home

SIGNALEMENTEN
VAN ARBEIDSPASTORAAT DISK

KREDIETCRISIS ALS KAIROSMOMENT
Uit het jaarverslag 2008

Elk jaarverslag van de Stichting landelijk bureau DISK opent met een beschouwing, waarin we beeldend en bezinnend omschrijven wat we ontmoeten en hoe we er mee omgaan. Het essay vertolkt een inhoudelijk signalement van het bestuur over actuele ontwikkelingen rond arbeid, zorg en inkomen in dat jaar.

Door Trinus Hoekstra

jaarverslag 2008Inleiding
De aanleiding voor de kredietcrisis
Speculatief kapitaal

Crisisgevoel in Nederland?
Hoofdlijnen in het debat
Meer duurzaamheid?
Duurzame globalisering?
Kerken en het debat


Inleiding

Het jaar 2008 vormde met de afsluiting van het driejaren programma Werken aan een Geloofwaardige Economie een gedenkwaardige episode in de betrokkenheid van landelijk bureau DISK bij de thema’s van duurzaamheid en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). In dit jaarverslag kunt u meer lezen over hoogtepunten als de aansluiting van de Protestantse Kerk in Nederland bij het MVO Platform en de uitgave van de duurzaamheidspecial Op het leven voor lokale kerken. In dit essay willen we wat langer stil staan bij de woorden van dagvoorzitter Ineke Bakker op 18 november tijdens de slotconferentie ‘Duurzame Globalisering’ van het driejaren programma Werken aan een geloofwaardige economie. Zij sprak op deze dag van een ‘Kairosmoment’ en doelde daarmee op de kredietcrisis, die in het najaar van 2008 ook losbrak in Nederland, als een kansrijke gelegenheid. In het bijzonder doelde zij op de kansen die deze crisis biedt met het oog op het werken aan een meer solidaire en duurzame economische ordening. In dit essay staan we stil bij deze gedachte en stellen de vraag hoe de kaarten in het debat rond kredietcrisis en duurzaamheid geschud zijn. We beginnen met de vraag wat er eigenlijk met de kredietcrisis aan de hand is.

omhoog

De aanleiding voor de kredietcrisis

De directe aanleiding voor de wereldwijde kredietcrisis werd gevormd door de zogenaamde ‘subprime-hypotheken’ in de Verenigde Staten. Dit zijn hypotheken voor mensen met een laag inkomen. Deze hypotheken zijn in 1977 tijdens de regeerperiode van president Carter afgedwongen met de Community Reinvestment Act. Deze wet verplichtte banken hypotheken te verstrekken aan risicovolle minderheidsgroepen. In 1995 werd deze wet onder president Clinton aangescherpt. In 2002 breidde president Bush de mogelijkheden nog verder uit voor minderheidsgroepen om de American Dream in de vorm van een eigen huis te kunnen verwezenlijken. In feite werden op grond van deze wet huizen aan mensen verkocht die ze niet konden betalen. Oftewel deze minderheidsgroepen werden er toe verleid, zoals het hele land eigenlijk deed en nog steeds doet, boven hun stand en dus op krediet te leven.
De rente op zo’n hypotheek was in het begin meestal laag, maar vervolgens variabel. Aan de mensen werd verteld dat ze bij een hogere rente een tweede hypotheek op hun huis konden nemen: de huizenprijzen zouden toch wel stijgen. Toen de rente echter te ver steeg, bleek de waarde van de huizen deze last niet te kunnen dragen. Veel mensen konden hun hypotheek niet meer betalen. Toen meer mensen zich gedwongen zagen om hun huis te verkopen of te verlaten, kenterde de markt verder en zakten de huizenprijzen in. De verkoop van de huizen leverde hierdoor vaak te weinig op om de schuld bij de bank af te lossen. Of de bank bleef eigenaar van onverkoopbare huizen. Velen kwamen, een illusie rijker en een droom armer, op straat te staan. De banken die deze hypotheken verstrekt hadden, kwamen door de schulden die open bleven staan zelf ook in de problemen.
Een groter probleem was dat banken de hypotheken van meerdere klanten hadden samengevoegd tot pakketjes en doorverkocht hadden aan andere partijen. Voor beleggers waren die pakketjes interessant vanwege het hoge rendement (door het innen van de hoge rentes op de hypotheken). Toen de huizenprijzen daalden zakte de werkelijke waarde onder de hypotheken vandaan en kelderde daarmee ook de waarde van dit soort derivaten (afgeleide financiële producten).
De kopers van de doorverkochte pakketjes kenden de huiseigenaren niet (vaak de wat armere Amerikanen die hun verplichtingen niet meer na konden komen) en wisten de risico’s niet goed in te schatten. Commerciële medewerkers letten niet goed op de risico’s en lieten graag goede omzet- en winstcijfers zien. Dat kwam hun bonussen en die van hun superieuren ten goede.
Banken wisten van elkaar niet of en hoeveel dubieuze pakketjes ze gekocht hadden, hoeveel er afgeschreven moest worden en hoe hoog de verliezen waren. In de Verenigde Staten kwamen enorme hypotheekverstrekkers als Fannie Mae en Freddie Mac in de problemen. Dit was ongekend. Instituties die deels in de jaren ’30 waren opgericht om de crisis uit de jaren ’20 tegen te gaan, werden nu zelf onbetrouwbaar. Eén van de oudste zakenbanken, Lehman Brothers, ging failliet. Het bracht een schok in de financiële wereld teweeg. Over de hele wereld probeerden financiële instellingen hun geld veilig te stellen. Deze ontwikkeling betekende dat wereldwijd het vertrouwen in het financiële stelsel ineenzakte. Aandeelhouders schrokken van deze berichten en het vertrouwen op de beurzen nam snel af. Mensen wilden hun aandelen van banken kwijt. Koersen van financiële instellingen kelderden. Het interbancaire verkeer, het belangrijkste fundament onder het bankwezen, viel vrijwel volledig stil. Economisch gezonde banken raakten in ernstige problemen. Ze konden niet meer aan vers geld komen.
In Nederland kwamen banken als ABN AMRO en Fortis zo ernstig in de problemen, dat ze in handen van de staat kwamen. Voor andere banken werd een noodfonds opgericht, waar al snel door grote banken als ING en Aegon gebruik van werd gemaakt. Vanaf het najaar begon dit stokken van de wereldwijde kapitaalstromen ook de zogenaamde reële economie in Nederland te raken. De eerste geluiden van stagnatie waren te horen in de metaal-, transport- en bouwsector.

