home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

DRIEMAAL DUURZAAM
Spijswetten en duurzaamheid

OndersteBOVEN,
21(2007)4
door Trinus Hoekstra

Marianne ThiemeInleiding
Zinnig?
Traditie
Dagelijks eten en priesterlijke dienst
We zijn wat we eten

Inleiding

De Olterperkring - een gerenommeerd leerhuis in het noorden van het land - heeft dit najaar het bijbelboek Leviticus op het programma staan. De organisatie vroeg zich af, of er vanuit de spijswetten in Leviticus een link te leggen is met het actuele thema van sociale en ecologische duurzaamheid. Trinus Hoekstra ziet een aanknopingspunt in de wijze waarop de Partij voor de Dieren dit voorjaar in verband gebracht werd met de spijswetten uit Leviticus.

In het afgelopen voorjaar werd in de pers de Partij voor de Dieren met de spijswetten uit Leviticus in verband gebracht. Aanleiding was de verontrusting van lijstduwer Maarten 't Hart over de religieuze achtergrond van partijvoorzitter Marianne Thieme. Ze zou lid zijn van een enge sekte, namelijk die der Zevendedagsadventisten. Trouwcolumnist Ephimenco gooide vervolgens nog wat olie op het vuur door deze christenen af te schilderen als mensen die bijbelse spijswetten strikt naleven.
Wat me intrigeerde aan dit nieuwsfenomeen was dat de spijswetten uit het Oude Testament zo op de voorgrond traden. Naast de meer exotische aanduidingen van 'halal' en 'kosjer' eten, leek plotseling ontdekt te worden dat we in 'onze' christelijke achtergrond die elementen ook kennen in de spijswetten uit het boek Leviticus met de aanduidingen 'rein' en 'onrein'.
Dat deze spijswetten met graagte aan de Partij voor de Dieren gekoppeld werden is op z'n minst overdreven te noemen. Er bestaan weliswaar Zevendedagsadventisten die de spijswetten in acht nemen, maar de leden van de Partij voor de Dieren laten zich vooral kennen als vegetariërs en vegetarisme wordt door de spijswetten nu juist niet voorgeschreven.
Ten tijde van de verkiezingen heeft Thieme aangegeven dat het de partij niet alleen om dieren gaat. Dieren vormen voor de partij als een van de meest kwetsbare levensvormen in onze samenleving een soort van metafoor. De wijze waarop we omgaan met weerloze dieren zegt volgens de partij iets over het beschavingspeil van onze samenleving. Dieren worden daarin of doodgeknuffeld of als grondstof vermalen in de voedingsindustrie. Impliciet stelt de partij de vraag of we nog wel weten hoe we met leven om moeten gaan, of dat de commerciële machinerie van productie en consumptie ons zo afstompt dat we niet meer weten wat op dit punt goed of slecht is. Op dit punt aangekomen bekroop me de gedachte of het echt wel zo overdreven is om deze vragen in verband te brengen met de spijswetten. Krijg je immers vaak niet een vies gevoel als je bepaalde praktijken uit productieprocessen op je laat inwerken? Aan de beelden van de film Our daily bread (een film over de industriële wijze van het omgaan met dierlijk leven in de voedselproductie) doe je toch al snel het gevoel op dat onze consumptie een onbehaaglijke keerzijde heeft. De gedachte bekruipt je of het inderdaad niet tijd wordt dat we ons afvragen of we nog wel weten wat 'rein' of 'onrein' is.

omhoog

Zinnig?

