home

SIGNALEMENTEN
VAN ARBEIDSPASTORAAT DISK

BEZIELING, WARDEN EN ARBEID
Uit het jaarverslag 2004

Elk jaarverslag van de Stichting landelijk bureau DISK opent met een beschouwing, waarin we beeldend en bezinnend omschrijven wat we ontmoeten en hoe we er mee omgaan. Het essay vertolkt een inhoudelijk signalement van het bestuur over actuele ontwikkelingen rond arbeid, zorg en inkomen in dat jaar.

Inleiding
Bezieling

Werk en bezieling

Niet voldoende werk

Eigen verantwoordelijkheid

Botsing van twee soorten bezieling

Wat verwachten wij van de toekomst?

Inleiding

Wanneer iemand je de vraag 'wat bezielt je?' stelt, kan dit twee dingen betekenen. Het kan een wat geïrriteerde vraag zijn. Iemand stoort zich aan je gedrag en vraagt je letterlijk met andere woorden 'wat je mankeert'. Het kan ook betekenen dat iemand je op een serieuze en belangstellende wijze letterlijk vraagt naar wat jou bezielt. Het is tegenwoordig zelfs 'in' om over bezieling te spreken, vooral in relatie tot werk.

'Wat opvalt aan veel verhalen over 'bezieling' is dat het veelal succesverhalen zijn. Het gaat over mensen die in hun leven geslaagd zijn, omdat het in hun werk zo geweldig gaat. En waarom gaat het zo geweldig? Omdat deze mensen bezield hun werk doen. Ze leven zich uit in hun werk, daarom zijn ze gelukkig en bereiken ze veel. Het zijn bijna geloofsgetuigenissen, het ontbreekt er nog maar aan dat het moment genoemd wordt waarop men ontdekte dat men bezield aan het werk was. Misschien is het een idee om een tv-programma te maken over 'hoe mensen in hun werk veranderen'. Werk is de nieuwe kerk en bezieling lijkt het nieuwe geloof.

Trinus Hoekstra in Handreiking bij de brochure 'Werken met bezieling', januari 2004, pag. 19.

omhoog

Bezieling

Het woord bezieling met het kernwoord 'ziel' verwijst als een metafoor naar iets wat opvalt of bijzonder is in onze alledaagse seculiere werkelijkheid. Met bezieling duiden we vaak op datgene wat de routineuze alledaagse sleur in levendigheid, echtheid en plezier te buiten of te boven gaat. Met bezieling bedoelen we die momenten waarop mensen en dingen ons ten diepste raken, die momenten waarop we opgaan in onze bezigheden en ons er in uit leven. We beleven spontaan zin. Dat laatste is misschien een treffende verwoording van bezieling in relatie tot zingeving.
Zin geven doen we op een bewuste en vaak doordachte wijze. Bij bezieling is het eerder een kwestie van zin beleven. De zin van wat we doen dringt zich aan ons bewustzijn op in een gevoel van dat het zo goed is.
In de huidige samenleving is bezieling vooral een individuele aangelegenheid. Maar het feit dat velen van ons naar een hoogst eigen en unieke bezieling op zoek zijn zegt ook weer iets over waar we met z'n allen mee te maken hebben. We zijn zeer goed in het organiseren van betaalde arbeid, in het bereiken van een hoog niveau van productie en consumptie, in het nastreven van een hoog welvaartsniveau. Dat werk en die bereikte welvaart bieden ons gemak en materiële rijkdom. En toch hoor je steeds vaker mensen zeggen dat al dat werken en die voorspoed tegelijk 'leeg' zijn, ontdaan van ziel, afgestompt van zin. Door de samenleving lijkt een zucht te gaan van 'is dit alles wat er is?'.

