home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

SOCIALE ZEKERHEID - VOOR IEDEREEN?
Solidariteit of zelfbepaalde zekerheden?

OndersteBOVEN / Raderwerk, 17(2003)1
door
Hub Crijns en Trinus Hoekstra

Inleiding
Verbetering of bezuiniging?
De toekomst van sociale zekerheid

'U zit erbij zoals u zelf wilt'
Het levensloopmodel

Behoefte aan een andere sociale zekerheid?

Overzicht sociale zekerheidsstelsel

Inleiding

In Nederland hebben alle burgers recht op sociale zekerheid. Niemand hoeft in geval van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, ziekte of ouderdom gebrek te lijden. Er is altijd een minimumniveau gegarandeerd waarop we in ons levensonderhoud kunnen voorzien. Of deze zekerheden in de toekomst nog voor iedereen zullen gelden, is niet duidelijk.

De dikke Van Dale geeft voor het begrip sociale zekerheid een tweeledige betekenis.
In de eerste plaats is sociale zekerheid de toestand waarbij de bezorgdheid over gebrek voor allen wordt uitgesloten. In de tweede plaats wordt onder sociale zekerheid het geheel van instellingen en regelingen verstaan dat dient om deze toestand te verzekeren. De sociale zekerheid is geregeld via een stelsel dat uit grofweg drie elementen bestaat: volksverzekeringen en sociale voorzieningen voor alle burgers en werknemersverzekeringen voor werknemers, en particuliere verzekeringen voor wie dat kan en wil betalen. Deze huidige situatie die in 1996 op voorstel van het FNV werd geïntroduceerd, noemen we ook wel het 'cappuccinomodel' omdat het een mix is van bovengenoemde drie elementen.

omhoog

Verbetering of bezuiniging?

Deskundigen zeggen dat de herziening van het Nederlandse stelsel in 1996 en sindsdien louter en alleen zijn ingegeven door de problemen rond effectiviteit, betaalbaarheid en beheersbaarheid. De principes van een behoorlijke sociale (basis)garantie en de verantwoordelijkheid van de overheid hiervoor zijn niet ter discussie gesteld maar het is volgens de deskundigen niet uitgesloten dat de gevestigde ideeën rond een brede sociale zekerheid en een rechtvaardige inkomensverdeling door de in gang gezette ontwikkelingen aangetast zullen worden. Hiermee kan de legitimiteit van collectieve voorzieningen op termijn ondermijnd worden. De onderlinge solidariteit staat op het spel.
Wie de versoberingen beziet die het gevolg zijn van de herzieningen van het stelsel van sociale zekerheid vanaf het begin van de jaren '80, kan opmerken dat de solidariteit in onze samenleving reeds in belangrijke mate is aangetast. De hoogte van de uitkeringen is achterop geraakt bij de algemene welvaartsontwikkeling. Volgens de Armoedemonitor 2001 is de welvaart van huishoudens tussen 1990 en 1999 gestegen met 0,8% per jaar, terwijl die van de arme huishoudens is toegenomen met 0,3%. Het probleem van een te laag inkomen wordt daardoor niet structureel opgelost, maar doorverwezen naar gemeenten, provincies, waterschappen, de mensen zelf.
Ruim 3,5 miljoen mensen zijn aangewezen op een uitkering. Deze mensen worden door de grote politieke partijen en gedeeltelijk zelfs ook door de vakbonden genegeerd. Daarmee staan ze politiek buiten spel en is het uitzicht op directe verbetering van hun positie gering.

