home

ONDERSTEBOVEN
Tijdschrift van DISK

WAT REST ONS VAN HET 'RODE KAPLEUNKE'?
Over Ariëns, caritas in moeilijke tijden en hedendaagse diaconie

Klik hier om onderstaand artikel Word-document te downloaden.

Alfons Ariëns kapelaan te Enschede (1886-1901).OndersteBOVEN,
27(2013)3

Door Henk Meeuws

Inleiding

Mijmerend over de vraag wat hij zijn toehoorders aan in- en uitzichten zou kunnen bieden, vroeg Henk Meeuws zich peinzend af hoe Alfons Ariëns het zélf zou zeggen naar aanleiding van de woorden in titel en ondertitel van zijn lezing. Hij onderhield zich als het ware met hem over vroegere en huidige kwesties. De uitkomst van dit fictieve gesprek legt hij in de Ariënslezing in enkele punten voor.

Hoewel het kleinerend klinkt in onze oren, was Ariëns beslist ingenomen met de aanduiding ‘het kapleunke’, juist ook vanwege de vertrouwdheid en genegenheid die er uit spreekt. Met dit verkleinwoordje immers eerden de mensen hem om wie hij zich in zijn parochie in Enschede met hart en ziel bekommerde. “Als Alphons Ariëns, 26 jaar, in Rome gepromoveerd tot doctor in de theologie, in 1886 naar Enschede komt, als de nieuwe kapelaan van de Sint Jacobuskerk, weet hij in grote lijnen wat er onder arbeiders leeft. Hij heeft Domela Nieuwenhuis nog niet horen preken, maar hij kent diens heilsboodschap. Hij kent ook de noden van arbeiders. In Italië, waar hij gestudeerd heeft, heeft Alphons gezien onder welke omstandigheden arbeiders daar moeten werken, in de marmermijnen, in de zwavelmijnen. Hij wil nu ook weten hoe de Enschedese arbeiders leven en werken. Wekenlang gaat hij elke dag op huisbezoek bij parochianen. Ze hebben even moeten wennen aan de jonge, broodmagere priester, het ‘vet zit hem niet in de weg’, vinden ze. Sommigen etaleren openlijk hun aangeboren achterdocht, misschien is de kapelaan wel een rijkeluiskind, naar Twente gezonden om voor de fabrikanten te spioneren. Want waarom wil hij alles weten over de arbeiders? Hoeveel ze verdienen, of het gezin rond kan komen, voldoende te eten heeft, hoe lang ze in de fabriek moeten werken, wat ze van de bazen en de patroons vinden, hoe ze wonen, of de kinderen en de vrouwen meewerken. Maar het wantrouwen maakt snel plaats voor bewondering voor de doctor, ‘het kapleunke’, zoals de parochianen hem noemen” (W. Nijholt, Alphons Ariëns, het rode ‘kapleunke’ van de katholieke vakbeweging).
In het huidige Enschede zou Ariëns bevreemd om zich heengekeken hebben. De parochie is wel héél erg veranderd: ’n kapleunke is een ‘vicaris’, de parochianen zijn een stuk ouder en geringer in aantal geworden. Waar is de textielindustrie gebleven, waar zijn de arbeiders, wie zijn de armen? Ariëns zou er enige tijd voor nodig hebben uit te vinden bij wie hij zoals destijds intensief op huisbezoek zou moeten gaan.

ploink

Rood?

