertig volledige arbeidsplaatsen. Op dit moment wordt er nog steeds op zo’n veertig plaatsen arbeidspastoraat bedreven maar vijftig mensen halen we niet meer. Ik denk dat we er nog zo’n veertig hebben. Het aantal formatieplaatsen is teruggebracht. Nu zijn het er nog ongeveer dertig. Het werken in teams is daardoor veranderd. Er zijn nu meer mensen die alléén werken in de regio’s. De functies zijn kleiner geworden, er wordt meer parttime gewerkt. Het gaat nog steeds in meerderheid om katholieke formatieplaatsen of oecumenische plaatsen waar veel katholiek geld bij zit.”

omhoog

Waren de jaren negentig, die volgden op je benoeming, goede jaren voor het arbeidspastoraat?

“Inhoudelijk zie ik een duidelijk verschil tussen de jaren negentig en de jaren daarna. De jaren negentig vind ik bloei-jaren van het arbeidspastoraat. Het verhalende pastoraat met aandacht voor de pastorale kern van het werk kwam sterk naar voren. Dat hing samen met de positie van de mensen die door het arbeidspastoraat bereikt werden. Mensen in de marges van de samenleving, het bedrijfsleven of de buurt. Met die mensen is het contact gezocht. Er is een praktijk ontwikkeld van mensen ontmoeten, met mensen optrekken en daar de verhalen over vertellen. Deze narratieve vorm van presentatie is in de jaren negentig sterk gegroeid.”

“Er zijn veertig plekken van arbeidspastoraat dus veertig verhalen over arbeidspastoraat te vertellen. Ze zijn nooit hetzelfde. Er zijn zoveel verschillen dat het nauwelijks tot een uniforme mal te krijgen is. Als je dat nastreeft dan zit je er gloeiend naast. Maar er is wel een gemeenschappelijke taal van spreken ontstaan over wat ‘het arbeidspastoraat’ is. Daarnaast is de overtuiging gekomen dat het arbeidspastoraat is. Het gaat over arbeid in alle sectoren van de samenleving zowel betaald als onbetaald. In de jaren negentig ontstond er aandacht voor onbetaalde arbeid, de arme kant, de zorgarbeid, de landbouw, de ambtenarij. Voor die tijd was het arbeidspastoraat hoofdzakelijk gericht op de zware industrie en dus wat eenzijdig. Wat dat betreft zijn de jaren negentig zeer rijke jaren geweest.

Dat komt onder andere tot uitdrukking in de Disk Studiereeks, een uitgave van het landelijk bureau. De reeks is in de jaren negentig begonnen. Op het eind van de jaren negentig waren er over de dertig publicaties. We hebben nu nummer vijfendertig in voorbereiding.”

omhoog

Hoe is daar verandering in gekomen?

“Die eigen kracht van het arbeidspastoraat kwam aan het eind van de jaren negentig in het geding door de reorganisaties van de grote kerken. In de protestantse kerk werd die lijn al in de loop van de jaren negentig ingezet. Je ziet dat het arbeidspastoraat langzaam maar zeker krimpt. De gereformeerde en de hervormde kerk kozen steeds meer voor dienstverlening en toerusting. De verbinding tussen geloof en arbeid moet via de gemeenteleden gestalte krijgen. Vanuit de kerken wordt dit ondersteund via toerusting (tweede lijn). Het arbeidspastoraat moest een plaats krijgen in die dienstverlening. En dat is een wezenlijk verschil met de periode daarvoor namelijk aanwezig (present) zijn bij mensen in de context van hun (on)betaald werk.

