home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

Lange adem en groot geloof

Herman Noordegraaf: “Theologisch blijft voor mij toch de vraag of het spreken over ‘Godsontmoeting’ in het diaconale werk niet te direct is.”OndersteBOVEN,
25(2011)4

Door Herman Noordegraaf

Henk Meeuws is zeker niet de oudste persoon die ooit promoveerde. Hij is immers nog geen 89 jaar oud - de leeftijd waarop Gerard Deems eerder dit jaar promoveerde op een proefschrift over Ariëns. Toch is ook hij al de 65 gepasseerd en dat maakt zijn proefschrift anders dan bijvoorbeeld dat van een assistent in opleiding. Het gedurende tientallen jaren bezig zijn met diaconie is terug te vinden in zijn veelomvattende dissertatie, dat daarmee een levenswerk is geworden.

Documentair en encyclopedisch werk

Dat komt tot uitdrukking in de stofbehandeling, die een grote vertrouwdheid met het diaconale werk, met de kerkelijke discussies daarover (vooral in rooms-katholieke kring) en met de literatuur te zien geeft. Daaruit vloeit mijn eerste typering van de studie voort: het is een documentair en encyclopedisch werk, waarin de lezer veel vindt over de praktijk, het beleidsdiscours en de wetenschappelijke inzichten. De auteur is daarbij ook kritisch over zichzelf. Zo neemt hij in zijn casestudy over de diaconie in het Bisdom Breda zijn eigen adviesnota en de daarmee verbonden procesgang kritisch onder de loep: het was te zeer een masterplan, topdown gelanceerd, om maar enige punten te noemen.

Fundamenteel-theologische doordenking

Met dat alles is echter deze studie nog niet naar haar wezen getypeerd. Al het genoemde vormt de grondstof voor een fundamenteel-theologische doordenking van de diaconie, waarmee de auteur wil aantonen dat diaconie wezenlijk is voor het kerk-zijn. De consequentie van die conclusie is onder meer dat – ik formuleer nu heel vlak – diaconie een hogere prioriteit in het kerkelijke beleid moet hebben. Daarmee is dit werk uitermate beleidsrelevant en aan de wijze van formuleren is te merken dat het proefschrift mede voortvloeit uit verontwaardiging, dat diaconie in het beleid vaak een ondergeschikte plaats heeft.
Wat betreft die doordenking kan gezegd worden, dat Henk Meeuws origineel is in de wijze waarop hij met behulp van onder meer inzichten opgedaan in de zorgethiek en de presentietheorie argumenten weet aan te voeren voor diaconie als Godsontmoeting en daarmee als wezenlijk voor de kerk. De oefeningen in diaconale mystagogie waren daarbij voor mij verrassend, al kan daarbij mijn protestantse onwetendheid een rol gespeeld hebben. Theologisch blijft voor mij toch de vraag of het spreken over ‘Godsontmoeting’ in het diaconale werk niet te direct is. Kunnen we niet beter spreken van ‘heenwijzingen naar God’ of iets dergelijks.

Gulle gevers

Daar voeg ik nog een punt aan toe. De ‘Godsontmoeting’ vindt vooral plaats in de directe ontmoeting tussen mensen. In diaconaal werk is echter lang niet altijd sprake van dat type relaties. Het richt zich ook op mensen die ver van ons af zijn in ruimte en tijd (toekomstige generaties). Ook, en dat is een volgend punt, is de sociaal-economische context van invloed. Ik kan dat illustreren met een citaat uit de tekst die Henk Meeuws als motto aan zijn dissertatie meegeeft en die te vinden is op het tekstbord in de Grote Kerk te Haarlem. Deze bevat een lofzang op de diakenen als gulle gevers, omdat zo mensen in nood overvloedig geholpen worden: “Die rijck’lyck en blijmoedigh geeft / Na dat hem Godt gesegent heeft / En uyt zijn Schat of overvloet / Weldaedichheit aen allen doet…” Enzovoort.
De vraag die echter aan de orde moet komen is: hoe zijn die schatten waaruit zo gul gegeven wordt tot stand gekomen? Dat kan op ordentelijke wijze gebeurd zijn, dat wil zeggen zonder roof of uitbuiting. Maar het kan ook op die wijze vergaard zijn. Ik zeg niet dat die diakenen uit Haarlem die lofzang niet zouden verdienen, maar wel dat we meer informatie nodig hebben om dat te kunnen vaststellen. Dat geldt ook voor hedendaagse weldoeners: hoe zijn de arbeidsomstandigheden in hun bedrijven, maken zij gebruik van kinderarbeid en dergelijke? Kortom, het concept van ‘Godsontmoeting’ verdient verdere doordenking, maar Henk Meeuws heeft wel de weg daartoe gebaand.

Nieuwe vrijwilligers als nutscalculator

Belangrijk zijn ook de beschouwingen over het vrijwilligerswerk waarin hij duidelijk maakt, dat de ‘nieuwe vrijwilliger’ alleen maar een nutscalculator zou zijn, die dus vooral uit is op eigen gewin, op zijn minst eenzijdig is te noemen en soms meer zegt over een blinde vlek bij onderzoekers: vele beschouwingen en onderzoek gaan voorbij aan de existentiële dimensies van vrijwilligerswerk en de visies op zin en het goede leven die daarin tot uitdrukking komen. Wil vrijwiligerswerk, zeker in kerkelijk verband, naar zijn eigen aard gehonoreerd worden, dan moet deze existentiële grondlaag gehonoreerd worden.
Ik heb slechts enkele aren gelezen uit de rijke oogst, die het proefschrift ons biedt. Wij moeten de jonge doctor dankbaar zijn voor de volharding waarmee hij aan die oogst heeft gewerkt!

Herman Noordegraaf is bijzonder hoogleraar/universitair docent voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit vestiging Leiden.

Klik hier voor een interview met Henk Meeuws over zijn proefschrift.

Klik hier voor een impressie die prof.dr. J. Wissink - lid van de promotiecommissie en lid van het bestuur van de Stichting landelijk bureau DISK – geeft van het proefschrift van Henk Meeuws.

omhoog

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home