Uit kerkelijke hoek werd in 2004 met de Accra-Verklaring van de Wereld Alliantie van Protestantse Kerken (WARC) ook al het scherpe signaal afgegeven, dat we met het veronachtzamen van (economische, sociale en ecologische) duurzaamheid in productie en consumptie ons bestaan wereldwijd op het spel zetten. Deze veronachtzaming die resulteert in de wereldwijde fenomenen van armoede en aantasting van het milieu werd in de verklaring krachtig naar voren gebracht als de keerzijde van de veronachtzaming van Gods wereldwijde gave van en opgave tot gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping. Duurzaamheid en onduurzaamheid werden door deze kerkelijke verklaring zo impliciet bestempeld als religieuze categorieën. De vraag blijft echter wat de innerlijke grond is van deze bestempeling? Is het eigenlijk niet beter om religie er buiten te laten en het gewoon praktisch te hebben over duurzaamheid, over de toekomstvatbaarheid van ons samenleven en van ons omgaan met het ons omringende ecosysteem? Is het in het licht van de actualiteit van duurzaamheid daarom echt wel zinnig om de begrippen 'rein' en 'onrein' uit Leviticus opnieuw op te pakken?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het wellicht belangrijk om enig zicht te krijgen op wat 'rein' en 'onrein' in de bijbel, in het bijbelboek Leviticus en met name in de spijswetten betekenen. Wat is het betekenisverband waarin deze woorden functioneren en wat kunnen ze van daaruit betekenen voor het betekenisverband waar wij in leven?

omhoog

Traditie

Voedingsvoorschriften vinden we op verschillende plaatsen in de bijbel, maar de meest uitvoerige passages zijn te vinden in Leviticus 11 en in Deuteronomium 14. Met name in het boek Leviticus zijn de spijswetten opgenomen in een blok van vijf hoofdstukken dat allerlei voorschriften bevat in verband met de scheiding van rein en onrein. De spijswetten zelf staan aan het begin van dit blok en hebben met name betrekking op het onderscheid dat gemaakt moet worden tussen reine en onreine dieren.
Rond de ouderdom van de teksten, de ontwikkeling en het naleven van de spijswetten zelf bestaan allerlei vragen. Zijn ze ooit zo gepraktiseerd? Was er een bepaalde praktijk en hebben de regels deze praktijk achteraf gelegitimeerd of hebben de regels de praktijk (mede) gevormd? Veel bijbelwetenschappers gaan er van uit dat we in de teksten te maken hebben met een door priesterschrijvers geredigeerde versie. Zij menen dat het volk zeker voedingsvoorschriften en voedingsgewoonten zal hebben gekend, mogelijk zelfs in geschreven vorm, maar in hun ogen zijn het definitieve verhaal en de argumentatie van later datum. Bij die latere datum denkt men dan aan de periode van de Babylonische ballingschap en van de terugkeer in en wederopbouw van het 'beloofde' land (in de 6e en 5e eeuw voor de christelijke jaartelling). Zo zou de redactie van de Pentateuch (de eerste 5 boeken van de bijbel) zijn context hebben in een periode van herformuleren en hervestigen van de (religieuze) identiteit van het volk.
In de christelijke theologische en exegetische traditie hebben de voedingsvoorschriften of spijswetten door de eeuwen heen een ondergeschikte plaats ingenomen. Het christendom kent (met uitzondering van bepaalde kringen in enkele kleinere denominaties zoals de Zevendedagsadventisten) geen uitgebreide voorschriften op het gebied van het gebruik van voedingsmiddelen. Het rooms-katholicisme heeft weliswaar een traditie op het punt van vasten en de vrijdagse vis maar er is geen enkel dier of dierlijk product dat expliciet van consumptie uitgesloten wordt. Men achtte het Oude Testament en met name dit onderdeel ervan typerend voor de zogenaamde 'oude bedeling van de wet' die na de komst van Jezus met de 'nieuwe bedeling van de genade' zou hebben afgedaan.
Christenen vinden voor een andere kijk op de spijswetten vooral argumenten in het Nieuwe Testament. Zo laten de evangeliën Jezus een ander licht werpen op de scheiding tussen rein en onrein. Jezus zegt bijvoorbeeld in het evangelie volgens Mattheüs (15:11) "Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt een mens onrein." In de Handelingen van de Apostelen (10:15) lezen we verder dat de apostel Petrus een stem hoort, die hem opdraagt dieren te slachten en te eten. Een deel van deze dieren is kennelijk onrein, want Petrus verzet zich tegen de opdracht met het argument dat hij nog nooit iets heeft gegeten dat onheilig of onrein was. Hij krijgt tot drie keer toe te horen "Wat God rein verklaard heeft, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen". Uit de context wordt duidelijk dat het hier met name gaat om contacten tussen joden en niet-joden, maar in de christelijke traditie is er vooral een breuk met de voedingsvoorschriften in gezien. Ook de apostel Paulus relativeert de voedingsvoorschriften als hij in de discussie over het al dan niet opleggen van deze voorschriften aan niet-joodse medegelovigen verklaart dat alle voedsel in principe rein is (Romeinen 14:20). Deze Nieuwtestamentische passages geven duidelijk een heroriëntatie aan.
In het rabbijnse jodendom is het volgens de voedingsvoorschriften ('kosjer') eten tot op de dag van vandaag een wezenlijk onderdeel van de orthodoxie en de interpretatie van de teksten is nog steeds gaande. De officiële rabbijnse term voor de spijswetten, kasjrut, is afgeleid van de Hebreeuwse wortel ksjr dat met 'geschikt', 'degelijk' of 'geëigend' vertaald kan worden. Ksjr komt overigens slechts zes keer in de Hebreeuwse Bijbel voor en dan juist niet in Leviticus en ook niet in verband met voedsel, namelijk eenmaal in het boek Esther (8:5) en vijfmaal in het boek Prediker (2:21; 4:4; 5:10; 10:10 en 11:6).

