home

SIGNALEMENTEN
VAN ARBEIDSPASTORAAT DISK

BEZIELING EN ONTGRENZING
Uit het jaarverslag 2001

Elk jaarverslag van de Stichting landelijk bureau DISK opent met een beschouwing, waarin we beeldend en bezinnend omschrijven wat we ontmoeten en hoe we er mee omgaan. Het essay vertolkt een inhoudelijk signalement van het bestuur over actuele ontwikkelingen rond arbeid, zorg en inkomen in dat jaar.

Inleiding
Globalisering als ontgrenzing en begrenzing
Globalisering als de achtergrond van thema’s in 2001
Flexibilisering tussen ‘vrijwilligheid’ en ‘tucht’
Flexibilisering en globalisering
Bezieling
Bezieling en ontgrenzing
Niet zonder risico’s
Ict en ontgrenzing
Waakzaam

Inleiding

Na elf september kunnen we er niet meer omheen. We leven in een globaliserende wereld. Slechts luttele seconden houden ons gescheiden van het plaatsvinden van een ramp, zoals die zich voltrok in New York, en de berichten die we erover kunnen volgen via de media. Afstanden en grenzen zijn relatief geworden, maar daarmee zijn de kloven tussen oost en west, noord en zuid, rijk en arm nog lang niet overbrugd. ‘Integendeel’ zouden we na elf september kunnen zeggen, met de oorlog die de Verenigde Staten tegen ‘het internationale terrorisme’ heeft ontketend. Een terrorisme dat voor een deel zijn voedingsbodem in dergelijke kloven heeft.

In het werk van het landelijk bureau DISK is globalisering geen apart aandachtsveld, het is wel een dimensie van thema’s waar we ons in 2001 mee bezig hebben gehouden. We zullen dat in dit openingsessay aanstippen en toelichten. Daarnaast willen we ons aandachtiger verdiepen in één thema, namelijk ‘flexibilisering als de binnenkant van globalisering’. In de volgende alinea leiden we dit kort in.

Het afgelopen jaar waren woorden als ‘spiritualiteit’ en ‘bezieling’ nogal populair, zeker in de combinatie met woorden als ‘werken’ en ‘ondernemen’. We zouden kunnen spreken van een actueel managementvertoog dat zich aandient onder de slogan ‘werken met bezieling’. In dit ‘nieuwe’ werken neemt het flexibel omgaan met ruimte en tijd een belangrijke plaats in. Het ondernemen en werken met bezieling enerzijds en het fenomeen flexibilisering anderzijds lijken samen een explosief mengsel te vormen dat een hoogwaardige brandstof is voor onze economie.

Het is deze verbinding van bezieling en flexibilisering die ons in een tijd, waarin naar verhoging van de arbeidsproductiviteit gestreefd wordt, intrigeert, maar ook zorgen baart en wel vanwege het volgende. In het ‘verbrandingsproces’ van het productie- en arbeidsproces lijkt bezieling in verband met flexibilisering bij de betrokken werkgevers en werknemers als een ontgrenzing naar binnen toe te werken. Met dat ze zich in een bezielde werkhouding opstellen werkt flexibilisering op een bijna geruisloze maar indringende wijze door op hun identiteit. Wat is het risico van deze werkhouding in relatie tot de grenzeloze eisen van een wereldwijde (arbeids)markt? Met de aandacht voor deze vraag willen we geen laatste woord spreken, maar op prikkelende wijze een actueel thema aansnijden.

