home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

DIACONIE EN SPIRITUALITEIT
Gekomen om te dienen

OndersteBOVEN,
21(2007)3
door Gerard Groener

Inleiding
Twee manieren van kijken
Het gevaar van een nieuwe gnosis
Drie sleutelwoorden: barmhartigheid, gerechtigheid en verzoening

Christelijke spiritualiteit is een diaconale spiritualiteit

Inleiding

Christelijke spiritualiteit is per definitie een diaconale spiritualiteit. De weg van de navolging is de koninklijke weg om leerling van Jezus Christus te worden. Christenen worden geroepen om 'voor elkaar zo goed als God te zijn'. De exclusieve gerichtheid op het persoonlijke zielenheil is in de grond van de zaak onchristelijk. (1)

Oecumene is tanende. Je hoort zeggen dat oecumene nog het beste lukt op het terrein van de praktische diaconie. Tegelijk horen we overal over de krimpende mogelijkheden voor de kerken. Daarom zeggen sommigen: de kerk moet terug naar haar core business. Daarmee bedoelt men dan de zorg voor de gelovigen: kerkdiensten en pastorale zorg, en in het gunstigste geval ook catechese (verstaan als kerkelijke socialisatie) en evangelisatie (het evangelie naar buiten brengen). Het hemd van de liturgie is kennelijk nader dan de rok van de diaconie.
Ter legitimatie beroept men zich nogal eens op Marcus 8,36: 'Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn eigen ziel?'. Pastoraat wordt dan gezien als zorg voor de ziel, want pastores zijn immers zielzorgers. Deze aandacht ligt bovendien goed in de markt bij de herleefde aandacht voor spiritualiteit en religieus zoeken. Maar dit beroep op het evangelie van Marcus is niet terecht. In de context blijkt het te gaan over leerling zijn. Dat vraagt om jezelf te verloochenen en je kruis op je te nemen. De tekst gaat dus over de navolging. Jezus was niet iemand die de cultivering van de eigen ziel zocht, maar het leven naar Gods wil in deze wereld. Jezus heeft daarvoor Petrus terechtgewezen (Mc. 6,33), die 'niet bedacht is op God wil maar op wat mensen zoeken'. In dat perspectief zou je ook als motto kunnen formuleren: 'Wat baat het een mens als hij zijn eigen ziel redt, terwijl de samenleving en de kerk naar de vernieling gaan?'.

Als praktisch theoloog stel ik de vraag naar de betekenis van de diaconie voor een christelijke identiteit. Hoe onze overtuiging en opstelling op dit punt is, lijkt me voor de praktijk uitermate relevant. Daarom formuleer ik de volgende stelling:
Diaconie is niet alleen een onderdeel van de christelijke identiteit, maar bepaalt ten diepste de christelijke identiteit.
Diaconie is een wezenlijke dimensie die alle sectoren van kerkelijk leven dient te doordringen. De diaconale dimensie kan niet beperkt worden tot een bepaald taakgebied.

omhoog

Twee manieren van kijken

Hoe we over deze materie denken hangt af van het perspectief waarmee we kijken: vanuit een antropologisch of godsdienstwetenschappelijk perspectief op religie en de aspecten daarvan, of vanuit de geloofstraditie van Israël, met name van de profeten, en vanuit de verkondiging van het Rijk Gods door Jezus Christus, in de kern samengevat in het Onze Vader.

De antropologische benadering (2)

