home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

IN TWEESTRIJD
Positieve waardering van zorg is nodig

OndersteBOVEN,
22(2008)1
door Trinus Hoekstra

In tweestrijdInleiding
Opkomst van het kostwinnermodel

Standaardbiografie
Opkomst van het combinatiemodel

Keuzebiografie
Burgerlijke waardering van arbeid én zorg

Christelijke waardering
Naar een evenwichtige waardering en verdeling
Gespreksvragen

Inleiding

Veel ouders hebben tegenwoordig moeite zorg en arbeid te combineren. Ze hebben het druk en moeten steeds weer kiezen aan welke taken ze voorrang geven. Welke ontwikkelingen hebben tot deze situatie geleid? Hoe zijn zorg en arbeid gewaardeerd en welke rol heeft de christelijke traditie daarbij gespeeld? Een artikel over combinatiedruk in historisch perspectief.

De toename van de deelname aan betaalde arbeid is een belangrijke trend in onze samenleving. De overheid stuurt er ook bewust op aan en dan niet alleen in termen van een toename van het aantal werkenden, maar ook in verlenging van de werkweek. Belangrijke motieven zijn de vermindering van de uitkeringslast, de emancipatie van buiten de betaalde arbeid staande groepen en de zorgen over de kosten van de vergrijzing. Tegelijkertijd dringt de overheid aan op afname van de gesubsidieerde zorg aan hulpbehoevenden en ouderen. Vervolgens stuurt ze in het kader van de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) erop aan dat burgers informele zorg geven aan ouderen en hulpbehoevenden in de familie-, vrienden- en kennissenkring. Wanneer echter een steeds groter deel van de bevolking betaald werkt, kan de informele zorg in het gedrang komen. Vooral ouderparen die kleine kinderen hebben en allebei betaald werken, ervaren in verhevigde mate dat werk en zorg elkaar belemmeren. Zij bevinden zich dikwijls in tweestrijd temidden van hun toewijding aan arbeid én zorg. Deze tweestrijd staat bekend als combinatiedruk.

omhoog

Opkomst van het kostwinnermodel

In de pre-industriële samenleving van vóór 1850 werd arbeid door het grootste deel van de bevolking verricht in familiaal verband. Ieder gezinslid droeg naar vermogen bij aan de productie. Aangezien de oudste kinderen in het meestal uitgebreide gezin zorgden voor de jongste kinderen, bestond de combinatieproblematiek als zodanig niet.
In het verlengde van de industrialisering ontstond rond het midden van de 19e eeuw een ruimtelijke scheiding tussen werk- en woonplaats en tussen (huishoudelijke) onbetaalde en betaalde arbeid. De productie verhuisde naar werkplaatsen en fabrieken, waardoor de huisnijverheid langzaam aan verdween. In gezinsverband werd geleidelijk aan enkel nog huishoudelijke, onbetaalde arbeid verricht. Omdat de lonen laag waren, moesten alle gezinsleden buitenshuis gaan werken om in het levensonderhoud te voorzien. Mannen, vrouwen én kinderen moesten actief bijdragen aan het totale inkomen van het gezin.
Aan het einde van de 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw groeide de maatschappelijke weerstand tegen vrouwenarbeid. Ten eerste waren vrouwen en kinderen goedkope arbeidskrachten die door mannen, vooral in periodes van hoge werkloosheid, als concurrenten werden ervaren. Ten tweede was de vrouwenarbeid van de arbeidende klasse strijdig met het burgerlijke gezinsideaal, waardoor vrouwen meer belangstelling hadden voor het recht om thuis te blijven dan voor het recht op betaalde arbeid.
De lage participatiegraad van vrouwen in de betaalde arbeid tussen 1900 en 1970, was in combinatie met een beschermende sociale wetgeving ten aanzien van vrouwen en kinderen een gevolg van deze maatschappelijke weerstand tegen vrouwenarbeid. De economische crisis van de jaren ’30 versterkte de maatschappelijke oppositie tegen vrouwenarbeid nog. Bovendien werd in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog vanuit de politiek het kostwinnermodel gepropageerd met het oog op demografisch herstel. Vrouwen, met name gehuwde vrouwen en moeders, werden van de arbeidsmarkt geweerd. Bijgevolg werd vanaf 1930 een verdeling van onbetaalde en betaalde arbeid gepropageerd, die zogenaamd bij het ‘man’- of ‘vrouw’-zijn hoorde, oftewel een seksespecifieke verdeling van arbeid en zorg werd bepleit. In ruim historisch perspectief was deze lage participatiegraad overigens eerder uitzondering dan regel.
In de jaren ’50 en ’60 was het kostwinnergezin, waarbij de man voltijds buitenshuis werkte in min of meer vast dienstverband en de vrouw voltijds instond voor het huishouden en de zorg voor kinderen, de dominante gezinsvorm. Bij de uitbouw van de verzorgingsstaat werd het kostwinnermodel door de overheid ook als leidraad genomen voor het gezins- en arbeidsmarktbeleid.

omhoog

Standaardbiografie

De tamelijk vastliggende rollen voor mannen en vrouwen in het kostwinnergezin maakten deel uit van de zogenaamde standaardbiografie. Deze standaardbiografie kende haar hoogtepunt in de jaren ’50 en ’60 en werd gekenmerkt door een opeenvolging in de levensloop van drie tamelijk scherp afgebakende levensfasen: leren, werken of zorgen en rusten.