omhoog

Speculatief kapitaal

De ‘subprime-hypotheken’ vormen het topje van de ijsberg van het financiële probleem van de Verenigde Staten en tegelijk ook van het probleem van de huidige crisis in de wereldeconomie. Amerika’s grootste probleem is dat het weigert binnen zijn financiële grenzen te leven. Het leeft al jaren boven zijn stand. Het land wordt geplaagd door een dubbel tekort: op de staatsbegroting en op de handelsbalans. De consument spaart niet. Het land moet voor zijn investeringen en oorlogen lenen in het buitenland (vooral in China) en overal ter wereld voor zijn economie beslag leggen op natuurlijke bronnen.
De Verenigde Staten zijn zo voor hun enorme economische expansie afhankelijk van geldgroei. Op grond van nieuwe informatietechnologieën zijn de afgelopen decennia wereldwijde virtuele of ‘afgeleide’ financiële markten (derivatenmarkten) gecreëerd. Op deze markten worden de financiële verwachtingen van mensen ten aanzien van de toekomstige waarde van bepaalde valuta, grondstoffen, aandelen en leningen verhandeld. Deze derivatenmarkten hebben van eind 2004 tot eind 2007 een groei van 120% vertoond. Eind 2007 was er bijna 600.000 miljard dollar aan derivaten in omloop, en dat terwijl de totale wereldproductie in dat jaar slechts 54 miljard bedroeg. Het internationale geldcircuit is zo tientallen malen groter dan het totale volume van de internationale handel in goederen en diensten. Minder dan 2% van de financiële transacties heeft betrekking op de handel in goederen en diensten. De rest is voor het overgrote deel puur financiële speculatie.
De economische expansie van de Verenigde Staten is gebaseerd op de afhankelijkheid van deze speculatieve kapitaalverschaffers. De maatregelen van de Verenigde Staten om de kredietcrisis te bestrijden zijn vooral gericht op het behoud van het vertrouwen van deze kapitaalverschaffers. Dat laatste betekent vooral dat kapitaalverschaffers door het verscherpen van toezicht moeten worden beschermd tegen constructies die zich tegen hen kunnen keren. De werkelijke oorzaak van de crisis, de kwetsbaarheid van de economie van de Verenigde Staten en de wereldeconomie in zijn afhankelijkheid van de wereldwijde bewegingen van speculatief kapitaal, wordt met deze maatregelen echter niet aangepakt.

omhoog

Crisisgevoel in Nederland?