omhoog

Globalisering als ontgrenzing en begrenzing

Globalisering betekent dat de markt wereldwijd grenzen slecht. Met de globalisering wordt de economie in principe grenzeloos. Een wereldwijde ruimte ontstaat waarin goederen en diensten grenzeloos geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd worden. Dat is tenminste het ideaal dat in een pleidooi voor globalisering te ontwaren valt. De praktijk is een economie die in de eerste plaats gericht is op het rendement van productie, distributie en consumptie. ‘Wereldwijd’ houdt daarbij al snel in dat de economie zich richt op die regio’s die renderen. De grenzen tussen regio’s worden hierbij niet meer getrokken door soevereine staten, maar door de markt. Zo stellen niet de delen – soevereine staten - grenzen, maar legt datgene wat de zin van het geheel bepaalt – de markt – zijn grenzen op. De markt ontgrenst en begrenst. Globalisering betekent op deze wijze zowel ontgrenzing als begrenzing. De inhoud van de markt wordt bepaald door de kapitaalaccumulatie. De wereldwijde markt wordt aangestuurd door het kapitaal in zijn beweging tot vermeerdering. Vanuit de interesse om geïnvesteerd kapitaal te vermeerderen, brengt de markt met het oog op rendement een koopkrachtige vraag en een koopkrachtgericht aanbod samen. Het samenbrengen van die twee bepaalt de ontgrenzing en de begrenzing in de globalisering.

"‘Het probleem is niet de globalisering op zich, maar de manier waarop deze zich ontwikkelt’, aldus de Rotterdamse bisschop Van Luyn s.d.b. tijdens de conferentie ‘Globalisering en sociale rechtvaardigheid’ op de dag van de arbeid (1 mei) in Amersfoort. Deze conferentie was georganiseerd door de vakbond FNV, DISK, Justitia et Pax Nederland en de Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving (KRKS). Als bezwaren van de huidige praktijk van globalisering noemt de bisschop: de teloorgang van het milieu, de groeiende armoede, het verlies van nationale identiteit en van de waarde van cultuur en religie, het verlies van eeuwenoude tradities, de toenemende dominantie door de wereldmarkten en door het westen, ten koste van de inbreng uit het zuiden. Het is volgens de bisschop de uitdaging te trachten een globalisering zonder uitsluiting te waarborgen. ‘Dat is een duidelijke plicht van de gerechtigheid. Die plicht ligt op de schouders van de overheid, maar is ook een uitdaging en verantwoordelijkheid voor onszelf.’ De kern van het vraagstuk is volgens Van Luyn hoe wij globalisering zo kunnen omvormen, zo kunnen gebruiken dat ieder mens, waar ook ter wereld, ervan kan profiteren. Het gaat net als aan het eind van de negentiende eeuw om de kernvraag van de sociale kwestie: we moeten de verstoorde verhoudingen rechtzetten en de zwakken beschermen tegen uitbuiting en onrechtvaardigheid."

Hub Crijns in ‘Ondersteboven’, juni 2001

omhoog

Globalisering als de achtergrond van thema’s in 2001

In het vroege voorjaar van 2001, precies op de dag waarop volgens de kalender de lente begint (21 maart), brak in Nederland de mond- en klauwzeerepidemie uit. De verspreiding van de dierziekte naar Nederland is in belangrijke mate bevorderd door het internationale transport van dieren voor de vleesproductie. Daarnaast hebben de draconische maatregelen die genomen werden om de dierziekte een halt toe te roepen, het dwingende economische karakter van de internationale verhoudingen duidelijk gemaakt. Het ombrengen en vernietigen van honderdduizenden dieren (het ‘ruimen’ van besmette en mogelijk besmette bedrijven) werd beargumenteerd met een verwijzing naar het exportbelang en daarmee naar het voortbestaan van de huidige veeteelt in Nederland.

De mond- en klauwzeercrisis deed een schok door de Nederlandse samenleving gaan en heeft de gevoeligheid vergroot voor vragen rond de wijze waarop wij ons voedsel produceren en consumeren. Dit was de reden dat wij besloten hebben om het materiaal voor de biddag voor gewas en arbeid, de zondag van de arbeid en dankdag voor 2002 in het teken te plaatsen van het thema ‘werken aan voedsel’. Elementen hiervan werden in het najaar van 2001 ook al aangeboden als handreiking voor de dankdag.