Standaardbiografie

Fase 1: leren, 0-16/25 jaar, verzorging en scholing
Fase 2: werken, 16/25-65 jaar, betaalde arbeid of zorg
Fase 3: rusten, na 65 jaar, pensioen of zorg

Mannen genoten in de eerste fase meer onderwijs dan vrouwen en dit voor een langere periode. Vrouwen genoten meer beroepsgerichte opleidingen dan mannen. In de tweede fase namen mannen de betaalde arbeid op zich, terwijl vrouwen instonden voor de zorg. In de derde fase voerden mannen geen betaalde arbeid meer uit. Zij gingen met pensioen, terwijl voor vrouwen het huisvrouwschap realiteit bleef.
De standaardbiografie en het kostwinnermodel sloten naadloos op elkaar aan. Omdat het een seksespecifieke wederzijdse aanvulling inhoudt inzake de verdeling van taken tussen mannen en vrouwen, wordt het ook wel het model van de ‘harmonieuze ongelijkheid’ genoemd. Binnen dit model bestaat de combinatieproblematiek nog niet.

omhoog

Opkomst van het combinatiemodel

In de jaren ’70 verminderde de populariteit van het kostwinnermodel. In deze jaren daalde het aandeel beroepsactieve mannen in de totale mannelijke bevolking sterk ten gevolge van pensionering. Het aandeel beroepsactieve vrouwen steeg in dezelfde periode daarentegen sterk. Geleidelijk aan vonden gehuwde vrouwen hun weg naar de arbeidsmarkt en zetten steeds minder vrouwen hun beroepsarbeid na de geboorte van een kind stil.
De stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen in de jaren ‘70 ging gepaard met een toename van het aantal deeltijdwerkenden, waardoor het aantal combinatiegezinnen toenam. Stapsgewijs verschoof het kostwinnermodel zo in de jaren ’70 en ‘80 in de richting van het combinatiemodel, waarin betaalde arbeid en zorg door partners meer gecombineerd werden. Vrouwen gingen daarbij iets minder zorgen, terwijl mannen iets meer gingen zorgen. Over het algemeen betekende deze verschuiving echter een verzwaring voor vrouwen. Zij bleven naast hun betaalde baan de hoofdverantwoordelijke voor de zorgtaken, terwijl mannen die taken maar weinig echt overnamen. Zo ontstond in de jaren ’70 de combinatieproblematiek vooral als een problematiek van vrouwen.

omhoog

Keuzebiografie

Tegenwoordig hangt de levensloop van mensen sterk af van hun individuele keuzes en voorkeuren. In plaats van standaardbiografie spreekt men nu dan ook van keuzebiografie. In deze keuzebiografie is er minder sprake van een seksespecifieke rol- en arbeidsverdeling dan in de standaardbiografie. In de hedendaagse levensloop zijn een vijftal fasen te onderscheiden.

Keuzebiografie

Fase 1: vroege jeugd, 0-15 jaar, opvoeding en verzorging
Fase 2: jongvolwassenheid, 15-30 jaar, oriëntatie en verkenning
Fase 3: consolidatie, 30-60 jaar, combineren van arbeid en zorg
Fase 4: actieve ouderdom, 60-75 jaar, combineren van arbeid, zorg en vrije tijd
Fase 5: passieve ouderdom, na 75 jaar, zorg door derden