Hoe vereerd ook met de aanduiding ‘kapleunke’, toch heeft Ariëns groot bezwaar tegen de titel van mijn lezing: ‘rood’ zou hij zichzelf nooit hebben genoemd, noch zich als zodanig door anderen hebben willen laten kwalificeren. Rood, dat waren de socialisten, en dat waren gevaarlijke lieden als Domela Nieuwenhuis, voor wie Twente zoiets als het Beloofde Land der revolutionaire arbeidersbeweging was: “In alle industrieplaatsen van ons land verkeren de arbeiders in nood; overal zijn onmenselijk lange werktijden en worden hongerlonen betaald, overal bestaat kinderexploitatie en vrouwenslavernij, overal zijn de arbeiders slechter dan beesten gehuisvest. Overal ligt de brandstof voor de revolutie opgehoopt, maar in Twente zal het eerst de vlam van verzet uitslaan. Daar zijn de arbeiders minder godsdienstig, dus minder gedwee en meer ontwikkeld dan elders” (Nijholt, a.c.). Volgens de ‘roden’ hielden alle kapleunkes en hun soortgenoten met hun leugengezemel over de hemel de arbeiders af van hun ware aardse aard en rechten en frustreerden zij hun rechtmatige strijd tegen aardse machtenhebbers. Hier tegenin hield Ariëns vol dat alle materiële gewin niets baat als een mens daarbij schade lijdt aan de ziel. Hij zette zich dan ook af tegen de socialisten: “Wij zijn veel begeeriger dan de socialisten. Zij willen een Paradijs op de aarde, wij willen óók een Paradijs in de Hemel”. Ariëns was ervan overtuigd: “…de godsdienst is noodzakelijk en zonder het geloof een gezonde maatschappij te willen opbouwen stond gelijk met een Babelschen torenbouw (...) Maatschappij zonder godsdienst is een machine zonder olie, een lichaam zonder ziel” (G. Deems, De ‘andere’ Ariëns).
Daarom pleit hij op 14 januari 1891 voor de oprichting van een eigen katholieke vakbond van Twentse fabrieksarbeiders: “Deze bond beoogt [...] U tot goede strijders te maken, strijders voor waarheid, vrijheid en recht. Ieder Uwer op zichzelf kan niet veel: maar allen tezamen zijt gij een groote macht, mits gij U maar organiseert, mits gij slechts één weg uitgaat, een weg aangewezen door beproefde leiders, die gij zelf daartoe uit Uw midden kiest. (...) drie belangen zijn er, die door dezen Bond zeker gehandhaafd en bevorderd zullen worden: (1) Uwe godsdienstige belangen, waarmede die der zedelijke gelijke tred houden; (2) Uwe stoffelijke belangen; (3) Uwe rechtsbelangen” (Nijholt, a.c.).
Geen ‘rood’ kapleunke dus – tenminste: volgens Ariëns zelf. In de ogen echter van het merendeel van zijn geloofsgenoten destijds, vrijwel de hele clerus, aanvankelijk ook alle bisschoppen, vertoonde Ariëns in woord en daad zéér duidelijk socialistische smetten. Want hij aarzelde niet programmatisch te verklaren: “De priester, die bij een lijdende koortslijder komt, zal hem chinine geven, geen rozenkrans. Als hij beter is kan hij den rozenkrans bidden” (Deems o.c.). In de toenmalige wereld van zwartgetoogden en purpergetooiden was Ariëns een witte raaf, die hardnekkig tegengewerkt werd en als ‘rood’ werd uitgekreten (Righart, De katholieke zuil in Europa, 216vv, 244). De armen hadden om uit de ellende te geraken volgens hem meer te verwachten van zelfbestierde arbeidersvakbonden dan van standsorganisaties waarin geestelijken nauwgezet toezicht hielden. “Wat wij thans als vakverenigingsactie kennen was toen nog helemaal contrabande, werd beschouwd als ongeoorloofde naäperij der socialisten, bovendien ook volkomen overbodig en zelfs schadelijk, wijl het alleen maar de goede verhouding tussen patroon en arbeiders kon verbreken” (Righart, 226). Ariëns verdient bij nader toezien wel de aanduiding ‘rood’ – als een soort geuzennaam….
Vandaag de dag zou Ariëns de hele kwestie ‘rooms’ of ‘rood’ volkomen oninteressant vinden: zij doet niet meer terzake. Wezenlijker zou hij de vraag achten wie nu de armen zijn, waar ze te vinden zijn, waarmee zij ten diepste gediend zijn. Zonder aarzeling zou hij daarbij inzetten op elementaire behartiging van hun ‘stoffelijke’ en ‘rechtsbelangen’ zoals hij in zijn tijd deed, ook als dat voor al te ‘geseculariseerd’ of ‘humanistisch’ zou worden uitgemaakt. Hij zou zoals destijds ervan overtuigd zijn dat degenen voor wie men zich inzet niet echt gediend zijn, tenzij zij ervaren dat hun belang tot in hun ziel gediend wordt. In dit licht zou hij zich zeer wel aangesproken kunnen voelen door wat hieromtrent in de beoefening en theorie van de presentie wordt gedaan en gedacht. Vanuit deze inzet zou hij zich kritisch uiten ten aanzien van de in kerkelijke kring heersende beduchtheid, dat bij alle sociale dienstverlening, bij alle diaconie en caritas het verlangen naar een Hemels Paradijs in lucht dreigt op te gaan.