"We kunnen er niet omheen. Dit jaar staat dankdag wel in een heel bijzonder licht. Het feit dat zoveel (ruim 260.000 merendeels gezonde) koeien en schapen werden afgemaakt en vernietigd, heeft velen, met name veel agrariërs zelf, verbijsterd. Terwijl entstof aanwezig was, werd vanwege economische redenen gekozen voor ‘ruimen’. Voor velen betekende dit het openbaar worden van de economische barbarij in onze omgang met (landbouwhuis)dieren. Door vele anderen werd het gezien als een weliswaar harde doch noodzakelijke maatregel binnen het huidige Europa om de exportbelangen van de veeteelt richting Canada, de Verenigde Staten en Japan veilig te stellen. Hoever willen en zullen wij gaan in het omgaan met de ons omringende schepping, in het op een rendabele wijze produceren en consumeren van voedsel?"

Trinus Hoekstra in de aankondiging van het materiaal voor Dankdag in ‘Diakonia’, oktober 2001

Een ander thema waarbij globalisering op de achtergrond een belangrijke rol speelde was dat van de rol van de informatie- en communicatietechnologie (ICT) in onze omgang met tijd. ICT is van de eenvoudigste traditionele telefoon tot de meest veelvormige en complexe computernetwerken een wereldwijd toegepaste technologie, die wereldwijde verbindingen tussen landen, ondernemingen en individuen mogelijk maakt. ICT is een fenomeen dat globalisering bevordert, maar dat zelf ook weer in zijn ontwikkeling de stimulerende invloed van de tendens tot globalisering ondergaat. Inmiddels is ICT niet meer weg te denken uit ons alledaagse leven en werken. Tegelijkertijd is het nog heel erg in beweging, zo ook de verwachtingen er omheen. In het kader van de campagne ‘Bevrijde Tijd. Deelnemen aan een 24-uurseconomie?’ is in een deelproject apart aandacht besteed aan de rol van ICT in versnelling én onthaasting.

"De invloed van ICT is zo groot dat we zonder twijfel kunnen spreken van een nieuwe technologische revolutie. De verwachtingen zijn hoog gespannen: ICT zou niet alleen bijdragen aan continue en stabiele economische groei, aan de vestiging van een stabiele wereldsamenleving en aan de oplossing van het milieuvraagstuk, maar ook in het dagelijks leven van mensen bijdragen aan onthaasting. In dezelfde tijd dat ICT als begrip is ingeburgerd, is tijd echter in toenemende mate een schaars goed geworden. …Terwijl aan de ene kant wordt gesteld dat de 24-uurseconomie het individu een grote vrijheid of flexibiliteit geeft, wordt aan de andere kant gewaarschuwd dat deze ertoe leidt dat iedereen het ‘druk, druk, druk’ heeft en dat met name de sociale tijd wordt aangetast. En terwijl aan de ene kant wordt gewaarschuwd voor een maalstroom van meer werken, meer verdienen en meer uitgeven, wordt aan de andere kant gepleit voor een verdere doorgroei van de arbeidsparticipatie én een verlenging van de arbeidstijd, om daarmee de economische groei veilig te stellen."

Pascale Peters in ‘Een nieuwe economie, een bevrijde tijd? De rol van ICT in versnelling én onthaasting’ dat door ons met het instituut Kerk en Wereld werd gemaakt en in het najaar werd aangeboden op het symposium ‘ICT Nieuwe Economie en Bevrijde Tijd’.

omhoog

Flexibilisering tussen ‘vrijwilligheid’ en ‘tucht’

De wijze waarop in het arbeidspastoraat arbeid in de context van bedrijven, instellingen en situaties van uitkeringsgerechtigden aangetroffen wordt, staat duidelijk in het teken van flexibilisering. Overal hebben mensen, onder invloed van de tendens om flexibel voor arbeid en zorg beschikbaar te zijn, te maken met verschuivende tijdspatronen. Deels heeft deze tendens te maken met de wens van mensen zelf om op verschillende tijden en plekken met arbeid en zorg bezig te zijn en heeft zij het karakter van ‘vrijwilligheid’. Deels wordt deze tendens opgelegd door de vraag op de arbeidsmarkt naar flexibele arbeid en heeft zij het karakter van ‘tucht’. De indruk bestaat dat het uitmaakt voor de verhouding van vrijwilligheid en tucht in welke geleding van een bedrijf of instelling men werkzaam is. Zo lijkt dit voor iemand van de schoonmaak een ander verhaal te zijn dan iemand van het management. Op een hoger niveau van een organisatie lijkt er meer sprake te zijn van vrijwilligheid dan van tucht. Eenduidig is deze verhouding echter allerminst. In het gewaad van ‘vrijwillige toewijding’ kan heel veel dwang schuil gaan, terwijl ‘uiterlijke dwang’ een bescherming kan vormen tegen een te ver gaande toewijding.