omhoog

Werk en bezieling

De aandacht voor betaalde arbeid staat zeer centraal in onze samenleving. Uit die aandacht is af te lezen dat arbeid, bezieling en zingeving nauw met elkaar verbonden zijn. Werk geeft je inkomen en identiteit. De eerste twee vragen die mensen aan elkaar stellen zijn 'hoe gaat het?' en 'wat doe je?'. We weten dan meteen hoe de gezondheid is en wat het beroep is van onze gesprekspartner. Ons kompas voor het verdere verloop van het gesprek is bepaald. Tegenwoordig is er vaak nog een derde vraag: 'Hoe lang doe je dat nog?'. Die vraag geeft aan dat er achter betaald werk ook waarden en vormen van bezieling schuil gaan, die als minder prettig of zelfs negatief beleefd worden.
Betaald werk is een wezenskenmerk voor mensen. Je ziet dit vooral als dat werk wegvalt. Mensen zonder betaald werk hebben moeite zichzelf te plaatsen en omstanders hebben ook moeite om hen te plaatsen. Welk antwoord geef je op de vraag 'wat doe je?'. Bovendien mis je zonder werk niet alleen identiteit maar ook een vaste dagindeling, status, contacten en inkomen.

Mensen willen ervaren dat hun werk in zichzelf zinvol is. Daarbij zijn ze steeds minder geneigd zich te laten leiden door vormen van collectieve zingeving. Ze laten zich niet door een religieuze, politieke of economische elite voorschrijven dat hun arbeid een religieuze plicht is, of in sociaal en economisch opzicht nuttig. De behoefte aan individuele zingeving doet zich met name gelden wanneer mensen stuiten op grenzen. Dat kan zijn in hun relaties met directe collega's, maar even goed in contacten met gebruikers van de door de organisatie geproduceerde of geleverde diensten (cliënten, patiënten, leerlingen, consumenten). Ook gebeurtenissen die niet direct met werk te maken hebben, kunnen aanleiding zijn om te vragen naar de zin van werk. Denk bijvoorbeeld aan gebeurtenissen en ontwikkelingen in hun privé-situatie of in de wijde wereld om hen heen. Het komt erop neer dat mensen zich op vele momenten in hun leven voor de opgave zien gesteld hun werk zin te geven. Tegen deze achtergrond valt de interesse voor 'spirituele' trainingen te begrijpen als een uitdrukking van het verlangen van werknemers en managers dat hun werk zin heeft. Spiritualiteit, of wat daar voor doorgaat, zien ze daarbij als een mogelijke bron van individuele zingeving.

Gerard van Eck in Ondersteboven, januari 2004.

Boeiend is de vraag wat ervaringen in en aan het werk te maken hebben met geloof. In de wereld van de arbeid zie je doorgaans een zekere mate van dwang en vervreemding. Werk brengt nu eenmaal zachte of harde dwang met zich mee: je hebt verplichtingen waar je niet onderuit kunt, ook al niet omdat je voor je inkomen afhankelijk bent van je werk. Daarnaast bieden veel banen niet de vervulling van je hele persoon, er komen maar een paar aspecten van jezelf terug in je werk. Die vervreemding zie je op het ogenblik sterk in de zorg. Zorg verricht je met persoonlijke inzet. Door eisen van economische efficiency worden werkers echter gedwongen zich te beperken tot bepaalde handelingen en dan ook nog in de strikt voorgeschreven tijd. Dat werkt vervreemding in de hand.
De vraag voor ons in het arbeidspastoraat is wat ons geloof, dat uiteindelijk een verhaal is van bevrijding en verzoening, kan betekenen voor de manier waarop mensen met werkervaringen, ook van dwang en vervreemding omgaan. Bevrijding verwijst naar Gods Belofte dat wij een plaats en rol hebben in de geschiedenis van de mensheid op weg naar de stad Gods, waar we bevrijd zijn van de ketens en lasten, die we ons als mensen telkens bezorgen. Verzoening verwijst naar het werk en leven van Jezus, die ons door de dood heen duidelijk heeft gemaakt dat we onze conflicten kunnen bijleggen, onze structuren kunnen veranderen, nieuwe mensen kunnen worden. Bij verzoening gaat het om de gerichtheid op iets nieuws, voorbij het oude waaruit bevrijding heeft plaats gevonden. Verzoening werkt als een binnentreden in een ander machtsbereik. Onder het beslag van de ontmoeting met God, het zich bekleden met zijn/haar perspectief, wordt kritische afstand ten opzichte van de alledaagse werkelijkheid mogelijk. Het Goddelijke perspectief van het land van de belofte of van het Rijk van God houdt het verlangen wakker naar een ander perspectief dan het alledaagse dat we indrinken in deze wereldsamenleving.

