home

SIGNALEMENTEN
VAN ARBEIDSPASTORAAT DISK

IS ARBEID HET CEMENT VAN ONZE SAMENLEVING?
Uit het jaarverslag 1998

Elk jaarverslag van de Stichting landelijk bureau DISK opent met een beschouwing, waarin we beeldend en bezinnend omschrijven wat we ontmoeten en hoe we er mee omgaan. Het essay vertolkt een inhoudelijk signalement van het bestuur over actuele ontwikkelingen rond arbeid, zorg en inkomen in dat jaar.

Arbeid als cement van de samenleving
Primaire en secundaire burgerrechten
Individuele levensscenario's
De meeste kerken weten het niet
En toch worstelen kerken met economie
Draait de samenleving rond arbeid?
Arbeid, zorg en participatie
Economie: een zaak van geloven
Verarming en verrijking
Oecumenisch netwerk kerken en landbouw

We kijken terug op 1998, het beste economisch groei-jaar in de afgelopen twintig jaar. Beleggers en bezitters zagen hun kapitaal fors toenemen. En we kijken vol verwachting uit naar het tweede millennium, dat in 2000 begint. We hebben het goed voor elkaar. 'We are the best'.

Dan kijken we even niet naar de daklozen en drugverslaafden. We vergeten de 6.500 huisuitzettingen van 1998. We negeren de armoede en verslonzing van de openbare ruimte of de armoede in de zorgsector. We zijn kwijt, dat mensen om niks doodgeslagen of doodgeschoten worden. We herinneren ons niet de grote fraudes op de beurs of de grote leugens daaromtrent. 'Are we the best?'

Arbeid als cement van de samenleving

In de jaren negentig is Nederland in sneltreinvaart uitgebouwd tot een werkmaatschappij. De rapporten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid 'Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren negentig' (1990) en 'Tweedeling in perspectief' (1996) zijn de ontwerpen voor dit sociaal-economisch beleid. Niet een vrijetijdsmaatschappij of een basisinkomen creëert de maatschappelijke samenhang, maar betaalde arbeid.

Eén van de centrale stellingen van de WRR is, dat er rond betaalde arbeid in de laatste twintig jaar een paradigma-wisseling heeft plaatsgevonden. Deze wordt beschreven op pagina 125-133 van het rapport uit 1996. Kort gezegd betoogt de Raad het volgende.

Het eerste paradigma was bescherming van arbeid tegen de uitwassen van het kapitalisme, o.a. via bescherming van de bestaanszekerheid. Kernbeleving van arbeid was toen vervreemding. Later is de mens in arbeid als kernbeleving ontplooiing gaan vinden. Tegelijk met deze verschuiving is de beroepsarbeid veranderd. Veel banen zijn verschoven van de eerste twee sectoren: landbouw/visserij en industrie naar de derde en vierde sector: zakelijke dienstverlening en niet-commerciële dienstverlening. Rond arbeid heeft het paradigma zich ontwikkeld van bescherming naar participatie. "De algemene opvatting luidt tegenwoordig dat het missen van de mogelijkheid om aan de centrale processen van de samenleving deel te nemen - en arbeid heeft binnen het geheel van de processen inmiddels een sleutelpositie verworven - tot uitsluiting en achterstelling leidt. De geijkte vormen van bescherming zijn tekort gaan schieten." (pag. 129).

De WRR concludeert tenslotte tot een scenario, dat sindsdien onverkort in het sociaal-economische beleid wordt voortgezet. "Voor het beleid betekent dit, als gezegd, dat de nieuwe sociaal-economische ontwikkelingen vooral dienen te worden benut voor een versterkte beweging in de richting van waarborging van werk. Als werk de belangrijkste weg wordt waarlangs de voorwaarden voor sociale integratie kunnen worden gerealiseerd, ligt daar een kerntaak van de overheid. Gaat men ervan uit dat de taak van de overheid als geheel kan worden getypeerd als het mogelijk maken van de samenleving, dan betekende dit voorheen het bieden van een financieel bestaansminimum aan alle burgers; tegenwoordig wordt steeds duidelijker dat alleen de beschikking over financiële middelen van bestaan niet toereikt voor werkelijke maatschappelijke participatie, waardoor waarborging van werk een steeds belangrijker functie van de sociale zekerheid zal worden. Het is zelfs niet onmogelijk dat een dergelijke waarborg de primaire functie van het zekerheidsstelsel van de eenentwintigste eeuw zal worden. Alleen in die gevallen waar de waarborg van werk geen maatschappelijk doel dient (bijv. bij arbeidsongeschiktheid, bij ziekte, bij het verrichten van zorg- en opvoedingstaken, bij studie) zal, bijvoorbeeld via een Algemene Verlofwet, de financiële waarborg voorop blijven staan. In alle andere gevallen is de financiële waarborg - in de letterlijke betekenis van het woord - secundair aan de waarborg van werk. Naar het oordeel van de Raad ligt hier een belangrijk toetsingscriterium voor toekomstig sociaal beleid." (pag. 150).