omhoog

Flexibilisering en globalisering

Flexibilisering als een in principe radicale ontgrenzing van ruimte en tijd hangt onmiddellijk samen met globalisering. Wereldwijd beconcurreren ondernemingen elkaar in het zo rendabel en derhalve zo flexibel mogelijk inzetten van de arbeidskracht. De wereldwijde arbeidsmarkt vraagt in het verlengde hiervan een flexibele instelling van de arbeidskracht op de vraag naar arbeid, dit laatste zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. De productie kent pieken en dalen in de vraag naar arbeidskracht. De zich ontwikkelende en vernieuwende wereldwijde vraag, verlangt ontwikkeling en vernieuwing van producten, van de productie en van de arbeidskracht. De flexibilisering van de arbeidskracht, een flexibele inzet naar ruimte en tijd en naar kwantiteit en kwaliteit, wordt zo gedomineerd door de wereldwijde markt. Deze flexibilisering betekent in onze samenleving een tendens naar onregelmatige werktijden en permanente vernieuwing en ontwikkeling van de arbeidskracht. Het gaat om een zo rendabel mogelijke inzet van de factor arbeid bij de productie van goederen en diensten. Of je nu in de industrie werkt, een financiële instelling of in de zorg, overal gaat het om het neerzetten van een rendabel product.

Ook uitkeringsgerechtigden hebben met deze tendens te maken. De maatregelen die de overheid ten aanzien van deze groep neemt, staan grotendeels in het teken van het toe leiden van mensen naar een krappe en flexibele arbeidsmarkt. Betaalde arbeid wordt gepropageerd als hét middel waarmee mensen een volwaardige plek innemen in de maatschappij en een constructieve (economische) bijdrage leveren aan de samenleving. De betekenis van onbetaalde (zorg)arbeid als in zichzelf van grote waarde voor de samenleving wordt genegeerd en geïnstrumentaliseerd in de richting van socialisering met het oog op betaalde arbeid. Vanuit de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid, waarin we participeren, worden hier scherpe vragen bij gesteld.

"Het kabinetsbeleid rond sociale activering richt zich vooral op het activeren van mensen richting deelname aan betaald werk. Dit blijkt weer eens in het recent verschenen Nationaal Actieplan ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting dat voortkomt uit afspraken die tijdens de Europese top in Lissabon zijn gemaakt. De doelgroep … bestaat in dit plan uit langdurig werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze mensen dienen … gestimuleerd te worden om mee te doen aan vrijwilligerswerk of andere maatschappelijk zinvolle activiteiten. Als effect noemt de nota het ontstaan van een werkritme. … In het overheidsbeleid is de deelname aan betaalde arbeid de sleutel tot zelfstandigheid, sociale integratie, maatschappelijke participatie en volwaardig burgerschap. De Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid vindt dit een beperkte blik op burgerschap."

Trudi Nederland in ‘Ondersteboven’, september 2001

omhoog

Bezieling

Het managementvertoog waarin bezieling centraal staat, lijkt in relatie tot flexibilisering een belangrijke rol te spelen. In betrekkelijk korte tijd heeft de term bezieling sterk opgeld gedaan in de managementwereld. Dat heeft te maken met de koppeling die in de eerste helft van de jaren ’90 tot stand is gekomen tussen de ‘transformatiebeweging’ en degenen die een ‘no-nonsense’-gedachtegang aanhingen. De aanhangers van de eerste beweging waren gericht op de lange termijn en gingen ervan uit dat mensen vanuit een diepe persoonlijke bezieling het dagelijks werk met elkaar vorm kunnen geven. Degenen die de no-nonsense-gedachte aanhingen, waren gericht op de korte termijn en op pragmatisch handelen. Zij wilden zo snel en efficiënt mogelijk inspelen op de behoeften van de markt. De koppeling behelst kort samengevat een inspelen op de behoeften van de markt vanuit een gedreven worden door ‘innerlijke waarden’: bezield ondernemen en bezield werken.