omhoog

Niet voldoende werk

In onze sociaal-economische verhoudingen en in de manier waarop de politiek over arbeid en zorg spreekt is een tendens te herkennen, die al zeker vijftien jaar aan de gang is. De overheid komt met de boodschap: 'Je moet werken om inkomen te verdienen, pas als echt blijkt dat je dat niet kunt, willen we je helpen'. Nu is er op zich niets mis met dit statement, maar het gaat uit van de veronderstelling dat er voldoende werk is. Er is evenwel niet voldoende werkgelegenheid voor iedereen. Je kunt als overheid het volk wel stimuleren om betaald werk te doen, maar zoveel werk is er niet. Anders gezegd: onze economie, onze overheid, schiet tekort in het aanbieden van betaald werk.
Onze economie is opgebouwd uit drie circuits of systemen. Om te beginnen het ruilcircuit waarin arbeid geruild wordt voor inkomen. Het tweede circuit is dat van de herverdeling: we betalen belasting zodat er geld is voor onderwijs, zorg, wegen, enzovoort. En het derde circuit is het circuit van de gift, datgene wat we elkaar zomaar geven, zonder tegenprestatie: vrijwilligerswerk, zorg, opvoeden, noem maar op. De laatste jaren is uit het ruilcircuit ook nog een vierde circuit voortgekomen, het systeem van de beurs, daar gaat het alleen nog maar om geld dat geruild wordt tegen liefst nog meer geld.
Het grote probleem in onze samenleving is dat de vier circuits in onbalans zijn geraakt. Alle aandacht gaat uit naar het ruilcircuit inclusief de beurs, de twee andere circuits worden verwaarloosd. Die onbalans is niet nodig. We zijn rijk genoeg in Nederland. Ons land staat in de top tien van rijke landen. Er zijn allerlei mogelijkheden om onze rijkdom beter te verdelen, maar kennelijk willen we dat niet. Je ziet dat niet-willen op individueel, op groeps- en op maatschappelijk niveau. Zo blijkt uit onderzoek naar giftgedrag in ons land bijvoorbeeld dat naarmate het inkomen hoger is, mensen minder bereid zijn om te geven. En ook collectief zie je dat de bereidheid om te delen minder wordt, denk maar aan de vreemdelingenfobie die op het ogenblik heerst. Die onwil om te delen zie je ook in de politiek. Het draagkrachtbeginsel - de zwaarste lasten voor de sterkste schouders - wordt door politieke maatregelen eerder afgezwakt dan versterkt. Zo werd enige jaren geleden het hoogste tarief van de inkomstenbelasting verlaagd en hoor je tegenwoordig ook pleidooien voor een 'vlaktax' voor iedereen. In politiek Den Haag wordt de 1,7 miljard die we aan huursubsidie uitgeven 'te veel' gevonden, en daaraan zouden grenzen gesteld moeten worden. Tegelijk gaven we in 2004 meer dan 7 miljard uit aan aftrek van hypotheekrente, en dat zou dan volgens minister Zalm 'geen probleem' zijn.

De christelijke waarden laten zich vertalen in enkele principes of beginselen, die de basis kunnen zijn voor concrete maatregelen. Het draagkrachtbeginsel is in de concrete uitwerking van deze waarden wellicht het belangrijkst. Dit beginsel kan wat huiselijk geformuleerd worden als de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Met andere woorden, van hen die veel (ook materiële) middelen en mogelijkheden hebben, wordt gevraagd hun rijkdom te delen, opdat de middelen ten goede komen aan hen die in een minder gunstige positie verkeren.

Werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA, Verantwoordelijkheid in solidariteit, maart 2004

omhoog

Eigen verantwoordelijkheid

Een bijzonder element van de bezieling die schuil gaat onder het betaalde werken is een sterk wijzen op de eigen verantwoordelijkheid. Waar komt dat vandaan? In feite is, zeker in de katholieke traditie, verantwoordelijkheid een term waaraan niet alleen individuele maar ook relationele, collectieve en religieuze kanten zitten. De roep om eigen verantwoordelijkheid die nu voortdurend vanuit de politiek opklinkt, richt zich eenzijdig op het individuele, persoonlijke aspect. Het is een uiting van een liberale staatsfilosofie overgewaaid uit de Angelsaksische wereld. Die liberale invulling van eigen verantwoordelijkheid waarin maar weinig ruimte is voor de gemeenschap en voor omzien naar elkaar, botst met de sociale invulling die wij, zeker na de Tweede Wereldoorlog, aan onze staat hebben gegeven. Dat roept verzet op. Hier in Europa zijn we er sterk van doordrongen dat je het niet alleen doet, dat je anderen nodig hebt. Veel mensen in ons land hebben het gevoel: we hebben een sociale staat opgebouwd met zijn allen, dat mag dan wel aardig wat kosten, maar we kunnen er ook dankbaar gebruik van maken als dat nodig is. Solidariteit gaat samen met een gevoel van welbegrepen eigenbelang. Mensen zien echter dat wat in die zin opgebouwd is nu geleidelijk aan afgebroken wordt en vragen zich af, wat er voor die afbraak in de plaats komt. Ze vrezen het ergste en dat is een voedingsbodem voor verzet. Mensen weten en voelen: deze kant moet het niet op.

In het tweede scheppingsverhaal (Genesis 2, 4-25) wordt God - anders dan in het eerste scheppingsverhaal - telkens Heer God genoemd (JHWH Elohiem). Op de vraag waarom dat zo is, geeft een oude midrasj-verzameling antwoord: 'Dit kan vergeleken worden met een koning die enkele lege glazen had. De koning zei: wanneer ik heet water in deze glazen schenk, dan zullen zij barsten en door koud water zullen ze ook barsten. En wat deed de koning? Hij mengde het hete en het koude water en schonk dit in de glazen en ze braken niet. Zo zei ook de Heilige-gezegend-zij-Hij: "Wanneer Ik de wereld schep met de maat van erbarmen alleen, dan zullen de zonden te talrijk worden maar schep Ik de wereld met de maat van het recht dan kan de wereld niet bestaan. Daarom zal Ik de wereld scheppen met de maat van recht en de maat van erbarmen. Moge de wereld blijven bestaan!" Vandaar de Heer God.' (Midrasj Genesis Rabba 12, 15).

Barmhartigheid en gerechtigheid. Handboek Diaconiewetenschap, september 2004, pag. 5.

omhoog

Botsing van twee soorten bezieling

Genoemde ontwikkelingen in onze samenleving zijn te omschrijven als een botsen van verschillende soorten van bezieling. Ze zijn door Michel Albert in 1991 omschreven in zijn boek Kapitalisme tegen kapitalisme. Er is een strijd gaande tussen de bezieling voor het zogeheten Rijnlandse model (overlegeconomie met relatief veel gemeenschapsvoorzieningen) en de bezieling voor het Angelsaksische model (kapitalisme van de vrije markt op wereldschaal). Het sociaal-economisch beleid van de laatste decennia zet alle kaarten op participatie aan betaald werk, economische groei en op bezuinigen, reorganiseren en zelfs privatiseren van de sociale voorzieningen.
Voorzitter Roebroek heeft over deze botsende bezieling in een interview nagedacht.