ploink

In moeilijke tijden

Het waren moeilijke en zware tijden waarin Ariëns zijn weg moest vinden. De samenleving dreigde uiteen te vallen. Een zeer kleine toplaag werd rijker en machtiger, een snel groeiende massa werd armer en onmachtiger. Ellende en woede namen zienderogen toe. Ariëns zou – de titel Liefde in tijden van cholera van Gabriel Garcia Márquez parafraserend – mijn ondertitel veranderd hebben willen zien in: ‘Liefde in tijden van misère en colère’. Over wat dit in de samenleving aan godgeklaagd onrecht en lijden voor arbeiders, vrouwen, kinderen in bijv. Twente inhield, is in eerdere Ariënslezingen het een en ander verteld. De misère en colère betroffen evenwel ook de r.-k. kerk aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw. In het (laat) op gang gekomen proces van industrialisatie trokken hele volksstammen arme katholieken uit het zuiden naar de Randstedelijke agglomeraties van Rotterdam en Amsterdam - en werden daar aan hun lot over gelaten. De geloofsvervreemding en geruisloze geloofsafval van deze tienduizenden gingen ongemerkt voorbij aan de clerus in de steden. Er is berekend, dat tussen 1853 (het herstel van de hiërarchie) en 1953 waarschijnlijk een miljoen katholieken verloren zijn gegaan voor de katholieke kerk in Nederland (Righart, 217). In zijn tijd was Ariëns zich als één van de weinigen pijnlijk bewust van het effect dat de industrialisatie had op de geloofsbeleving van katholieke arbeiders. Als één van de weinigen zocht hij naar een echte remedie, maar stootte hij op onbegrip bij zijn geloofsgenoten: “Maar wat is het ongeluk? Dat wij katholieken over het algemeen veel te weinig begrijpen; of indien wij het al inzien, onze krachten versnipperen en niet eendracht front maken tegen dien groote vijand, het moderne heidendom, dat wij onze talenten niet genoeg gebruiken, maar braak laten liggen” (218).

ploink

Caritas

Wat veel te weinig begrepen werd, wat men niet inzag omdat men niet echt buiten de eigen zekerheden wilde kijken, was volgens Ariëns dat men met overtuiging moest inzetten op een langdurig programma van strijd voor ‘maatschappelijke gerechtigheid, christelijk geloof en christelijke liefde’. Wat Ariëns tot zijn verdriet en woede, misère en colère, moest vaststellen was, dat te velen nog steeds alle soelaas verwachtten van strikt beoefende caritas, ruimhartige liefdadigheid, vrome verbanden (zoals de Aartsbroederschap van de H. Familie) waarin arbeiders ervoor behoed zouden worden om zedelijk en godsdienstig van het rechte pad te raken. Ariëns zag het voor zijn ogen gebeuren, dat een dergelijke aanpak niet alleen de arbeiders maar ook de kerk geen heil bracht. Wat de arbeiders en dus de kerk nodig hebben is een organisatie van arbeiders voor arbeiders, waarin zij zelf voor àl hun belangen kunnen strijden: materieel, maatschappelijk, moreel en godsdienstig. Daarom schroomde Ariëns niet, met zijn arbeidersvereniging voor ogen, te verklaren: “Laat men het aantal geestelijken vertienvoudigen, laat men kerken op kerken bouwen, laat men missies op missies geven, de oogst zal betrekkelijk schraal zijn, wat wij voor onzen heiligen godsdienst noodig hebben is de R.K. Vereniging” (G. Deems).
Caritas, christelijke liefde, hield voor Ariëns principieel en fundamenteel in: ieder mens als persoon beschouwen en behandelen, dat wil zeggen: als gelijke, met het volste recht op erkenning als geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, gelijkberechtigd samen met alle andere mensen, in gemeenschap, vrij van bevoogding, mondig, zelfbewust. Het bevorderen en ondersteunen van arbeiderszelforganisatie is voor Ariëns simpelweg caritas praktiseren. Dat bevordert en ondersteunt ook het christelijk geloof. Als je nu toch insisteert op de christelijke caritas in de vorm van liefdadigheid, doe dan - zegt Ariëns - zoals je in het Evangelie wordt voorgehouden: “Indien gij Christus liefhebt, neemt uw zilver en goud, en geef het den armen” (Th. Salemink, Ariënslezing, 11).