Als je kijkt naar de verschillende religies en naar het fenomeen religie binnen diverse culturen, zie je een bepaald basispatroon waarop gevarieerd wordt. De kern van alle religies is het beleven en zoeken van relatie met het goddelijke, met God.
Religio betekent verbinding. We duiden dit aan als de relationele of mystieke dimensie van religie.
Hierbij beleven mensen iets, ze ervaren transcendentie, ze overstijgen hun individuele ik. Ze ervaren verbinding met het goddelijke en met elkaar. We noemen dit de ervarings- of belevingsdimensie.
Het voltrekken van rituelen maakt het mogelijk de religieuze beleving op te roepen en vast te houden. Rituelen dragen een religie door de tijd en geven continuïteit aan de individuele religieuze beleving: de rituele dimensie.
Een vierde aspect: een religie helpt mensen ordening te brengen in de chaos. Zij levert een wereldbeeld, een mensbeeld, een Godsbeeld. We krijgen antwoorden op hoe het leven en de wereld in elkaar zitten. Dat is de levensbeschouwelijke of cognitieve dimensie.
Ten slotte: religie blijft niet zonder gevolgen voor de praktische levensinrichting, in het persoonlijk leven en in maatschappelijke verhoudingen. Bijbels gesproken: Godservaring impliceert altijd roeping. We worden geroepen ons eigen leven om te vormen naar Gods bedoeling en om in de wereld bij te dragen aan een wereld naar Gods bedoeling, door Jezus 'rijk Gods' genoemd. We spreken van de diaconale of 'gevolgelijke' (engels: consequential) dimensie.
Deze veelvormige rijkdom van religie levert verschillende typen van gelovigen op.
Sommige gelovigen zijn diaconaal ingesteld en leggen de nadruk op navolging van Christus, het ontwikkelen van compassie (Boeddhisme) of het opvolgen van de gulden regel 'Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet' (3).
Andere mensen leggen de nadruk op het levensbeschouwelijke; ze zijn meer inhoudelijk en 'filosofisch' gericht, sommigen met een nadruk op de geloofsleer omwille van zekerheid, houvast en grenzen, anderen meer in de vorm van een zingevend universum van verhalen en gezangen dat oriëntatie biedt.
In onze tijd zien we vooral dat mensen religieuze ervaring zoeken: de mystieke kant staat hier centraal. Dit sluit aan bij hedendaagse emotiecultuur. Vaak spreekt men hier van 'spiritualiteit'.
Geen van deze drie vormen van geloven gaat zonder rituelen. Maar er zijn ook mensen voor wie deelname aan het ritueel voorop staat In de loop van ons leven kunnen we wisselen van positie. Het is een hele opgave om elkaar in deze verschillende modaliteiten van geloven te respecteren en de geloofspraktijk van de ander als aanvulling en uitdaging te ervaren.
Mutatis mutandis vinden we deze constellatie met de vijf elementen in alle religies.
Kern en basis is steeds de relationele of mystieke dimensie, in gelovige termen: de relatie met God. Alle religie draait om mystiek, spiritualiteit en ritueel. In dat perspectief ligt het niet voor de hand diaconie te zien als noodzakelijk onderdeel, laat staan als identiteit bepalend aspect van christelijk geloof. Diaconie is dan hooguit een gewenst en ten dele onvermijdelijk gevolg. Maar onze God gaat het om meer dan het vervullen van onze religieuze behoeftes.

Vanuit de traditie van Israël en de Kerk

Als persoon hebben we identiteit als we een verhaal over onszelf kunnen vertellen. Dat brengt (enige) consistentie en continuïteit in ons leven. Zonder levensverhaal zijn we 'niemand'.
Bij een religie en bij een kerk is het niet anders. De aspecten en dynamieken van het religieuze zijn in zekere zin gemeenschappelijk aan alle religies en dus ook aan de christelijke kerken. Het is het geheel van verhalen waardoor een geloofstraditie een specifieke identiteit krijgt. Daarom worden die verhalen 'gecanoniseerd'. Als christenen baseren wij ons gezamenlijk op de canon van de Schrift.

Typerend in de christelijke (en in de Joodse) traditie is, dat het gehoor geven aan de stem van de Eeuwige niet zozeer vraagt om het aannemen van een bovenaardse werkelijkheid of om het afdalen in je eigen ziel, maar om het omvormen van de aardse werkelijkheid tot het Rijk van God. Enerzijds ontvangen we dat Rijk uit Gods hand, anderzijds worden wij geroepen Gods medewerkers te zijn (4). Wie aandachtig het Onze Vader bidt, begrijpt waar het op aankomt. In de eerste drie beden worden wij afgestemd op God: zijn Naam, zijn Rijk, op wat God met de wereld voor ogen heeft: zijn Wil. De smeekbeden gaan over de concrete gestalte van dat Rijk Gods: delen van de rijkdommen van de aarde, elkaar vergeven en het kwade weerstaan.
We zien het al in Deuteronomium 30,14-15: 'Het woord dat ik u heden geef is niet ver weg, nee het is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het volbrengen. Ik houd u heden het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk…'.
Voor dit alles wordt in de Schrift dikwijls het woord 'heiligen' gebruikt, bijvoorbeeld Leviticus 19,2: 'Weest heilig, want Ik de Heer uw God, ben heilig', door Jezus geradicaliseerd in Mattheus 5,48: 'Weest volmaakt zoals uw hemelse Vader in de hemel volmaakt is'.
We kunnen christelijk geloof zien als een specifieke soort binnen het geslacht 'religie'. Dat specifieke is door en door ethisch gekleurd en gericht op de omvorming van onze wereld tot Rijk Gods. Wij leven van Gods genade om zelf voor anderen een genade te worden.