Voor de katholiek kant is het jaar 1998 het omslagpunt. Het begint met de reorganisatie in het aartsbisdom Utrecht waarna de rest van de bisdommen volgde. Ik vind het tot nu toe niet erg succesvol. De reorganisatie heeft duidelijke gevolgen voor de plek van het arbeidspastoraat en de motivatie van de werkers. Het leidt tot inhoudelijke veranderingen. Ook de katholieke kerk kiest voor arbeidspastoraat in de context van dienstverlening op dekenaal niveau. En dan zie je de problemen ontstaan: van arbeidspastoraat als vorm van pastoraat waarin presentie een belangrijk woord is naar dienstverlening waarin training en toerusting, het tweede lijns werken, belangrijker wordt. Dat wringt.”

omhoog

Hoe is de stand van zaken anno 2002?

“De meeste bisdommen zitten met de ombouw van het katholieke arbeidspastoraat van een diocesane vorm (één bestuur, de arbeidspastores werken op meerdere plekken maar wel vanuit één bisdommelijk team), naar een gespreide vorm, ondergebracht bij de dekenaten. Geatomiseerde aansturing en meer alléén werken is het gevolg. Onderling contact wordt moeilijker. De reorganisatie heeft tot gevolg dat mensen weggaan. Als er nu een vacature komt duurt het een hele tijd voordat die is opgevuld. Daar spelen een aantal problemen. Op de eerste plaats krijgt men de financiering rond binnen de diocesane en dekenale constellatie? Als dit is gelukt en dat kan lang duren, dan moet een bestuur van een dekenaat een duidelijk werkplan maken. Daar gaat ook de nodige tijd overheen en vervolgens moeten er mensen gezocht worden. Als er eenmaal geworven kan worden, loop je aan tegen het feit dat de katholieke kerk er eigen personeelscriteria op na houdt. Daardoor worden geschikte mensen niet altijd benoemd. Kortom vanaf het moment dat er een vacature ontstaat tot het moment dat de nieuwe arbeidspastor begint, ben je een tijd verder. Wat je aan ervaring had opgebouwd ben je dan kwijt. Het bisdom Rotterdam is daar een duidelijk voorbeeld van. De diocesane organisatie is afgebouwd. Dekenaal is er een nieuwe organisatie opgebouwd. Maar van de zes arbeidspastores die daar werkten (inclusief vacatures) is er maar één overgegaan naar het dekenaat. Dat betekent dat er veel ervaring verloren is gegaan.”

omhoog

Hoe kijk je aan tegen de situatie in het bisdom Haarlem?

“Daar zie je een vergelijkbare tendens. Het bisdom heeft gekozen voor een reorganisatie waarin de dekenale structuur versterkt wordt. Het nadeel is dat het arbeidspastoraat op een minder gelukkige manier is meegenomen in die reorganisatie. Het bisdom Haarlem is zeer onduidelijk over de inhoudelijke en financiële basis voor het arbeidspastoraat. Er is niet expliciet nee gezegd maar ook zeker niet ja. Het is altijd voorwaardelijk: ‘als de dekenaten er voor kiezen dan praten we verder’. Met andere woorden, het heeft niet mijn voorkeur om het arbeidspastoraat dekenaal te organiseren maar als het bisdom daartoe besluit, oké. Maar wat zijn dan de voorwaarden waarop je dat kunt verwezenlijken en die condities vind ik vaag. En in vage situaties gebeurt er niks. Feitelijk merk je nu dat je bezig bent met het afbouwen van het katholieke arbeidspastoraat in het bisdom Haarlem. Op dit moment zijn er heel weinig aanwijzingen dat er nieuw, dekenaal georganiseerd arbeidspastoraat zal ontstaan.

In het bisdom Haarlem zijn acht dekenaten. Alleen het bestuur van het dekenaat Haarlem/Beverwijk heeft uitdrukkelijk op papier gezet dat ze voor voortzetting van arbeidspastoraat in het dekenaat is. Dat is een van de acht. Je moet het vooral hebben van de kernen die er nu zijn, van de oecumenische clubs die een traditie hebben, waar geld is en waar mensen zijn die zich er hard voor maken om het voort te zetten, daar zijn goede kansen om te overleven.”

