home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

Spiritualiteit en diaconie

Jozef Wissink: “Een rijk boek, dat onze studie meer dan waard is en waarover de discussie nog een hele tijd kan duren”OndersteBOVEN,
25(2011)4

Door Joseph Wissink

Inleiding

Henk Meeuws heeft ons een rijk proefschrift gegeven. Wie zijn publicaties van de afgelopen 20 jaar enigszins gevolgd heeft, zal iets van de doorgaande lijn daarvan in het proefschrift herkennen. De auteur haalt de oogst van zijn onderzoekingen binnen. Twee hoofdstukken hebben mij bijzonder getroffen. Ze heten allebei Diaconie - back to basics. Ze lijken me van groot belang voor de spiritualiteit en voor de theologie van de diaconie. Daarom wil ik op deze twee hoofdstukken ingaan, in het bijzonder het eerste.

omhoog

Een fenomenologie van de zorg voor de mens in nood

Henk Meeuws heeft er altijd voor gepleit, dat het vrijwilligerswerk wordt gehonoreerd naar wat mensen er aan inzet en liefde insteken. Zo moet ook de kerk het diaconale handelen waarderen als eredienst aan God. In dit eerste hoofdstuk over de aard van de diaconie probeert Meeuws te tonen, dat je al in een wijsgerige beschouwing een moment van transcendentie kunt ontwaren aan de grond voor de echte zorgende inzet voor de naaste in nood. Theologen kunnen ergens op aansluiten, wanneer ze zeggen, dat vrijwillige inzet pro Deo gebeurt: voor God.
Henk Meeuws gaat niet over één nacht ijs. Hij heeft allerlei studies over wat goede zorg is gelezen. Van Jan Vorstenbosch (Zorg. Een filosofische analyse, Amsterdam, 2005) neemt hij mee, dat goede zorg een terugwijkend doel heeft. Het valt niet samen met de wensen van de zorgontvanger of de mening van de zorgende; er is een grondslag voor de zin van zorg, die zorg-gever en zorg-ontvanger te boven gaat. Vorstenbosch gaat daarbij niet verder dan de waardencultuur, die de zorg omgeeft als transcendente vooronderstelling van het geheel van het zorg-gebeuren. Vorstenbosch blijft met andere woorden bij een vorm van immanente transcendentie staan.
Via Annelies van Heijst (Liefdewerk. Een herwaardering van de caritas bij de Arme Zusters van het Goddelijk Kind sinds 1852, Hilversum, 2003) stoot Meeuws op de grond van het surplus van de liefde, dat Van Heijst in het werk van deze zusters bespeurde op het motief: do quia mihi datum est, ‘ik geef omdat aan mij geschonken is’. Nu is dit bij de zusters natuurlijk een expliciet religieus geladen motief. Van Heijst vertaalt het voor de seculiere menslievende zorg in het motief van de beminnenswaardigheid van ieder mens. Daarmee zijn we in elk geval een driepolige relatie op het spoor: het blijft niet bij een ruilrelatie tussen een zorgverlenende en een klant (do ut des, ‘ik geef opdat jij iets teruggeeft’), maar er is een derde pool bij betrokken.
Dit motief wordt verder uitgewerkt met behulp van Dorien Pessers (Liefde, solidariteit en recht. Een interdisciplinair onderzoek naar het wederkerigheidsbeginsel. Amsterdam, 1999). Zij onderzoekt drie vormen van menselijke gemeenschap, waarin wederkerigheid structureel aanwezig is: de familie, de sociale gemeenschap en de rechtsgemeenschap. Zij ontdekt, hoezeer de vrijgevige relatie tussen gevers en ontvangers bemiddeld wordt door de pool van de genoemde gemeenschappen. Er is wel sprake van wederkerigheid: degenen die goed doen hopen ook goed te ontvangen, maar deze wederkerigheid blijft niet beperkt tot de relatie tussen de gever en de ontvanger. Ouders zorgen voor het leven van hun kinderen, omdat hun ouders dat ook zo met hen hebben gedaan. We stoten weer op het do quia mihi datum. Nog steeds kan deze derde bemiddelende instantie als een soort van culturele symbolische ruimte in termen van immanente transcendentie verstaan worden, al voelt elke gelovige lezer, hoe dicht we in de buurt zitten van de religieus geladen transcendentie.
In de analyse van het werk van oudewijken-pastores van Andries Baart (Een theorie van de presentie. Utrecht, 2001) wordt de overgang naar de expliciet geladen religieuze grond gemaakt. In het ‘laten gebeuren’, dat deze pastores in praktijk brengen, worden mensen uit liefde nieuw geboren. Hier wordt dat gebeuren als ‘schepping (Gods)’, genade onderkend.
De religieuze dimensie van het goede zorgende handelen voor mensen in nood is daarmee niet keihard bewezen, maar we worden ons ervan bewust, dat ze als het ware net om de hoek ligt. Ze wordt niet van buiten aan de zaak aangedragen: de zaak vraagt er zelf om, zij het dat de erkenning ervan niet afdwingbaar (op de manier van de bewijsbaarheid) is. Precies daarmee blijkt deze dimensie de logica van de liefde te volgen, die immers ook niet afdwingbaar is.

omhoog

De theologische analyse van de diaconie

In het theologische hoofdstuk ontmoeten we gemiddeld bekende motieven. De auteur verdedigt opnieuw en met verve zijn brede opvatting van diaconie, waarbij ook de zorg voor mensen in nood, die door niet-christenen gegeven wordt buiten enig kerkelijk verband om, diaconie moet en mag heten. Hij probeert schotten te doorbreken tussen diaconie enerzijds en liturgie, catechese, kerkopbouw en pastoraat anderzijds. Precies daardoor wordt opnieuw duidelijk, hoe wezenlijk diaconie voor kerk-zijn is. Een rijk boek, dat onze studie meer dan waard is en waarover de discussie nog een hele tijd kan duren.

Jozef Wissink is hoogleraar Praktische Theologie aan de Faculteit Katholieke Theologie Tilburg.

Klik hier voor een interview met Henk Meeuws over zijn proefschrift.

Klik hier voor een impressie die prof.dr. H. Noordegraaf - lid van de promotiecommissie en lid van het bestuur van de Stichting landelijk bureau DISK – geeft van het proefschrift van Henk Meeuws.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home