We kunnen nu een tweede stelling formuleren:
Zonder mystiek is er geen verworteling mogelijk van het christelijk geloof in ons hart en heeft geloof geen impact op ons leven. Maar zonder diaconie bestaat er geen christelijke identiteit. Mystiek en diaconie vormen de twee brandpunten van de ellips van het christelijk leven. Beide bepalen elkaar over en weer.

omhoog

Het gevaar van een nieuwe gnosis

Onze tijd heeft veel overeenkomsten met de tijd van de gnosis, de grootste crisis die de kerk heeft gekend met betrekking tot de identiteit van het christelijk geloof. Als verweer daartegen heeft de kerk toen de canon vastgesteld.
Ook toen, net als nu, leefde men in een smeltkroes van religies en culturen. We hoeven maar te denken aan het optreden van Paulus op de Areopaag in Athene. Het meest in de mode waren verschillende mysteriegodsdiensten, waarin mensen ingewijd werden om zo spiritueel tot leven te komen.
Wat stond er op het spel? Het christelijk geloof dreigde zich los te scheuren van haar historische wortels, los te raken van het typisch Joodse en christelijke verhaal. In de gnosis gaat het alleen nog om de geschiedenis en ontplooiing van de individuele ziel. Elke ziel moet weer de weg gaan, wat natuurlijk ook waar is, maar de aandacht voor Gods heil in de samenleving verdwijnt uit het gezicht.
De notie dat de God van Israël zich openbaart in de geschiedenis met zijn volk, gaat verloren. Dat God mens geworden is in de historische, lijfelijke Jezus van Nazareth, uitgestoten en vermoord omwille van zijn leer en leven (denk aan het Credo: geboren uit Maria, geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven), en de verrijzenis als bezegeling van Gods kant dat deze Jezus de Christus is (vgl. Rom. 1, 2-3), dat alles wordt tot mythe verklaard, nuttig voor het onverlichte volk. Jezus wordt 'verspiritualiseerd' (denk aan het evangelie van Judas).
Woorden als gerechtigheid en Rijk Gods functioneren niet meer, tenzij binnen de geschiedenis van de individuele ziel.
Als voorbeeld van verzet tegen de gnostiek citeer ik de brief aan de Hebreeën (10,5-7), met een verwijzing naar Psalm 40:
Daarom zegt Christus bij zijn komst in deze wereld:
'Offers en gaven hebt u niet verlangd, maar u hebt mij een lichaam gegeven;
brand- en reinigingsoffers behaagden u niet.
Toen heb ik gezegd: "Hier ben ik", want dit staat in de boekrol over mij geschreven: "Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen."'
De crisis van de gnostiek had plaats in de Grieks-Romeinse cultuur, een kosmopolitische cultuur, een markt van godsdiensten. Die religieuze chaos en markt werd in banen geleid door keizer Constantijn, die het christendom tot staatsgodsdienst maakte. Dat maakte een einde aan een vrij chaotische situatie. Van de ene kant was dat een zegen, maar de schaduw van de macht was ook van meet af aan aanwezig.
In onze tijd leven we weer in een tijd van gnostiek. Het gaat weer om de religieuze ontplooiing van de individuele persoon, die tot zijn diepste zelf wil komen. Religie is daarom ín en kerk is uit. De oorzaken van deze ontwikkeling worden vaak verbonden met secularisatie en individualisering. Maar de kosmopolitische cultuur en de markt van religies lijken me minstens even belangrijk. Toen en nu: relimarkt. Juist die combinatie van religieuze markt en individueel heil horen bij elkaar. Een commitment met een christelijke beweging, die heil wil brengen in de samenleving, is dan moeilijk op te brengen (zie het laatste onderzoek God in Nederland).
We zien de tendens tot gnosis terug in veel publicaties. Ik neem als voorbeeld het veelgelezen, prachtige en als christelijk beschouwde boek Mystagogie van Tjeu van den Berk (5). Wat valt daarin op?
Het boek kent een a-historische benadering, geschiedenis heeft weinig realiteitsgehalte, alleen het individuele bewustzijn, de ontplooiing van de ziel telt. Geloofsgemeenschap wordt alleen als middel gezien en niet als een op te bouwen Christusbeweging in de samenleving. Er is geen besef van een God die bijeenroept, überhaupt niet van een God die spreekt, tenzij in het verlangen en de taal van de ziel.
Ik zie een weinig realistisch optimisme: het kwaad schijnt niet te bestaan; je hoeft er ook niet tegen te vechten. Woorden als Rijk Gods en gerechtigheid zoek je tevergeefs; de maatschappelijke en ethische dimensie van het geloof raakt volledig op de achtergrond (6).