omhoog

Dagelijks eten en priesterlijke dienst

Met name door het werk van de cultureel-antropologe Mary Douglas zijn de spijswetten vanaf de jaren '60 opnieuw in de belangstelling van niet-joodse wetenschappers gekomen. Volgens Douglas hebben de spijswetten een specifieke betekenis binnen het geheel van het religieuze denken van Israël. Wat wel en niet gegeten mag worden heeft volgens haar in Leviticus te maken met de basale orde in de werkelijkheid, zoals die door Israël gezien en ervaren wordt.
Douglas legt daarbij de nadruk op het theocentrische karakter van de spijswetten, dat volgens haar zijn grond vindt in een priesterlijke opvatting van het volk. Deze opvatting wordt kernachtig verwoord in de Godsspraak van Exodus 19:5-6 "Als jullie naar mijn woord luisteren en mijn verbond onderhouden, zullen jullie van alle volken mijn bijzonder eigendom zijn, want aan mij behoort de aarde; maar jullie zullen voor mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn". Aan het eind van Leviticus 11 (in de verzen 44 en 45) treffen we dan ook twee keer de redengevende uitspraak aan "Wees heilig, want ik ben heilig".
Leviticus schetst volgens Douglas het religieuze en maatschappelijke model van een heilig volk. De spijswetten worden daarbij opgenomen in de reinheidswetten, die op hun beurt onder de heiligingwetten vallen. Leviticus verwijst daarbij als derde en middelste boek van de Pentateuch naar de kosmologie die in de eerste twee boeken van de bijbel centraal staat: de schepping van de aarde in Genesis als bewoonbare plek met het scheiden door God van licht en duisternis, land en water; de redding van de schepping in de ark van Noach dwars door het vernietigende water van de zondvloed heen; en de schepping van het volk in Exodus door de uitleiding uit zijn verslaving aan Egypte dwars door het water van de Schelfzee heen. Deze drievoudige scheppingssymboliek die eigenlijk een scheidingssymboliek behelst, vormt het grote betekenisverband voor Leviticus, de dragende grond voor het maken van het onderscheid tussen rein en onrein. Centraal in deze drievoudige scheppingssymboliek staat het verhaal van de zondvloed. Precies in dit verhaal krijgen de dieren (rein en onrein) een veilige plek toebedeeld in de ark, niet dus omdat ze tot de 'veestapel' van de mens behoren, maar omdat ze Gods schepselen zijn. Na de zondvloed nemen ze ook een eigen plek in, in het verbond dat God met alle levende wezens sluit. Dit zogeheten Noachietische verbond betreft alles wat op aarde leeft, heel de schepping.
Zoals in deze scheppingssymboliek scheppen 'scheiden' is, zo zal het volk in de spijswetten scheiding maken tussen rein en onrein. De reden voor dit scheiding maken door het volk is geen morele maar een religieuze, die in de woorden van de Godsspraak uit Exodus schuil gaat in de woorden "aan mij behoort de aarde". Leviticus brengt het volk te binnen dat precies in de omgang met de schepping, als voedingsbodem waarop en levensbron van waaruit het put voor zijn gezamenlijke fysieke bestaan, Gods heiligheid zelf op het spel staat. In de schepping bevindt het volk zich in het heiligdom van God, het 'gewone' dagelijkse leven tot en met het dagelijkse eten is een priesterlijke dienst aan God.