"Dat probleem kun je vanuit twee perspectieven bekijken. Om te beginnen vanuit het inhoudelijke perspectief. Hoe staat het ervoor met de sociale politiek in Nederland? Met de verzorgingsstaat meer in het bijzonder? Wij leven in een vreemde samenleving. Er is te weinig werk voor de mensen die buiten spel staan op de arbeidsmarkt. En toch zijn wij volledig gefixeerd geraakt op dat 'betaald werken'. Niet alleen rennen wij ons de benen onder het lijf uit om toch maar zoveel mogelijk te werken. Zoveel mogelijk te verdienen. Daarbij wordt de bredere context waarbinnen van burgers gevraagd wordt verantwoordelijkheid te nemen uit het oog verloren. Wat doen wij bijvoorbeeld met onze verdere taken in deze samenleving? Vrijwilligerswerk, het opvoeden van je kinderen, het zorgen voor familieleden en kennissen, het bemoedigen van medeburgers die het moeilijk hebben. Daar hebben wij blijkbaar geen tijd meer voor. Samenleven is toch meer dan geld verdienen en produceren? Het is ook verdriet en bemoedigen, opvoeden en vreugde, liefde, spiritualiteit, inspiratie en creativiteit. Wij doen onszelf, en anderen te kort door alleen maar 'werk, werk, en nog eens werk' te benadrukken. Deze samenleving is zo monomaan bezig dat zij authentieke kwaliteiten van burgers buiten de strikte kaders van de betaalde arbeid niet meer waarneemt. Ik citeer de recente Vastenbrief van de Nederlandse Bisschoppenconferentie: 'In deze op betaalde arbeid gerichte samenleving signaleren wij een onderwaardering van het vrijwilligerswerk en het werk van mensen met zorgtaken. De zorg in het gezin, mantelzorg voor zieken en ouderen, en het opvoeden van kinderen worden steeds minder als volwaardige bijdrage aan de samenleving, als "arbeid" gezien, een miskenning die uiteindelijk schadelijk is voor de samenleving zelf.'
Dan het tweede perspectief, een meer ideologisch perspectief. Dat betreft de wijze waarop het probleem 'verzorgingsstaat' wordt gedefinieerd. Onze politiek-maatschappelijke elite creëert feitelijk zelf de 'crisis van de verzorgingsstaat'. Mijn stelling luidt: 'De verzorgingsstaat kent geenszins een probleem van betaalbaarheid. Er wordt veel, heel veel verdiend. Meer dan ooit in de geschiedenis van de moderne samenleving. Wij hebben een probleem met de solidariteit.' Of zoals de bisschoppen dat formuleren in hun Vastenbrief: 'Het is zorgwekkend dat de laatste jaren de rijkdom van particulieren steeds verder is gegroeid, terwijl de publieke armoede toenam.' De solidariteit wordt ondergraven door de probleemdefinitie van de politiek-maatschappelijke elite. Deze roept het beeld op van de profiteur-uitkeringstrekker, die niets wenst te doen. Uit zijn of haar neus peutert. Geen eigen verantwoordelijkheid neemt. Voortkomend uit, laat ik het maar netjes formuleren, 'Haagse bijziendheid'. Hoe kan het anders zijn dat binnen het CDA de probleemdefinitie van ministers en Kamerleden een geheel ander karakter draagt dan de probleemdefinitie van wethouders en werkers uit de praktijk? Daar ligt ook het bredere probleem van onze hedendaagse samenleving. Wij laten al te makkelijk maatschappelijke problemen definiëren door een politiek-maatschappelijke elite, die niet alleen het contact met de samenleving voor een belangrijk deel heeft verloren, maar ook, en dat geldt zeker voor de katholieke vertegenwoordigers van die elite, hun worteling in hun eigen sociale traditie zijn kwijtgeraakt.

Wat is sociaal?, in Christen Democratische Verkenningen, maart 2004, pag. 57-65.

omhoog

Wat verwachten wij van de toekomst?

We weten niet of we op dezelfde weg door gaan, of dat de wal het schip zal keren. Het accent in de samenleving is de laatste vijftien jaar steeds meer komen te liggen op individualisme en kapitalisme. Of ooit het kapitalisme en liberalisme zullen winnen is moeilijk te voorspellen. Bij veel beleidsmakers is een vorm van bezieling merkbaar, die lijkt op 'There Is No Alternative'. Die lijkt de bezieling van mensen met alternatieven onder te sneeuwen. Moeten we dan maar afwachten?

Zeker niet, we zijn er zelf direct bij betrokken, we kunnen zelf bepalen hoe we in deze ontwikkelingen staan. Nog altijd geldt dat je kassabon je stembiljet is en ik zou willen zeggen: ook de effectieve inzet van je uren is je stembiljet. Van mensen van de Franciscaanse Beweging verwacht ik geen grote hang naar luxe, maar aandacht voor de gemeenschap, eerlijk delen en oog hebben voor elkaar. De samenleving wordt ook gemaakt door het gedrag dat mensen vertonen en de manier waarop ze bezig zijn.

Hub Crijns in Franciscaans Maandblad, november 2004.

omhoog

Naar andere signalementen

home