Sinds medio februari 2009 verkeert Nederland officieel in een recessie, dat wil zeggen dat op dat moment de Nederlandse economie twee achtereenvolgende kwartalen een daling van het reële Bruto Binnenlands Product had laten zien. Het is even wennen dat we niet meer te maken hebben met economische groei maar met krimp. Voor dit jaar wordt een krimp van de economie verwacht van rond de 3,5 %. Wat begon als een kredietcrisis is een regelrechte economische crisis geworden met alle gevolgen van dien: bedrijven die niet rendabel gehouden kunnen worden, toenemende werkloosheid, onzekerheid over de ontwikkeling van koopkracht, onzekerheid over de waarde van beleggingsverzekeringen, pensioenen en over de waardevastheid van koopwoningen. Wat dit laatste betreft werd in maart 2009 bekend gemaakt dat voor het eerst in 14 jaar de huizenprijs is gedaald. Medio april werd bekend gemaakt dat Nederlanders sinds het begin van de financiële crisis gemiddeld 26.000 euro armer zijn geworden. In totaal is dat 325 miljard euro. Het vermogen in aandelen, pensioenen en huizenbezit is zo gezamenlijk met 13 % afgenomen.
In Nederland is de situatie momenteel dubbelzinnig. Grote banken worden aan de ene kant benaderd als op zijn minst medeverantwoordelijk voor de huidige situatie. Aan de andere kant is er ook het bewustzijn dat de ‘aandeelhouder in de burger’ hoge rendementen verwachtte en dat we wellicht ‘allen’ verantwoordelijk zijn. De remedie door de banken zelf geuit om de klanten weer centraal te stellen, roept tegelijk de bedenking op of de belangen van klanten niet te uiteenlopend en te tegenstrijdig zijn om op te kunnen varen. Aan de ene kant berichten over enorme bedragen waarmee financiële instellingen ondersteund zijn, aan de andere kant berichten over een welkomstbonus voor een aantredend topman en over de uitkering van bonussen, omdat ze nu eenmaal al eerder afgesproken waren. Daarbij beleven we momenteel in een tijd van kenterende welvaart aan de ene kant een jaar waarin mede dankzij een lage inflatie (de geldontwaarding in verhouding tot de prijzen van het levensonderhoud) de koopkracht van de meesten nog aardig op peil is gebleven. Aan de andere kant hebben velen bericht gehad van hun beleggingsverzekering dat het rendement over 2008 tegenviel, zo het zich niet in de min bevond. Sommigen hebben bericht gehad dat hun pensioenuitkering niet geïndexeerd wordt, anderen dat hun pensioenpremie verhoogd zal worden. Allemaal hebben we de voorstellen van de overheid vernomen dat we mogelijk tot ons 67e levensjaar door moeten werken om de pensioenfondsen meer herstelkansen te geven en de vergrijzing het hoofd te bieden. De toekomstige arbeidsmarkt kan die extra mensjaren misschien goed gebruiken, de actuele arbeidsmarkt lijkt echter zo ruim (nog) niet. Wat de werkgelegenheid betreft, bevinden vooral mensen in tijdelijke banen zich in een kwetsbare positie. Daarnaast ziet de directe arbeidstoekomst van mensen met een geringe of onvoltooide opleiding, mensen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheiduitkering, en mensen ouder dan 55 jaar er niet rooskleurig uit. Met name in het zuiden van het land zitten duizenden mensen in de werktijdverkorting. Zullen die mensen doorstromen naar deeltijd-WW of wacht hen toch nog ontslag?
Ook al wordt door sommigen de crisis begroet omdat ze mensen leert om bewuster en voorzichtiger met hun geld om te gaan, de sfeer kan al met al misschien nog het best gekenschetst worden als onzeker. Wat dat laatste betreft bewaarheidt de kredietcrisis zich in haar meest letterlijke betekenis als een vertrouwenscrisis. We weten nog niet hoe de huidige crisis zich zal ontwikkelen, hoe lang die aan zal houden en wanneer het herstel zal inzetten. Producenten zijn afwachtend en voorzichtig met investeringen. Consumenten houden hun hand op de knip en sparen voor later. Mogelijk onder invloed van de onzekerheid over gangbare banken beleven duurzame banken als Triodos en ASN tijden van groei. Behalve sparen bij deze banken, hebben velen dit jaar ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een betaalrekening bij deze banken te openen. ‘Betalen met idealen’ blijkt meer dan een geslaagde reclameleus in een tijd van twijfel over het gangbare bankwezen en een tijd van toenemende bezinning op de omgang met de eigen financiële middelen.