omhoog

De toekomst van sociale zekerheid

De afgelopen twintig jaar is er een verandering opgetreden in de basisfilosofie rond sociale zekerheid. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van het geloof in de noodzaak mensen te beschermen tegen onontkoombare risico's naar het geloof in de maakbaarheid van het eigen leven.
De discussies over de toekomst van solidariteit zweven rond deze twee polen. In de zomer van 2001 ging de commissie Winsemius in haar rapport Naar een nieuwe maatschappij vooral van die eigen redzaamheid en verantwoordelijkheid van burgers uit. Volgens de commissie is het begrip 'risico' aan herziening toe en dient het gekoppeld te worden aan inspanningsverplichting.
Wie bijvoorbeeld gaat samenleven en kinderen krijgt en vervolgens ook allebei betaald blijft werken, die is verantwoordelijk voor de gevolgen van de combinatie van arbeid en zorg. Wie zich onvoldoende schoolt, onvoldoende bijleert of zichzelf permanent ontwikkelt, loopt bij ontslag het risico werkloos te blijven. Als er 'eigen schuld' in het spel is, is die dan ook voor eigen risico. Als iemand eigen familie wil verzorgen of op maandag ziek wil zijn vanwege het uitgaan op zondag, dan hoeft de gemeenschap daar geen zorg voor te dragen.
Vanuit deze gedachten ziet de commissie Winsemius een nieuw stelsel ontstaan dat rust op drie pijlers. Een collectief ministelsel, waarin de risico's van pure pech voor iedereen verzekerd zijn tot aan een bepaalde grens. Een tweede pijler, waarin werknemers sparen voor aanvulling van het inkomen bij risico's als ontslag, ziekte, noodzaak van scholing of (zorg)verlof. De derde pijler is de situatie waarin de werknemer geld opzij zet, of zich verzekert zich tegen persoonlijke risico's voor. Een gelaagd stelsel dus, waarin de individuele verantwoordelijkheid voorop staat.

omhoog

'U zit erbij zoals u zelf wilt'

Het model met de drie pijlers zou dus bestaan uit een minimale basisverzekering voor allen, aangevuld door werknemersverzekeringen voor de werknemers en met als sluitstuk aanvullende verzekeringen die individueel afgesloten kunnen worden. Vooral het laatste element zou de mogelijkheid bieden om het minimumniveau van sociale zekerheid, wanneer men dat wil en kan betalen, naar een rianter niveau uit te breiden. In de wereld van de niet verplichte verzekeringen kennen we daar allerlei varianten van. Denk bijvoorbeeld aan brand-, inboedel- en reisverzekeringen waarbij het vrij staat om bepaalde risico's deels of zelfs geheel voor eigen rekening te nemen.
Een type verzekering dat enigszins lijkt op de structuur van de sociale zekerheid en waar deze 'verzekering op maat' ook al langer speelt is dat van de ziekenfonds- en ziektekostenverzekeringen. In de illustraties van de bijbehorende brochures wordt het eenvoudigste basispakket voorgesteld als een kale klapstoel en het meest uitgebreide pakket als een luxueuze leunstoel. Met andere woorden 'u zit erbij zoals u zelf wilt'.

omhoog

Het levensloopmodel

In overheidskringen wordt ook al langer over een nieuw stelsel van sociale zekerheid nagedacht. In de lente van 2002 lanceerde de toenmalige staatssecretaris van sociale zaken, Annelies Verstand, hierover een nota. Volgens de nota zou een nieuw stelsel, het zogeheten levensloopmodel, meer aan moeten sluiten bij de verschillende levensfasen van een mens/werknemer. Niet alleen de oude risico's als arbeidsongeschiktheid, ziekte of werkloosheid dienen verzekerd te zijn, maar ook nieuwe risico's als studieverlof en zorgverlof.
Dit plan wil gehoor geven aan de roep om meer ruimte voor individuele keuzes, waarvoor drie oorzaken worden aangewezen. Allereerst is er sprake van een algemene 'culturele' tendens tot individualisering. Het moderne individu heeft een toenemende behoefte aan vrijheid van keuze en wil zelf kunnen bepalen of en hoe het sociale risico's financieel afdekt. In de tweede plaats groeit het aantal huishoudens dat tegelijk arbeid en zorg verricht structureel, alsmede de diversiteit aan leefvormen. Dit schept de behoefte aan meer flexibele, individueel bepaalde arrangementen zoals zorgverlof. Een derde punt is dat het huidige collectieve stelsel sommige burgers onvoldoende te bieden heeft. Met name de hogere middenklasse is beter in staat om te bepalen hoe men zich het beste tegen sociale risico's kan indekken.

omhoog

Behoefte aan een andere sociale zekerheid?