ploink

Hedendaagse diaconie

Tot dusverre kon Ariëns bij de woorden in de titel en ondertitel van mijn lezing zich het een en ander denken. Bij het laatste woord echter, ‘diaconie’, zou hij het spoor bijster raken. Dat woord kende hij niet. Hij kende wel het begrip ‘diaconaat’ ter aanduiding van de hogere wijding voorafgaand aan die van het priesterschap. Ik moet hem dus duidelijk zien te maken wat mij voor ogen staat, als we het over hedendaagse diaconie hebben.
Ik moet Ariëns dan eerst vertellen, dat onze hedendaagse situatie radicaal verschilt van die waarin hij leefde en werkte. Ik moet hem dan de grote lijnen schetsen van de maatschappelijke ontwikkelingen sedert hij de aanzet gaf voor de oprichting van de eerste echte vakbond van katholieke snit: het ontstaan van een heel netwerk van verzuilde maatschappelijke en kerkelijke organisaties, de Tweede Wereldoorlog, de opbouw van de verzorgingsstaat, de groei van de economie, de processen van sociale differentiatie en individualisering, de toename van de welvaart, het Tweede Vaticaans Concilie, de processen van secularisering en kerkverlating, mondialisering en informatisering, de economische crises… Het zou hem duizelen.
Caritas, christelijke liefde, hield voor Ariëns principieel en fundamenteel in: ieder mens als persoon beschouwen en behandelen.En in dat onoverzichtelijke immense veld van de moderne samenleving, zou ik vervolgens ‘diaconie’ kunnen situeren aan de hand van een min of meer omvattende omschrijving ervan zoals bijv. in het handboek diaconiewetenschap Barmhartigheid en gerechtigheid: “Onder diaconaat/diaconie verstaan we het handelen vanuit en door kerken en andere door het evangelie geïnspireerde groepen en bewegingen dat gericht is op het voorkómen, opheffen, verminderen dan wel mee uithouden van lijden en maatschappelijke nood van individuen en van groepen mensen en op het schappen van rechtvaardige verhoudingen in kerk en samenleving” (p. 392). Ariëns zou op deze woorden ongetwijfeld even moeten kauwen om te kunnen vatten wat er precies staat, maar per slot van rekening was hij doctor, gepromoveerd, dus dat zou hem ten slotte wel lukken.
Hierna zou ik hem dan een zeker overzicht kunnen bieden - via websites, of middels mijn boek Diaconie - van het vele en veelvormige dat onder het kopje diaconie op alle mogelijke plekken in en buiten parochies gedaan wordt door talrijke mensen, al of niet in officiële verbanden georganiseerd. Hij zou zeker onder de indruk zijn. Toch vermoed ik dat al deze informatie hem onbevredigd zou laten als te abstract, te weinig concreet, te weinig persoonlijk, te weinig vlees en bloed. Hij zou er de passie en de compassie in missen, de diepe blik ook, het boren naar de ervaringsgrond waarop gezegd kan worden: ‘Wat baat het je dit allemaal te winnen, terwijl je schade lijdt aan je ziel?’. Ariëns zou denk ik met de vraag blijven zitten, hoe het in dit alles nu eigenlijk staat met geloof, hoop en liefde.