omhoog

Hoofdlijnen in het debat

Vanaf het begin van de kredietcrisis is er veel over gezegd en geschreven. Die veelheid in het debat brengen we hier tot een aantal hoofdlijnen terug. Aanvankelijk werd er veel gedebatteerd over de ‘subprime-hypotheken’ als de oorzaak van de kredietcrisis. Het probleem zou vooral gelegen zijn in hoog rendement belovende financiële producten, die via ondoorzichtige financiële constructies gebaseerd waren op deze hypotheken. Die visie werd vaak gekoppeld aan de overtuiging dat door middel van deze producten op onverantwoorde wijze ruimte was gegeven aan het najagen van financieel rendement op de korte termijn. De mening was dat de overheid moest ingrijpen en door middel van meer regelgeving en strenger toezicht de ondoorzichtigheid van dit soort producten moest bestrijden.
Anderen daarentegen pleitten voor ‘echte marktvrijheid’. Zij zagen de kredietcrisis veroorzaakt door een overheid die het woningbezit in de Verenigde Staten ook over de laagste bevolkingsgroepen wilde verspreiden en daartoe bij wet massaal de mogelijkheid van riskante hypotheken bevorderde. De overheid had met andere woorden een probleem gecreëerd door de markt niet vrij te laten, maar door middel van wetten een bepaalde kant op te duwen.
In een volgend stadium in het debat werd ook het speculatieve karakter van de huidige wereldeconomie ter sprake gebracht. De ‘subprime-hypotheken’ zouden zichtbaar gemaakt hebben hoezeer de zogenaamde virtuele economie van speculatieve geldstromen de reële economie van de productie en consumptie van goederen en diensten op sleeptouw had genomen. In plaats van dat de virtuele economie gebaseerd was op de reële, was de reële economie afhankelijk gemaakt van de speculatieve geldstromen uit de virtuele.
Voor de toekomst werd gewezen op de noodzaak om de virtuele economie (het creëren van geld) te baseren op en dienstig te maken aan de reële economie: de reële productie en consumptie van goederen en diensten. Dat zou het pleidooi voor de soliditeit of degelijkheid en betrouwbaarheid van de economie genoemd kunnen worden. Een geluid dat vanaf het begin van de kredietcrisis ook heeft geklonken, is dat de virtuele economie, behalve op soliditeit, dus gebaseerd op de reële productie en consumptie, ook gebaseerd moet zijn op solidariteit en duurzaamheid. Daarmee doelt men op een economie die in de eerste plaats goederen en diensten voortbrengt die wereldwijd nodig zijn om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Daarnaast gaat het er in een duurzame en solidaire economie om, dat de wijze van produceren en consumeren gebaseerd is op de draagkracht van de wereldsamenleving en het ecosysteem.

omhoog

Meer duurzaamheid?

De dominante toon in het debat is meer regelgeving, beter toezicht en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen door financiële instellingen en ondernemingen zelf. Toch kunnen binnen deze dominante toon de visies nog danig verschillen. In de Verenigde Staten maakte aanvankelijk de mening zich sterk dat een reparatie van het huidige systeem, door middel van een verbeterd toezicht, voldoende zou zijn. Daarnaast groeide ook daar de overtuiging dat de voedsel-, energie-, grondstoffen-, klimaat- en kredietcrisis samenhangen en dat aandacht voor sociale en ecologische waarden van meet aan in het productie- en consumptieproces verdisconteerd moeten worden.
In ons eigen land lopen de meningen ook behoorlijk uiteen. Met name in de kringen van de coalitiepartijen wordt het zogenaamde Rijnlandse model bepleit. Anders dan het Angelsaksiche model, dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten dominant is en waarin het realiseren van aandeelhouderswaarde op de korte termijn centraal staat, is dit een model waarin sociale en ecologische belangen meegewogen worden. Door middel van een kleine maar sterke overheid en een sterk ontwikkeld maatschappelijk middenveld worden de scherpe kanten van het kapitalisme weg gevijld, maar blijft de ondernemende kracht ervan behouden.
Tegenover dit Rijnlandse model wordt door het Platform Duurzame en Solidaire Economie, dat begin 2009 in het nieuws was met het zogenaamde Manifest van Antwerpen, een economische orde bepleit waarin sociale en ecologische waarden van meet aan een meer richtinggevende rol spelen. Vanuit dit Platform wordt ook met belangstelling gekeken naar de ontwikkeling van alternatieve geldsystemen en burgerinitiatieven die een eigen juridische structuur ontwikkelen voor het gemeenschappelijk gebruik maken van rentevrij kapitaal.
Er lijkt dus over het algemeen een beweging gaande in de richting van meer duurzaamheid, van meer oog voor mens en natuur, voor sociale en ecologische waarden. In het bedrijfsleven treffen we ook al langere tijd het fenomeen aan van maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij door ondernemingen de balans wordt gezocht in het omgaan met economische, sociale en ecologische waarden. Deze beweging naar duurzaamheid lijkt dan ook de toekomst te hebben! Echter hoe radicaal duurzaam deze beweging zal worden is nog sterk de vraag.

omhoog

Duurzame globalisering?