omhoog

We zijn wat we eten

De spijswetten worden misschien gerelativeerd in het Nieuwe Testament, maar de religieuze grond van deze spijswetten beslist niet. De priesterlijke dienst van de gemeente en het besef tot heiliging en heiligheid geroepen te zijn blijft in het Nieuwe Testament doorklinken. Een onderscheid naar de letter van de wet tussen rein en onrein wordt dan weliswaar gerelativeerd, maar dan juist om de kern van de zaak op de voorgrond te plaatsen: het dienen van God en niet de dienst aan wetsvoorschriften. Niet voor niets klinken in de inleiding tot de zogenaamde Bergrede in het evangelie volgens Mattheüs de woorden van Jezus "Denk niet dat ik gekomen om de Wet of de Profeten af te schaffen. … Ik ben gekomen om ze tot vervulling te brengen" (Mattheüs 5:17). Precies in de 'spijswetten' van deze Bergrede, aan het begin van het onderdeel dat betrekking heeft op de zorg voor het levensonderhoud, klinken de woorden "Jullie kunnen niet God dienen én de Mammon" (Mattheüs 6:24).
Het komt volgens deze tekst aan op het stellen van prioriteiten in je toewijding, op het maken van scheiding: op het dienen van God en het van daaruit omgaan met Mammon (bezit). In de Bergrede worden God en derhalve mensen zelf geheiligd door het zoeken van de heerschappij van God en de gerechtigheid die daarbij hoort. Wat rein en onrein inhouden wordt met andere woorden bij de vervulling van de wet door Jezus niet vastgelegd in voorschriften, maar wordt onderdeel gemaakt van een zoektocht naar Gods en onze eigen heiligheid in deze wereld als het heiligdom van God dat ons omgeeft.
In dit zoekproces kunnen in de actualiteit van vandaag de begrippen duurzaam en onduurzaam op ons pad wellicht als richtingwijzers verschijnen, die ons herinneren aan de functie en betekenis van de voor ons wellicht wat bestofte spijswetten uit Leviticus. Waar deze spijswetten ons in ieder geval vandaag de dag bij bepalen is, dat wij er als consumenten niet alleen voor kiezen dat we bepaalde producten eten en drinken, maar dat we ons daarmee ook een bepaalde zingeving te binnen brengen. Al etend en drinken stemmen we in met of distantiëren we ons van de waren die ons worden voorgezet en aangeprezen als 'goed' in termen van financieel voordelig, gezond, milieu- en diervriendelijk of maatschappelijk verantwoord. In die zin zijn we wat we eten en krijgen we de samenleving die we door middel van productie en consumptie creëren. Vanuit het oogpunt van de spijswetten worden we opgeroepen om scheiding te maken tussen duurzaam (rein) en onduurzaam (onrein) omdat in onze keuzes deze wereld als Gods heiligdom op het spel staat.

Bovenstaande tekst is een ingekorte versie van een recent gehouden inleiding voor de Olterperkring.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home