ploink

Verhalen met een kern

Om hem daaromtrent wat verder te helpen, zou ik hem ten slotte een praktijkverhaal vertellen, een getuigenis uit de wereld van wat wij ‘inloophuis’ of ‘aandachtcentrum’ noemen. Ik zou ook een verhaal kunnen doorvertellen uit de werelden van de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, de omgang met gehandicapten, voedselbanken, omgang met vreemdelingen, maatjeswerk, mantelzorg, enzovoorts. In al deze werelden gaat het ten diepste om de inzet voor hoop tegen wanhoop, geloof tegen ongeloof en wantrouwen, liefde tegen onverschilligheid en cynisme - en daarbij dient zich steeds de vraag aan hoe je dat organiseert. Dat zou Ariëns natuurlijk zéér interesseren, want organiseren deed hij volop, en dat deed hij door zich voortdurend af te stemmen op hoop, geloof en liefde. Zo afgestemd zijn is echter niet vanzelfsprekend - dat moet en kun je leren, daar heb je leermeesters voor nodig. Ariëns was zo’n leermeester. Zijn biograaf Gerard Brom tekent op, dat Ariëns een hoge mate de kunst verstond zó met een andere persoon in gesprek te gaan, dat die ander gaandeweg een nieuw inzicht ontdekte als zijn eigen inzicht. Gerard Deems noemt dit: de majeutische methode, dat is: de methode van de vroedvrouw. Ik noem deze weg: de weg van de mystagogie. Daarover zo dadelijk iets meer. Nu vertel ik u (en Ariëns) eerst het verhaal dat ik in het vooruitzicht stelde.

ploink

Diaconale mystagogie

Het gebeurde onlangs in het inloophuis van het Diaconaal Centrum Eindhoven. Eén van de werkers daar, Els Keet, bericht erover: “Eric, een gast, merkte pas op, dat ons huis voor hem heilige grond is: heilige grond die niet bezoedeld mag worden. Ik vroeg wat hij hier mee bedoelde. Hij vertelde mij, dat het de enige plek voor hem in Eindhoven is, waar hij mensen kan vinden die er voor hem zijn en die hem helpen en ondersteunen. ‘Jullie zijn er altijd voor mij’, zegt hij, ‘wat ik ook gedaan heb. Je helpt als het leven donker is en dat is heilig. Dat moeten wij eerbiedigen en hier mogen we geen ruzie maken’. Zijn betoog doet hij vol emoties”. Het inloophuis waar deze ‘heilige grond’ zich bevindt, heet - dat kan niet anders, dat is providentieel - het Hemeltje (zie: T. Schlatmann & R. van Waarde, Zo wordt het spel gespeeld. Over empowerment en gemeenschap. Een praktijkonderzoek, Ootmarsum 2012).
Hiervoor wil ik uw aandacht vragen: in het meest onaanzienlijke, daar waar het niet verwacht wordt, daar is heiligheid verborgen. En de meest eenvoudige, een man zonder macht of aanzien, openbaart dit mysterie: “Dit is heilige grond”.
Toen Erik van het Hemeltje uitriep: “Dit is heilige grond!” zei hij dat niet bij wijze van spreken, bedoelde hij dat niet als een metafoor, als een treffende beeldspraak. Hij uitte zich met grote ernst, hij sprak over een echte werkelijkheid, hij wees op een feit dat hij zelf ten diepste als waarheid ervoer. Hij sprak als het ware een belijdenis van geloof, hoop en liefde uit. Zo sprekend duidde hij de mensen om hem heen op het mysterie van hetgeen zo doodgewoon lijkt te zijn: een medemens als beminnenswaardig bejegenen, wat er ook gebeurt, juist ook als het leven donker is, dat is heilig! Dat is zijn ervaring. Ervan getuigend wordt hij mystagoog.