Daarom lijkt mij een derde stelling op zijn plaats:
Juist in onze tijd, waar religie ín is en kerk uit, komt het erop aan historisch geworteld te blijven in de profetische traditie van Jezus Christus, waarin het gaat om het doen van Gods wil.

omhoog

Drie sleutelwoorden: barmhartigheid, gerechtigheid en verzoening

Onze traditie reikt ons drie sleutelwoorden aan om de door God gewenste ordening in de samenleving te duiden (7). Die woorden geven invulling aan het 'weest heilig en volmaakt': barmhartigheid, gerechtigheid en verzoening (8). In het grote Handboek Diaconiewetenschap Barmhartigheid en gerechtigheid (Kok, Kampen 2004), ontbreekt ten onrechte de dimensie van de verzoening (9). In onze barmhartigheid zullen we immers onvermijdelijk tekort schieten, in onze strijd tegen onrecht bijna onvermijdelijk ook gewelddadig worden. Juist dan kunnen we in en door God verzoening vinden, bij en door Hem die groter is dan ons hart. Het werken aan verzoening tussen mensen is van meet af aan door christenen verstaan als een kernopdracht: voor Christus bestaat er immers geen man of vrouw, geen slaaf of vrije, geen Jood of Griek. Alle drie dimensies samen zijn verbonden in dat unieke vroegchristelijke woord agapé (10).
Als er bisschoppen komen in de vroege kerk in Rome, krijgt het dienstwerk aan de armen een prominente plaats in hun functie, zoals we kunnen zien aan de drie titels die zij voerden. Als vader van de armen zorgde de bisschop voor een goede diaconale organisatie. Als advocaat van de armen kwam hij voor hen op bij burgerlijke instanties en bedrijven. Als opzichter over het kerkelijk bezit was hij beheerder van het erfdeel van de armen: één vierde deel van alle kerkelijk bezit moest ten goede komen aan de armen. Bij de uitvoering van al deze taken werd de bisschop bijgestaan door een college van diakens, een tweede kring van medewerkers naast de priesters.

omhoog

Christelijke spiritualiteit is een diaconale spiritualiteit

Samenvattend kunnen we zeggen: christelijke spiritualiteit is per definitie een diaconale spiritualiteit. De weg van de navolging is de koninklijke weg om leerling van Jezus Christus te worden.
Christenen worden geroepen om 'voor elkaar zo goed als God te zijn'. De exclusieve gerichtheid op het persoonlijke zielenheil is in de grond van de zaak onchristelijk.
Alle diaconie begint met het horen van en het geraakt worden door 'de noodkreten van mijn volk'. Markus 6,30-44 (Jezus die begaan is met de mensen die zijn als schapen zonder herder) en Lucas 10, 25-37 (de parabel van de barmhartige Samaritaan) geven de spirituele weg aan voor het diaconaal handelen (11).

Gerard Groener was tot voor enkele jaren geleden als docent en supervisor verbonden aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht. Als trainer en supervisor is hij nog steeds betrokken bij de diakenopleiding van het aartsbisdom Utrecht.

omhoog

eindnoten:

(1) Bewerking van inleiding op 24 januari 2007 door Gerard Groener voor het pastoresconvent Raad van Kerken Hengelo (O) en omstreken.
(2) Onder andere Clifford Geertz, Antoine Vergote en Johannes van der Ven tonen het bestaan van een wetenschappelijke consensus aan. Zie: Gerard Groener, Ingewijd en toegewijd. Profiel en vorming van de parochiepastor. Meinema, Zoetermeer 2003, p.313-317.
(3) Vgl. Karen Armstrong over de spiritualiteit van de spiltijd in haar boek De grote transformatie. Het begin van onze religieuze tradities. De Bezige Bij, Amsterdam 2005.
(4) Groener, o.c, p 336.
(5) Tjeu van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch bewustzijn. Meinema, Zoetermeer 1999.
(6) Groener, o.c., p. 348-351.
(7) Zie verder de uitwerking in: In God Naam Doen. Christelijke dienst in de samenleving. Beleidsnota diaconie aartsbisdom Utrecht 2005, p.34-36.
(8) In Gods Naam doen, p.34-36; zie ook: Groener, o.c., 338-340.
(9) Hub Crijns, Herman Noordegraaf e.a. (red.), Barmhartigheid en gerechtigheid. Handboek diaconiewetenschap. Kok Kampen 2004 (tweede druk 2005).
(10) Zie het artikel van Govert Buijs De christelijke traditie wijst de weg naar een nieuw samenlevingsmodel (NRC 14 januari 2007).
(11) In Gods Naam doen, p. 30-31 en 42-43; zie ook Groener, o.c., p. 331-335.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home