Daniël Ofman is een belangrijke exponent van de genoemde koppeling en heeft hier met zijn boek ‘Bezieling en kwaliteit in organisaties’ (1992) grondleggend werk voor verricht. Het gaat Ofman om de innerlijke waarden die mensen en organisaties van binnenuit voortstuwen. Deze innerlijke waarden vormen de kern, de ziel of de identiteit van mensen en organisaties. Voor Ofman gaat het erom dat de missie van de organisatie de mensen bezielt om hun werk te doen. Werken met bezieling betekent ’uit vrije wil’ en ‘gedreven’ het doel van de organisatie nastreven. Werken met bezieling wil ook zeggen, dat in je werk de kern van je identiteit tot uitdrukking komt. Op deze wijze werk je niet meer omdat je moet, maar omdat je er vanuit je kern toe aangedreven wordt om je kwaliteiten in je werk te uiten en te ontwikkelen. De gedachten van Ofman kunnen een belangrijke rol spelen in het op positieve wijze benaderen van flexibilisering, in de zin van het geïnspireerd in bezit nemen van de opengebroken starre ordening van ruimte en tijd. Het met bezieling je werk doen zonder je te storen aan de begrenzing in ruimte en tijd of zonder je te storen aan bijvoorbeeld een te geforceerde opdeling van je leven in privé- en werksfeer. Het willen gaan voor waar je goed in bent en plezier in hebt, altijd en overal. Het denken van Ofman schept openheid voor de kansen die flexibilisering biedt: alle ruimte en tijd voor het ontdekken en ontplooien van je kernkwaliteiten.

omhoog

Bezieling en ontgrenzing

‘Werken met bezieling’ betekent gaan voor het ontdekken en ontwikkelen van je kernkwaliteiten in je werk. Dit managementvertoog impliceert het aankweken van een houding bij mensen, waarmee ze gaan voor de kansen en mogelijkheden die het flexibele productie- en arbeidsproces hen te bieden heeft. De zin van dit management is dat het enthousiaste medewerkers creëert, die zich met hart en ziel verbinden aan hun werk. Dit management heeft zijn betekenis in het ontdekken en benoemen van de impliciete zinbeleving en zingeving die werk kan bieden. Lange tijd is dit element veronachtzaamd. Werk betekende in de eerste plaats ‘brood op de plank zien te krijgen’. Het was eerder een kwestie van moeten dan van van harte willen. Werk is in onze cultuur echter al eeuwenlang veel meer dan alleen zorgen voor het blote levensonderhoud. Velen ontlenen er in belangrijke mate hun identiteit aan, doen er voor een belangrijk deel hun sociale contacten op en leven zich er in uit. Het is goed dat er een management is ontstaan dat hier expliciet aandacht voor heeft en dat ook arbeidspastoraat oog voor deze dimensie van werk heeft. Zo hebben we het afgelopen jaar een videofilm ontwikkeld aan de hand waarvan mensen in gesprek kunnen komen over hoe ze hun werk beleven, hoe ze hun tijd indelen en of hun werk in relatie tot hun verschillende kwaliteiten in balans is.

"De videoband ‘Werktijd in Balans’ maakt gebruik van het hoofd-, hart- en handconcept om de tijdsindeling binnen werksituatie bespreekbaar te maken. Zeggenschap over arbeidstijd door werknemers was lange tijd ondenkbaar. De arbeidstijd werd gekenmerkt door uniformiteit. Vast stond hoe het werk werd georganiseerd, wat voor een prestatie er moest worden geleverd, hoe lang de werktijden waren en wat de begin- en eindtijden waren. Werknemers hadden zich daaraan aan te passen. In onze tijd is er een verschuiving gaande naar spreiding van arbeidstijden en van medeverantwoordelijkheid voor de inhoud van het werk. Steeds meer is sprake van gespreide arbeidstijden met een eigen invulling van werk. De zeggenschap over de indeling van de tijd wordt voor mensen ook steeds belangrijker. Aan de voortgang hiervan wil deze film een bijdrage leveren."