 “In het bisdom Haarlem is de winst dat er altijd oecumenisch gewerkt is. Op de drie plekken waar het katholieke arbeidspastoraat een traditie heeft opgebouwd, Hoogovens Beverwijk, Disk Zaanstreek en hier in Amsterdam, heb je nog altijd protestants werk. En hoewel dat bescheiden is in middelen, zijn er wel mensen die erg betrokken zijn. Dat biedt een goede basis voor de toekomst. In de voortgangsplannen spelen vrijwilligers (m/v) een belangrijke rol. Daar kan vanuit katholieke kant bij aangesloten worden, zeker. Dat kun je ook proberen te ondersteunen met beleidsplannen en projecten. Het is niet voor niks dat hier in Amsterdam, Amsterdam Tegen Verarming daarin meegenomen wordt. Dat heeft op de korte termijn zeker toekomst maar op de langere termijn is het afwachten.”

omhoog

Waarom moet arbeidspastoraat blijven?

“Dat heeft volgens mij te maken met de meer inhoudelijke kant van het bestaan van de kerk. Het concept ‘Kerk’ hinkt altijd op twee gedachten. De een is een vorm van gemeenschap gericht op de band met God om daar uitdrukking aan te geven. Het vormen van een gemeenschap onder mensen en daar uitdrukking aan geven hangt daarmee samen. In de kerken van onze tijd ligt de nadruk op het uitdrukking geven aan het geloven in God. Maar uitdrukking geven aan de mensengemeenschap wil er nog wel eens bij blijven hangen als vijfde wiel aan de wagen. Volgens het arbeidspastoraat was de werksamenleving die na de oorlog ontstond, een nieuwe vorm van gemeenschap. Soms is die territoriaal gebonden maar die is in de loop van de tijd steeds mobieler geworden. Daar houdt het arbeidspastoraat zich mee bezig. Wat gebeurt er als mensen acht tot tien uur per dag bezig zijn met betaald, en later ook onbetaald, werk. Welke invloed heeft dat op mensen, op de manier waarop ze hun geloof uitdrukken en op de manier waarop ze zeggen een gemeenschap te willen zijn.”

omhoog

Hoe ziet de kerk eruit in de moderne tijd?

“De kerk en de uitdrukking van het geloven stammen vooral uit de boeren- en feodale samenleving. Met de moderne arbeidssamenleving heeft het amper voeling. Ik vind het als eerste punt een wezenlijke taak van de kerk om zich met de moderne tijd bezig te houden. Sinds de oorlog hebben we een maatschappij opgebouwd waarin werk (betaald en onbetaald) centraal staat. De vraag is hoe geloofsuitingen daar mee samenhangen. Ik vind het van levensbelang voor de kerk om daarmee bezig te blijven, daar in te investeren en eigen ervaringen mee op te doen. Als je dat kwijtraakt dan raak je iets van jezelf kwijt. Gemeenschappen vormen via de opbouw van groepen was altijd een sterke kant van het arbeidspastoraat. Mensen opzoeken die behoorlijk getekend zijn door wat hen is aangedaan is kenmerkend voor het arbeidspastoraat. Je kunt van die mensen niet verwachten dat ze sterke middelen leveren voor gemeenschap of organisatie. Integendeel, je stelt dat wat je hebt beschikbaar aan mensen. Het is een dienstverlenende opdracht die van jou uitgaat. Je kunt niet tegen de mensen zeggen ‘en nu moeten jullie ons helpen organisatie te zijn’. Dat red je niet als je veel geld nodig hebt. Dat hebben die mensen niet. Ze hebben wel tijd. De vraag is nu of de lokale kerk er geld voor over heeft.