Deze visie van de WRR houdt in, dat voor het sociaal-economische beleid betaalde arbeid nu en in de toekomst het voornaamste zingevings- en integratiekader is, dat samenhang geeft in de samenleving. Andere kaders, die afkomstig zijn van gezin, vereniging, belangengroep, politieke partij, buurt, school en kerk hebben last van desintegratie en geven dus minder samenhang. In de visie van beleidsmakers wordt het leven teruggebracht tot één dimensie, die van de betaalde arbeid. Betaalde arbeid als het cement van de samenleving.

Primaire en secundaire burgerrechten

Het merkwaardige van deze werkmaatschappij aan het einde van de jaren negentig is, dat ze zowel heel tolerant is geworden als tegelijk zeer dwingend. We verhelderen deze waarneming met de beschrijving van twee kenmerken, waarbij we ons realiseren dat we complexe werkelijkheid terugbrengen tot een bepaalde manier van kijken.

Het eerste kenmerk bestaat uit een ontwikkeling rond de rechten en plichten, die voortkomen uit het sociale contract tussen burger en staat. We signaleren dat in de jaren negentig de politieke rechten worden gekoppeld aan de economische rechten en die laatste verkrijgen daarmee de overhand.

Primair in de huidige samenleving is geworden het waardenpatroon van de burger, die met betaald werk economische zelfstandigheid verwerft en daarmee toegang tot allerlei markten, waarin hij/zij de consumentbehoeften kan uitleven. Denk bijvoorbeeld aan de banenmarkt, de vakantiemarkt, de woningmarkt, de botenmarkt, en de luxe goederenmarkt. Achter dit patroon gaat op het betaalde werk veel prestatiedwang en stress schuil, die in de vrije tijd uitgeleefd moeten worden.

Secundair zijn vervolgens geworden de sociale rechten van burgers, die niet in staat zijn aan het volledig burgerschap volgens de gangbare normen te voldoen. Zij krijgen hulp in het voorzien van hun bestaanszekerheid. Zij blijven vrije burgers, maar moeten voor die hulp aan allerlei strenge criteria voldoen, o.a. van publieke controle. Om toegang te krijgen tot een uitkering uit de Bijzondere Bijstand, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een bril, moet iemand vaak acht pagina's vragen beantwoorden en van het laatste halve inkomensjaar alle in- en uitgaande posten laten zien. De toezichthouders namens de staat beschikken ook over strafmiddelen. Als een uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan de criteria, ontstaat de verdenking van fraude en is straf door middel van korting op de uitkering mogelijk. De Wet Boeten en Maatregelen is een harde wet.

Het geheel van rechten en plichten lijkt veel vrijheid en tolerantie in te houden, maar we zien dat de hele samenleving feitelijk afhankelijk wordt van de economisch georiënteerde waarden. Zowel de economisch zelfstandige burger die iets te consumeren heeft, als de niet in eigen geld voorzienende burger leiden een leven, dat de nadruk legt op arbeid en geld: het economisch circuit van de monetaire ruil.

Individuele levensscenario's

Een tweede kenmerk van onze samenleving, zoals wij dat waarnemen, uit zich in de tendens, dat elk mens een individueel levensontwerp kan maken c.q. kiezen en dat kan nastreven. Binnen dat levensontwerp kan die mens eigen waarden en overtuigingen ontwikkelen, die daarbij passen. Of mensen gebruiken waarden als basis van hun levensontwerp. Levensbeschouwingen en tradities worden daarbij als bronnen gebruikt. We zien een nimmer vertoond scala van meningen en visies, die op het terrein van de sociale ethiek en politiek met elkaar in discussie raken. Het kan ook zijn, dat ze helemaal niet in discussie raken. Elkeen is zo met zichzelf bezig dat de ander een passant wordt. Ook hier lijkt een patroon van vrijheid en tolerantie dominant.

Maar dit individuele levensscenario moet zich verhouden met het dominante patroon van de samenleving. Wie scherp toeziet kan leren, dat het individu steeds meer afhankelijk wordt van economisch georiënteerde waarden.