Terwijl de levensloop in de standaardbiografie vrij vast lag, vangen de verschillende fasen in de levensloop vandaag niet meer voor iedereen op hetzelfde moment aan en doorloopt niet iedereen dezelfde fasen met dezelfde activiteiten. Daardoor is er een grotere diversiteit gekomen in de levenslopen van individuele burgers.
Met name in de derde fase van deze levensloop komt het steeds meer voor dat mensen gelijktijdig verschillende taken en activiteiten in verschillende levenssferen combineren. Deze fase wordt gekenmerkt door wisselingen van combinaties rond arbeid en zorg voor kleine kinderen, arbeid en (mantel)zorg voor anderen (ouders, familieleden, vrienden en bekenden), arbeid en leren, arbeid en vrije tijd en zorg en leren. Het hoogtepunt van deze combinatiedrukte is te vinden in de eerste helft van de derde levensfase (30-45 jaar) bij mensen met kleine kinderen. Deze fase vormt in hedendaagse westerse samenlevingen een belangrijk knelpunt en wordt dan ook ‘het spitsuur van het leven’ genoemd.
Bij mannen ligt in deze fase de nadruk op betaald werk, hoewel ook zij zich meer en meer oriënteren op zorgtaken en vrijetijdsbesteding. In vergelijking met de standaardbiografie is er bij vrouwen een grotere variatie ontstaan in de nieuwe levensloop. Vroeger richten vrouwen zich voornamelijk op zorgtaken, terwijl ze dit nu meer combineren met andere taken en activiteiten. Voor vrouwen is evenwel het zorgethos onverminderd hoog gebleven, er wordt nog steeds grote waarde gehecht aan het zelf zorgen voor kinderen. Om hun ambitie op het terrein van betaalde arbeid en andere activiteiten te kunnen volgen, stellen ze het krijgen van kinderen uit en werken na het krijgen van kinderen in deeltijd. Dit betekent dat de combinatieproblematiek, ook al richten mannen zich meer op zorgtaken, in grote mate nog steeds een problematiek van vrouwen is.

omhoog

Burgerlijke waardering van arbeid én zorg

Volgens de theoloog en ethicus Frits de Lange doet zich in de huidige waardering van betaalde arbeid nog sterk de invloed van het burgerlijke levensloopmodel gelden. Dit model waarin de man centraal staat, ontstond in de 17e eeuw en werd afgebeeld als De Trap des Ouderdoms. Deze trap begon met de trede van de jeugd, ging daarna over op de middelste brugtrede van de volwassenheid om tot slot af te dalen naar de ouderdom.
De 17e-eeuwse burger wist waartoe hij geboren was en wat hem te doen stond. Welbesteed leven, dat was zijn levensdoel. Zijn spaarzame tijd niet verlummelen, maar tussen het gebakerd en begraven worden zijn tijd effectief en efficiënt benutten voor het opbouwen van een goede maatschappelijke positie, het vormen van een gezin en het verwerven van een eerbaar burgerschap.
Niet de vroomheid in het uur van zijn dood besliste over zijn eeuwig lot, maar de opbrengst van zijn totale levensloop. Om verstand ging het en ambitie, niet om liefde of nederigheid. Het einde bekroonde niet het leven, maar het werk. De Trap des Ouderdoms riep op tot vlijt, meer dan tot vroomheid. De levensloop was geen lange weg omhoog naar de wijsheid van de ouderdom, maar richtte zich op de prestatieboog van een volwassene, die onherroepelijk neerwaarts zal gaan. Van je leven moest je iets maken. Zo’n 350 jaar gold de afbeelding als standaard voor de burgerlijke levensloop, sinds hij in 1540 voor het eerst op een houtsnede verscheen.
Het beeld bezwoer met zijn opeenvolging van levensfasen het ongewisse tussen geboorte en dood. Door een methodische organisatie van de levensloop kon je als burger de grillen van het lot bezweren. Alles stond in het teken van het werkzame leven. De jeugd was er een voorbereiding op, de oude dag een terugblik. Vanzelfsprekend stond de man model: zijn carrière bepaalde het beeld. De levensloop van de vrouw was daarvan een afgeleide en daaraan ondergeschikt. De zin van haar leven lag in het moederschap en het huwelijk. Mannen produceren en arbeiden, vrouwen reproduceren en zorgen.