En het tweede punt is het proces van ontkerkelijking. De moderne werkmaatschappij heeft de samenleving meer profaan gemaakt. Als je met oudere mensen praat dan merk je dat die een veel groter besef hebben dat het heilige en het gewone bij elkaar horen. Terwijl als je met jongere mensen praat dan merk je dat ze wel besef hebben van het gewone. Maar wat het heilige betreft weten ze nauwelijks dat het er bij hoort. De verbinding is zoek. Als je als kerk serieus bent dan moet je van de missionaire taak, die kant van je geloven waarin die verbinding gezocht wordt, ook werk maken. Het arbeidspastoraat heeft dat altijd gedaan en er goede ervaringen mee opgebouwd. Die kunnen ten dienste staan van de gehele kerk. Dat wordt te weinig beseft. Als je het afbouwt dan ben je het kwijt. Dan verlies je een stuk van je kerkzijn. Dat zijn twee voeten waar de kerk op rust. Het zijn twee lemen voeten, maar haal je ze weg dan valt het om. En dat beeld zie ik een beetje ontstaan.”

omhoog

Moet het arbeidspastoraat zich op meer bemiddelde groepen richten?

“In de jaren negentig zijn er door het arbeidspastoraat verschillende sectoren bereikt maar met de groepen die het wat beter hadden was nauwelijks contact. Dat is soms om ideologische redenen gebeurd. Je kunt je afvragen of dat verstandig was. Want onder die middengroepen is grote sympathie voor diaconaal werk en die maken het vaak ook mogelijk. Je kunt ze inschakelen als bondgenoot. Vanaf 1995 hebben we als arbeidspastoraat ervaring opgedaan in discussies over rijkdom. In de analyse zijn we goed maar contact leggen met echt rijke mensen is tot nu toe minder goed gelukt.

We hebben veel contacten met het eenvijfde deel van de mensen die het moeilijk heeft in de maatschappij, mensen die werkloos zijn, die langdurig in de uitkering zitten, gescheiden mensen en mensen die arbeidsgehandicapt zijn. Maar dat is maar eenvijfde van onze samenleving en die andere viervijfde is er ook. De contacten met deze laatste, met groepen in de werksituaties, zijn we langzamerhand kwijtgeraakt. Als je een bondgenootschap proclameert tussen arbeidspastoraat als diaconale en missionaire vorm die een brug wil vormen tussen mensen die het minder hebben en mensen die het beter hebben, dan valt er nog het nodige te verbeteren. Dat betekent voor het arbeidspastoraat dat ze goede contacten moet ontwikkelen met gemeentes en parochies. Het netwerk kerkvrouwen-bijstandsvrouwen, wat later het EVA-netwerk is geworden, is een goed voorbeeld van een succesvol bondgenootschap.”

omhoog

Blijft arbeidspastoraat noodzakelijk?

“De tendens van de jaren negentig is dat politiek gekozen wordt voor Nederland als land van het betaalde werk en kennisland. Dat zie ik voorlopig niet veranderen. Dit betekent dat mensen die buiten de boot vallen omdat ze geen betaald werk hebben of te weinig kennis, in de klem komen. Ze krijgen een minimale voorziening: ze mogen niet doodgaan van de honger maar ze moeten niet te veel vertroeteld worden. Want dan doen ze niks meer en wij willen dat ze aan het betaalde werk gaan, dat is de tendens.

Als deze politiek doorzet dan worden de verschillen groter tussen die viervijfde en die eenvijfde. De kloof wordt groter. En zolang dat zo is, blijft arbeidspastoraat noodzakelijk. Als het merendeel van de geloofsgemeenschap bestaat uit mensen die het beter hebben, dan wordt het belang van die brugfunctie naar degenen die het minder hebben groter. Ik zeg niet dat arbeidspastoraat hét instrument is dat het moet gaan doen. Maar het blijkt wel een instrument te zijn dat daarvoor geschikte werkmodellen heeft ontwikkeld. Ik vind dat je je als kerk amputeert wanneer je dat instrument kwijtraakt. Dan ben je één van je lemen voeten kwijt.”

(*) In het decembernummer van Ondersteboven 2002 is een door de redactie bewerkte en ingekorte vorm van het interview opgenomen. Op de website is nu de originele versie geplaatst, die eerder is verschenen in ‘DISKkreet’, uitgave van DISK-Amsterdam, mei 2002, pag. 2-6.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home