Uit de ‘Kijkwijzer en Handleiding’ bij de videoband ‘Werktijd in Balans’.

omhoog

Niet zonder risico’s

Met deze bezinnende benadering van ‘werken met bezieling’ hebben we enerzijds oog voor de kansen ervan maar anderzijds hebben we ook oog voor de risico’s ervan. In deze tijd van globalisering - van wereldwijde expansie van kapitaal en ondernemingen, van wereldwijde concurrentie juist ook op het punt van het zo rendabel en dus zo flexibel mogelijk inzetten van de factor arbeid – is het managementvertoog van ‘werken met bezieling’ zeker niet zonder risico’s. Het betekent immers dat mensen ertoe aangezet worden om flexibilisering vooral te benaderen als een fenomeen dat, voorbij de vroegere starre ordeningen in ruimte en tijd, optimaal de gelegenheid biedt om zich te ontplooien en dus vooral te gaan voor hun kernkwaliteiten. Hun gedrevenheid daarbij is de garantie voor hun interne ontgrenzing, die de vorm kan krijgen van een totale beschikbaarstelling van hun arbeidskracht aan de geglobaliseerde markt.

Richard Sennett is een auteur die een scherp oog heeft voor deze risico’s. Hij lijkt met zijn boek ‘The Corrosion of Character’ (1998) de tegenpool van Ofman. Terwijl Ofman de flexibilisering van ruimte en tijd in organisaties schetst als een kans waar men zijn of haar identiteit als een soepel geheel in kan ontdekken en ontplooien, schetst Sennett flexibilisering als een verwarrend fenomeen dat de identiteit van individuen in scherven uiteen doet vallen. Zij leveren volgens hem slechts brokken arbeid en stukken werk in een setting waarin ruimte en tijd gefragmenteerd worden door de veranderlijkheid van werkplek, woonomgeving en werktijd.

Sennett wijst er op dat het Engelse woord flexibility oorspronkelijk ‘veerkracht’ betekende. Het hield verband met de eenvoudige waarneming dat de takken van een boom die zich in de wind buigt, terugspringen naar hun eerdere positie. Hij constateert in het huidige taalgebruik een verschuiving in deze betekenis. Tegenwoordig gaat het meer om ‘plooibaarheid’. Mensen moeten zich in leven en werken plooien naar de eisen van de arbeidsmarkt. De notie van het terugveren naar een oorspronkelijke positie dreigt uit de betekenis te verdwijnen. Deze betekenisverschuiving acht hij kenmerkend voor de huidige cultuur. De mens wordt in zijn en haar mogelijkheid om in leven en werken flexibele ordeningen te volgen meer beschouwd als plooibare klei dan als een substantie die veerkracht als fundamentele eigenschap heeft en het dus ook nodig heeft om terug te veren naar een ontspannen toestand.

De analyse van Sennett is scherp en bijtend. Flexibilisering komen we op de wijze zoals Sennett die beschrijft in de Nederlandse context (nog) niet vaak tegen. Dit komt waarschijnlijk omdat het boek van Sennett vooral betrekking heeft op de samenleving van de Verenigde Staten, een samenleving met een harder kapitalisme dan wij hier in Nederland kennen. Misschien moeten we in een Nederlandse context de analyse van Sennett veeleer opvatten als een waarschuwing. De betekenis van deze waarschuwing is dan wellicht, dat een visie op management in termen van ‘werken met bezieling’ precies dit gevaar loopt, namelijk om van de nood een deugd te maken: identiteitsverlies?, ontleen dan aan je werk je identiteit!