We signaleren, dat in ons land, dat zich beleidsmatig helemaal oriënteert op betaald werken, de economische rationaliteit, als motor van de arbeidswereld, dominant wordt. Het prijsbewuste, kostenbesparende, instrumentele en op winst en welvaart mikkende denken sijpelt door alle geledingen en sectoren van het menselijk leven heen. Het is gericht op economische groei en vooruitgang. De manier bij uitstek is de werking tussen vraag en aanbod op een markt. De verhoudingen worden uitgedrukt in een prijs: geld. Elk aspect van menselijk leven kan teruggebracht worden naar deze formule. De historie heeft geleerd, dat arbeidsdeling en marktwerking een bijdrage leveren aan het verwerven van meer welvaart. Daarin zijn het middelen, die mensen gebruiken om andere doelen te bereiken. Wat we recentelijk zien gebeuren, is dat de middelen tot hoofddoel worden. Alles wordt in dienst gesteld om meer geld te verwerven.

Alles anders dan geld wordt dus ook minder waard, zoals bijvoorbeeld zorgarbeid, onderwijs geven aan kinderen, opvoeden van kinderen. Om bijvoorbeeld een baan te krijgen, moet je presteren in de wedren van het onderwijs. Om bijvoorbeeld je baan te behouden kan je frauderen (de hand lichten met regels), of het milieu beschadigen, of mensen pijn doen. De druk op mensen kan zo groot zijn, dat mensen de waarheid gaan verdraaien of zelfs liegen. Ook mensen in een uitkeringspositie willen de uitkering behouden, en kunnen dus frauderen, of het milieu beschadigen, of mensen pijn doen.

De paradox, die we zien is de volgende. Aan de ene kant lijkt onze samenleving een veelheid aan sociaal-ethische concepten en scenario's te bevatten. Aan de andere kant is de afhankelijkheid van en de dwang die uitgaat van de economisch georinteerde waarden zeer groot. Hoe nu met deze paradox om te gaan?

De meeste kerken weten het niet

We vinden het opvallend, dat deze kenmerkende ontwikkelingen van het laatste decennium voorbij lijken te gaan aan het kerkelijk leven. Van oudsher zijn parochies en gemeenten territoriale gemeenschappen, waarin de taken van vieren, dienen en gemeenschap beleven vooral in het dorp, de buurt of wijk uitgeoefend worden. De meeste kerken hebben een zwakke traditie als het gaat om de sociaal-economische ontwikkelingen in het eigen kerkleven te betrekken. Natuurlijk zijn ze ingesteld om noden te signaleren en waar ook mee te helpen oplossen. Het diaconale gezicht van kerken is behoorlijk ontwikkeld. Ook hebben ze een antenne voor missionaire inzet, met name naar landen buiten Nederland en Europa. De steun voor missie en zending is aanzienlijk. Maar deze kwaliteiten steken toch mager af als het gaat om een antwoord geven op de dominante ontwikkelingen in de eigen samenleving.

En toch worstelen kerken met economie

De gesignaleerde dominante manier van denken en doen in onze maatschappij zien we ook in kerken opduiken. En wel dagelijks. Kerken zijn ook een stukje samenleving en kennen een eigen economie. Nu ledentallen teruglopen, professioneel kader een salaris verdient en kerkgebouwen duurder worden, staat deze noodlijdende economie vaak op de agenda. Het regent dan woorden, die bekend zijn uit de bedrijfswereld: bezuinigen, efficiënt omgaan met beschikbare middelen, reorganiseren, fuseren. Mikken op kwaliteit wordt vertaald in minder inzet van professioneel kader en meer van vrijwilligers. In plaats van buurtkerken ontstaan regionale kerken en regionale pastorale teams. De rooms-katholieke bisdommen reorganiseren en richten hun kerk grootschalig in. De hervormde en gereformeerde kerken fuseren. Ook hier ontstaat, zeker in de steden, schaalvergroting. Grote spanningen worden zichtbaar tussen de idealen van geloven met daarin een kritische tendens tegenover de economische rationaliteit en het winststreven en de feitelijkheid.

Draait de samenleving rond arbeid?

De WRR stelt dat bij het opstellen van sociaal-economisch beleid betaalde arbeid en de organiserende economische rationaliteit in de volgende eeuw het voornaamste zingevings- en integratiekader is, dat samenhang geeft aan de samenleving. Betaald werk als cement van de samenleving. We hebben ten opzichte van de mate van waarschijnlijkheid van deze stelling een kritische instelling aangenomen. In ons programma van 1998 zoeken we naar welke gevolgen dit alles heeft voor samenleven en geloven. Enkele hoofdlijnen zijn de volgende.