omhoog

Christelijke waardering

Zorg werd zozeer beschouwd als een zaak waar vrouwen als vanzelfsprekend bij betrokken waren, dat het in de westerse cultuurgeschiedenis nauwelijks een thema is geweest om over na te denken. Voor een verklaring van deze vanzelfsprekende koppeling van vrouwen aan zorg verwijst de theologe en ethica Annelies van Heijst naar de filosoof Aristoteles, wiens gedachten eeuwenlang van grote invloed zijn geweest.
Volgens Aristoteles was zorgarbeid van tweederangs mensen (niet-burgers: vrouwen en slaven) nodig om het leven van de echte burgers (vrije mannen) veilig te stellen. In feite schildert hij zorg af als een noodzakelijk kwaad, strijdig met het goede leven. Volgens Aristoteles was de vrouw ‘een mislukte man’. Hij meende dat kinderen in de baarmoeder aanvankelijk mannelijk zijn, en bij een storing in ontwikkeling vrouwelijk worden. Verder was Aristoteles van mening dat de vrouwelijke schoot niets anders was dan een soort (passieve) broedstoof waarin het kind werd uitgebroed. Het levengevende (actieve) beginsel werd aangeleverd door de vader. Deze biologische leer over de actieve mannelijkheid en passieve vrouwelijkheid zou later door de theoloog Thomas van Aquino worden overgenomen en eeuwenlang buitengewoon invloedrijk blijven. Tot in de 21e eeuw zijn de echo’s van deze opvatting te beluisteren: als belangrijk telt het maken en niet het onderhouden, het veroveren en niet het behoeden.
In de bijbel worden in het tweede scheppingsverhaal bij de schepping van de mens maken én onderhouden, bewerken én bewaren in één adem genoemd als aanduiding van het hele leven (Genesis 2:15). Arbeid én zorg vormen hier de gelijkwaardige zijden van één medaille. Verderop in dit scheppingsverhaal wordt vaak het aanknopingspunt gevonden voor een seksespecifieke verdeling van arbeid en zorg. Het verhaal van de schepping van Adam en Eva loopt hier slecht af met een seksespecifieke straf: Eva zal met pijn haar kinderen dragen en baren; en Adam zal zich in het zweet moeten werken om zijn brood te verdienen (Genesis 3:16-19). Dit verhaal is veelal opgevat als een (goddelijke) aanwijzing voor de verdeling van arbeid en zorg naar sekse. De schrijvers hebben echter slechts de sekserolverdeling weergegeven die zij om zich heen zagen in de samenleving van hun tijd.
In het jodendom heeft deze tekst de rolverdeling tussen vrouwen en mannen bekrachtigd. Vrouwen werden verantwoordelijk gesteld voor huis, huishouden en opvoeding, terwijl mannen voor de openbare sfeer zorg moesten dragen. Die taak van vrouwen werd echter niet beschouwd als minderwaardig. Haar zorgende aanwezigheid was de grondslag voor de godsdienst. Al was het wel zo dat mannen de leidinggevende godsdienstige rollen vervulden.
De christelijke visie op zorg heeft zijn wortels in het jodendom, maar de tekst van Genesis heeft de rolverdeling tussen de seksen negatiever beïnvloed dan in het jodendom. Toonaangevende christelijke theologen – allen celibataire mannen – zagen de taken van man en vrouw niet alleen als verschillend, maar beschouwden de vrouw, haar lichaam en haar bezigheden als minderwaardig en ondergeschikt aan de man. Omdat Eva pas na Adam wordt geschapen, meenden theologen als Augustinus en Thomas van Aquino dat de vrouw een tweederangs schepsel was. Thomas van Aquino ‘vertaalde’ de inzichten van Aristoteles in een alomvattend theologisch systeem. Dit aristotelisch-thomistische denken, waarin vrouwen onder de man stonden, heeft de westerse cultuurgeschiedenis tot in de 21e eeuw diepgaand beïnvloed. Vrouwen en de zorg (het concrete alledaagse zorgen) die zij gaven, werden beschouwd als secundair.

omhoog

Naar een evenwichtige waardering en verdeling

Eeuwenlang is het vanzelfsprekend geweest dat vrouwen degenen waren die zorgden. De roeping of bestemming van de vrouw was zorgen en die van de man arbeiden. In de loop van de 20e eeuw hebben vrouwen minder zin gekregen in die vanzelfsprekende roeping en bestemming. Sterker nog zij zijn tot de tot ontdekking gekomen dat het ook hun roeping en bestemming kan zijn om een betaalde arbeidscarrière op te bouwen. Maar hoe moet het dan met zorg? Mannen ontdekken schoorvoetend de waarde van zorg, maar vanzelfsprekend is dit nog allerminst.
Een positieve waardering van zorg is nodig! Het besef dat we allen te zijner of te harer tijd afhankelijk waren en zullen zijn van zorg door anderen, kan ons ervan doordringen dat arbeid en zorg, bewerken en bewaren, bij elkaar horen, de zijde en keerzijde vormen van ons leven. Tegelijkertijd brengt een positieve waardering van zorg ons in aanraking met de relationele kant van ons leven, de zorgzame betrokkenheid op elkaar, als een onderdeel van het goede leven. We ontdekken aan zorg, dat we elkaar nodig hebben en van elkaar afhankelijk zijn om volwaardig en gelukkig mens te kunnen zijn.
Een evenwichtige combinatie van arbeid en zorg is alleen maar mogelijk, als daar ook de maatschappelijke voorwaarden voor aanwezig zijn. Wat zijn op dit moment de mogelijke strategieën en scenario’s en wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor een evenwichtige combinatie?

omhoog

Gespreksvragen

1. Hoe waardeert u zelf de combinatie van arbeid én zorg?
2. Wat zijn uw ervaringen op dit gebied?
3. Welke rol speelt uw geloof in uw visie op de combinatie van arbeid én zorg?

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

Naar openingspagina Zondag van de Arbeid 2008

home