omhoog

Ict en ontgrenzing

De flexibilisering van productie- en arbeidsprocessen wordt in sterke mate mogelijk gemaakt door ICT. Met name ook door het flexibel op elkaar afstemmen van leven en werken. Aan ICT kleeft een sterke notie van ‘vrijheid’: met ICT kunnen gaan en staan waar je wilt terwijl je toch bezig bent met werk. Uit onderzoek naar het werken met ICT blijkt, dat mensen die er voor hun werk veel gebruik van maken gemakkelijker over de grenzen van hun werktijd gaan, gemakkelijker privé en werk combineren ten koste van privé-tijd, dus veel meer met hun werk bezig zijn dan voorheen. Zij ervaren meer autonomie maar hebben met een grotere tijdsdruk te maken. Het heeft ook daarmee te maken dat tegenwoordig veel contracten weliswaar nog op tijd afgesloten worden (bijvoorbeeld een input van 36 uur per week), maar in de praktijk steeds meer functioneren als resultaatcontracten (een bepaald product als output). In zulke werksituaties speelt controle door de werkgever over de werkplek en de werktijd een steeds minder expliciete rol. Dat wil echter niet zeggen dat er geen controle is. De controle ligt in het product dat af moet. Omdat de individuele werknemer verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen resultaat, vindt de controle plaats in de zelfdisciplinering van het individu dat via ICT gekoppeld is aan het totale productie- en arbeidsproces. De controle op het productie- en arbeidsproces wordt door middel van ICT van buiten naar binnen verplaatst. In de combinatie van flexibilisering en bezieling betekent de toepassing van ICT een versterking van de ontgrenzing van het individu ten dienste van het productie- en arbeidsproces.

omhoog

Waakzaam

Met het oog op de claim die het productie- en arbeidsproces op mensen kan leggen zou het management, indien het werkelijk gericht is op het welzijn van mensen, mensen kunnen trainen in assertiviteit. De betekenis van dit management zou dan, naast het stimuleren van het ontdekken en ontwikkelen van kernkwaliteiten, kunnen liggen in: het leren bewaken van mensen van hun grenzen; het beschermen van hun kwaliteiten tegen roofbouw en in het mobiliseren van hun mogelijkheden tot zeggenschap in relatie tot een flexibel productie- en arbeidsproces waarin grenzeloze eisen gesteld dreigen te worden. Want assertiviteit heeft voor ons ook altijd met mogelijkheden tot het uitoefenen van medezeggenschap te maken. Daarnaast zou ook de vraag gesteld kunnen worden of kernkwaliteiten alleen in een betaalde baan verscholen liggen en niet ook in onbetaalde (zorg)arbeid.

Kortom: wie waakt er over de veerkracht van mensen als het werk plooibaarheid vraagt en wie waakt er over dat slechts betaald werk beschouwd wordt als werk dat met bezieling verricht wordt en zin kan geven? Als arbeidspastoraat zien we nog niet dat de sociale partners deze vraag heftig aanroeren, laat staan voluit hun verantwoordelijkheid nemen … en dat baart ons soms zorgen.

Een voorbeeld van een manager die waakt over het welzijn van haar medewerkers komen we tegen in het reeds eerder genoemde boek over ICT.

"In mijn business unit vind ik het belangrijk dat mensen letten op een goede balans van werk en privé. Overwerken moet niet structureel worden. … Ook bij telewerken moet de balans goed in het oog gehouden worden. Sommigen gaan in hun thuissituatie heel streng op hun netto-werktijd zitten letten, terwijl ze op hun gewone werkplek ook wel eens een praatje maken of een kop koffie halen. … In de omgang met ICT moeten we heel assertief zijn, voor een belangrijk deel moeten we dat nog leren. Allerlei toepassingen van ICT zijn erg handig, zeker als je kijkt naar snelheid en productiviteit, maar er zit ook een keerzijde aan die je ertoe verleidt om mensen, plaats en tijd te vergeten."

Uit een interview met een IT-manager in ‘Een nieuwe economie, een bevrijde tijd? De rol van ICT in versnelling én onthaasting’.

omhoog

Naar andere signalementen

home