ploink

Diepe persoonlijke beleving

Mei 1901 is Ariëns (tweede rij links) aanwezig bij de feestelijke aanbesteding van het Verenigingshuis Concordia.In ‘mystagogie’ worden twee Griekse woorden gecombineerd: mysterion, (geheim, mysterie) en agoo (inleiden, begeleiden, voeren, zoals in pedagogie of andragogie). Een mystagoog is iemand die een ander begeleidt op de weg van inwijding in het mysterie; degene die wordt ingewijd wordt myste (geloofsleerling) genoemd. In de tijd van de Kerkvaders was mystagogie uiterst belangrijk in het proces waarin mensen tot geloof kwamen en lid werden van de kerk. Grondovertuiging was, dat de mysten éérst een diepe persoonlijke beleving moesten opdoen van de geloofswerkelijkheid waartoe zij toegang zochten, vóórdat en opdat zij vervolgens konden gaan verstaan wat daarover in inhoudelijke uiteenzettingen werd gezegd. Die persoonlijke beleving werd opgedaan in een eerste periode van inoefening van christelijk leven in naastenliefde en vervolgens verdiept en bevestigd in de liturgische viering van de paasnacht, de initiatie in de sacramentele geheimen van doop, zalving en eucharistische gemeenschap. Pas daarna werd in mystagogische catechese en prediking verduidelijkt wat de betekenis is van hetgeen zij ervaren hadden.
Deze mystagogische praktijk is in de loop der eeuwen in onbruik en vergetelheid geraakt. Totdat zij in de jaren ’60 van de vorige eeuw opnieuw bepleit werd door met name de Duitse theoloog Karl Rahner. Hij was ervan overtuigd dat het gangbare inhoudelijk geloofsonderricht aan het eind van z’n Latijn was, en stelde: “De vrome van morgen zal een ‘mysticus’ zijn, iemand die iets ‘ervaren heeft’, of hij zal niet meer zijn”.
Dit nu lijkt mij voor Ariëns geheel begrijpelijk en invoelbaar te zijn: hij zelf getuigt ervan dat juist zijn solidariteit met de armen, de arbeiders, vrouwen en arbeidersgezinnen van zijn tijd, hem gevoerd heeft op de weg van geloofsverdieping. Dit ‘spirituele’ aspect van de doodgewone inzet voor de behoeftigen, armen, mensen in nood, is niet alleen van belang voor de ‘vrome’, het is van groot belang voor ieder die zich oprecht en ter zake - recht doend aan ons menselijk bestaan, aan onze humaniteit - wil inzetten voor wie zorgzame inzet nodig heeft.

ploink

Concreet engagement en moed

Van het feitelijk, organisatorisch werken van Ariëns rest ons vrijwel niets. De katholieke arbeidersbeweging bestaat niet meer, zijn r.-k. vrouwenbewegingen zijn ter ziele, voor Sobriëtas echter is er nog een mer-à-boire. Veel van Ariëns gedachtegoed is in de samenleving min of meer gerealiseerd, leeft ook voort in de sociale leer.
Maar opnieuw leven we in moeilijke tijden, zowel in de maatschappij als in de kerk. Heel anders dan ten tijde van Ariëns, maar toch. Er is crisis – en het wordt steeds meer duidelijk dat die niet overwonnen kan worden als we niet dieper leren peilen dan de economie en buiten de gangbare kaders durven kijken, ook in de kerk.
Onlangs verscheen in Trouw een betoog van de econoom Hans de Geus. Naar aanleiding van het doorgewinterde economische beleid van en de ervaringen van werknemers bij Douwe Egberts merkt hij op: “De vraag is wat deze manier van ondernemen, werken en met mensen omgaan op langere termijn met de maatschappij doet, met hoe we ons tot elkaar verhouden, met vertrouwen in elkaar en uiteindelijk ook met vertrouwen in onszelf. (….) Want wanneer ben jíj aan de beurt om de loser te zijn? Die continue dreiging, onlosmakelijk verbonden met de vrije markt ideologie, ondermijnt sluipenderwijs ons individueel en gezamenlijk welzijn” (Trouw bijlage Letter & Geest, 1 december. 2012, p. 5). En dezer dagen verscheen in Nederlandse vertaling het nieuwste boek van de Franse filosoof Luc Ferry: Een pleidooi voor liefde als toekomst voor de mensheid. We vinden het misschien allemaal wat vaag en hoogdravend. Als ik Ariëns goed begrijp is er concreet engagement en moed voor nodig om onze tijd te kunnen begrijpen.

ploink

Wat rest ons van Ariëns?

Niet zijn organisaties, wel zijn oproep om serieus te proberen onze eigen tijd te verstaan in haar fundamentele dynamiek
Niet zijn milieu, wel de weg die hij wijst je met hart en ziel te begeven in de wereld van de meest onaanzienlijken
Niet zijn tegenstanders, wel zijn uitdaging de moed te hebben je uit te spreken.
Niet zijn typisch priesterlijke vroomheid, wel zijn gedurfde volhouden van de optie voor geloof, hoop en liefde.

Henk Meeuws is diaconaal onderzoeker. Hij promoveerde in 2011 op het proefschrift Diaconie - Van grondslagenonderzoek tot een pleidooi voor een diaconale mystagogie. Meeuwsj sprak bovenstaande tekst uit als Ariënslezing 2013 op 26 april jl. in Enschede.

ploink

Naar andere artikelen OndersteBOVEN

home