Toen in mei 2002 de nota van Verstand naar buiten werd gebracht, publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een onderzoek Zelfbepaalde zekerheden dat uitgevoerd werd in opdracht van dezelfde staatssecretaris. Het SCP onderzocht de vraag of er eigenlijk wel behoefte is aan een op een andere leest geschoeid stelsel van sociale zekerheid.
Volgens het onderzoek is het draagvlak onder burgers voor meer individuele keuzevrijheid over het algemeen beperkt. De voorstanders (zo'n 16 procent) wijzen vooral op het individuele belang van de voorgestelde regelingen en op de individuele omstandigheden. Voor de tegenstanders (zo'n 25 tot 40 procent) vormt de gedachte dat de sociale zekerheid een taak van de overheid is een belangrijk argument. Tevens vreest men dat meer keuzevrijheid ten koste gaat van kwetsbare groepen in de samenleving. Het onderzoek levert geen aanwijzingen op dat het vrij geringe draagvlak voor individuele keuzevrijheid in de sociale verzekeringen in de komende jaren zal toenemen.
Keuzevrijheid lijkt daarmee vooral een 'Haags begrip' dat leeft in de hoofden en kringen van politieke beleidsmakers. Er zijn slechts zwakke aanwijzingen gevonden voor de veronderstelde grote rol die het streven naar meer keuzevrijheid in de praktijk zou spelen. Zo bestaat er alleen een uitgesproken meerderheid voor meer keuzevrijheid wanneer de introductie ervan gepaard gaat met de mogelijkheid de collectieve risicodekking op het huidige niveau te handhaven of zelfs te verbeteren. De doorsneeburger lijkt gehecht te zijn aan het huidige stelsel. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek lijkt terughoudendheid gepast bij de invoering van meer keuzevrijheid in de sociale verzekeringen.

omhoog

Overzicht sociale zekerheidsstelsel
Het cappuccinomodel

Top:
Private verzekeringen

  • Particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
  • Particuliere ziektekostenverzekering
  • Particuliere oudedaguitkering
  • Spaarpremiecontract, koopsompolis, lijfrente, etc.

Midden:
a. Groepsverzekeringen: voor mensen die als groep premie inleggen

  • Pensioenvoorzieningen, zoals bijv. de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
  • Onderlinge Verzekeringen
  • WAO-gat verzekeringen

b. Werknemersverzekeringen: voor mensen in loondienst of daaraan gelijkgesteld

  • Ziektewet (ZW - 1913, herzien 1930, herzien 1996)
  • Werkloosheidswet (WW - 1949, herzien 1996)
  • Ziekenfondswet (ZFW - 1964, herzien 1998)
  • Wet op de Arbeidsongeschiktheid (WAO -1967, herzien 1989 en 1993)
  • Jeugdwerkgarantiewet (JWG -1990)
  • Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers (WAGW - 1986)
  • Wet Uitbreiding Loondervingsdoorbetalingsverplichting bij Ziekte (WULBZ - 1996)

Basis:
a. Sociale voorzieningen, voor mensen die niet in eigen inkomen kunnen voorzien

  • Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW - 1964, vervallen 1996)
  • Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV - 1964, vervallen 1996)
  • Algemene Bijstandswet (ABW - 1965) herzien in Nieuwe Algemene Bijstandswet (NABW - 1996)
  • Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG - 1994)
  • Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong - 1989)
  • Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Zelfstandigen (WAZ - 1989)
  • Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW - 1987)
  • Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Zelfstandigen (IOAZ - 1987)
  • Toeslagenwet (TW - 1987)
  • Wet op de studiefinanciering (WSF - 1970, herzien 1987)
  • Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS - 1970, herzien 1987)

b. Volksverzekeringen, die voor iedereen gelden

  • Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW - 1959, herzien 1996,
  • pgevolgd door: Algemene Nabestaandenwet (ANW - 1996)
  • Algemene Kinderbijslagwet (AKW -1963)
  • Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ - 1969)
  • Algemene Ouderdomswet (AOW - 1975, herzien 1987)
  • Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW - 1976, vervallen 1989

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home