Arbeid, zorg en participatie

Ons jaarthema is 'de waarde van arbeid'. Dit komt tot uitdrukking in de boekjes rond de zondag van de arbeid en het werk van de DISK Taakgroep Vrouw en Arbeid. In de DISK Studiereeks verschijnen stevige bijdragen aan een gedifferentieerder begrijpen van arbeid. Naast de inzet om 'arbeid' te omschrijven als breed begrip, dat betaalde én onbetaalde, formele én informele arbeid insluit, zoeken we naar andere criteria om de waarde van arbeid aan te geven dan de beloning. Zoals het opvoeden van een volgende generatie of het werken aan een duurzaam milieu. Uit die criteria ontwikkelt zich een ander basisbegrip om de maatschappij en het economisch handelen te omschrijven: zorg(arbeid). Dat basisbegrip leidt naar het onderkennen van de grote waarde van de economische circuits van herverdeling en wederkerigheid naast dat van de monetaire ruil.

We hebben in de discussie over de rol en betekenis van arbeid in onze huidige maatschappij benadrukt, dat in sociaal-economische beleidsdiscussies de deelname aan betaalde arbeid niet het voornaamste uitgangspunt kan zijn. Het gaat om de participatie van zoveel mogelijk mensen aan zoveel mogelijk taken in de samenleving. Ons pleidooi om maatschappelijke participatie en niet 'werk, werk en nog eens werk' tot uitgangspunt te nemen hebben we ingezet tijdens het debat rond de Kaderwet Arbeid en Zorg, die het kabinet Kok II in 1999 wil invoeren.

Economie: een zaak van geloven

Als Arbeidspastoraat DISK weten we, dat er naast de betaalde arbeid en economische rationaliteit nog andere zingevings- en integratiekaders zijn, die van invloed zijn in het samenleven. Bijvoorbeeld die zich richten op de toekomst van mensen onder elkaar en/of op de geschiedenis, die voortvloeit uit de relatie tussen mensen en God. We vinden het van belang om die andere bronnen in kaart te brengen in relatie tot de gesignaleerde dominante tendens van betaalde arbeid en economische rationaliteit. In de campagne 'Economie: Een zaak van geloven' hebben we dit gesprek intensief en argumentatief voortgezet. Met name hebben we benadrukt, dat naast het economisch circuit van de monetaire ruil de circuits van herverdeling en wederkerigheid een grote rol spelen in onze samenleving. In 1997 hebben we de Open Brief 'Dienst aan het Leven' gepresenteerd en op 25 april 1998 hebben we tijdens de Derde Kerkendag het gehele dossier met reacties overhandigd aan de leden van de Raad van Kerken in Nederland.

omhoog

Verarming en verrijking

De regering van ons land maakt betaalde arbeid tot hoofdlijn van het sociaal-economische beleid. Processen als verrijking en verarming zijn signalen uit de werkelijkheid, die het ideaalbeeld verstoren. Als arbeidspastoraat DISK en de Raad van Kerken in Nederland stellen we sinds 1987 armoede en verarming aan de orde. Na tien jaar campagne onder het motto 'Armoede is onrecht' heeft het bestrijden van armoede ook een politieke erkenning gekregen. We blijven signaleren dat de oplossing via de leus "iedereen aan het betaalde werk" niet werkt. Alle inzet ten spijt blijft een grote groep mensen op de economie van herverdeling aangewezen.

Sinds 1997 hebben we daarom binnen deze campagne nadrukkelijk de kant van verrijking en rijkdom meegenomen. Deze activiteiten bundelen we sinds dit jaar onder het motto 'Gelijker = Rijker'. Na verkenningen rond rijkdom, na debat over de inrichting van ons belastingstelsel, hebben we de blik gericht op de sociaal-ethische bijdragen, die uit de grote tradities komen. We signaleren dat een nadruk via de betaalde arbeid in het economisch circuit van de ruil en de verrijking die daar plaats vindt, leiden tot een onderwaardering en een verarming van de circuits van herverdeling en wederkerigheid. We signaleren dat verrijking juist plaats vindt in het monetaire circuit, dat zich grotendeels heeft losgemaakt van de op arbeid van mensen gebaseerde economie.

omhoog

Oecumenisch netwerk kerken en landbouw

De agrarische sector krijgt in de jaren negentig steeds meer problemen te verwerken. Het is een terrein, waar technologie, schaalvergroting en marktwerking voortdurend van grote invloed zijn. De werkgelegenheid is krimpend, terwijl de productiviteit toeneemt. Grote ondernemingswinsten gaan gelijk op met faillissementen. Naast de risico's van weer, omzet, marktwerking en prijs zijn die van milieu en ziekte toegenomen. Die aandacht voor wat in deze sector gebeurt is aan kerken en arbeidspastoraat niet voorbij gegaan. Binnen het Oecumenisch netwerk kerken en landbouw kunnen pastorale en diaconale initiatieven met elkaar in gesprek komen, terwijl belangengroepen een weg vinden naar ook kerken voor hun vragen en signalen.

omhoog

Naar andere signalementen

home