We komen misschien het meest duidelijk op het spoor wat het Rijnlandse model ten aanzien van duurzaamheid precies inhoudt in het Advies van de Sociaal Economische Raad Duurzame Globalisering: een wereld te winnen. Dit advies werd midden 2008 door sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties) uitgebracht en begin 2009 door het kabinet omarmd. Dit advies wijst voor de komende jaren de richting wat betreft de afstemming van de Nederlandse economie op een duurzame globalisering.
Het motto van het Advies lijkt aardig te sporen met het besef dat de kredietcrisis bij velen gewekt heeft: men wil werken vanuit een breed welvaartsbegrip en zo de basis leggen voor duurzame ontwikkeling door evenwicht te brengen en te behouden tussen de drie dimensies van duurzaamheid: profit, people en planet, oftewel economische, sociale en ecologische waarden. In de uitwerking ervan wordt welvaart echter allereerst nationale materiële vooruitgang genoemd. Duurzame ontwikkeling komt vervolgens ter sprake als flankerend beleid. Wat betreft het Nederlandse economische beleid wordt gesteld dat het doel daarvan moet zijn om de kansen voor productiviteitsgroei en werkgelegenheid via de internationale handel maximaal te benutten. Het Advies pleit voor het handhaven van een offensieve sociaaleconomische beleidsstrategie: structurele verbetering van de productiviteit en de arbeidsparticipatie. Hierin past ook de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Dergelijk beleid past in de zogenaamde ‘Lissabon strategie’ uit 2000. Het streven van dit beleid is om de Europese economieën om te vormen tot de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën in de wereldeconomie. Binnen dit beleid dient volgens het advies op het punt van de duurzaamheidaspecten rekening te worden gehouden met de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse bedrijven op de wereldmarkt. Als de belangen van deze bedrijven worden bedreigd, moeten tijdig effectieve maatregelen worden genomen. Dit laatste lijkt niets anders te betekenen dan dat wanneer het economische belang in het gedrang komt, het sociale en ecologische belang het onderspit delven. Bij nader inzien moeten we zo vaststellen dat het Advies zich in de eerste plaats richt op het nationale belang in termen van materiële vooruitgang. De kwaliteit daarvan in termen van sociale en ecologische duurzaamheid, met name ook in wereldwijd perspectief, zijn daarbij van secundair belang.
Wanneer het Advies iets zegt over de wijze waarop in het huidige Rijnlandse model sociale en ecologische waarden worden meegewogen dan moet de heldere conclusie zijn dat de ‘p’ van profit prominent op de eerste plaats staat en dat people en planet op een tweede plaats staan in het kader van flankerend beleid.
In zijn boek Wegen van hoop in tijden van crisis (2009) karakteriseert Bob Goudzwaard dit heersende Rijnlandse model als een nazorgeconomie. Hij doelt daarmee op een economisch systeem dat mikt op een zo hoog mogelijke economische groei, om pas van daaruit sociale en ecologische problemen te verhelpen. Het bezig zijn met duurzaamheid heeft in dit soort economieën het karakter van een reparatie van problemen achteraf. Waar we volgens Goudzwaard naar toe moeten is een voorzorgeconomie. In een dergelijke economie gaat het om het voorrang geven aan sociale en ecologische problemen en het van daaruit kijken naar de benodigde en daarbij passende schaal van productie en consumptie.
Goudzwaard is ook één van de leidende mensen achter het Platform Duurzame en Solidaire Economie. Dit Platform bepleit dat de aandacht voor duurzaamheid behelst, dat er op z’n minst op een gelijkwaardige wijze aandacht wordt gegeven aan de drie dimensie ervan: de financieel-economische, de sociale en de ecologische dimensies. Tegelijk wijst het Platform erop dat de ernst van de situatie, met een met de huidige economische crisis samenhangende voedsel-, klimaat-, energie- en grondstoffencrisis, ons er misschien wel toe noodzaakt om sociale en ecologische waarden de positie te geven van primaire en richtinggevende waarden.

omhoog

Kerken en het debat

Op verschillende plekken hebben kerken debatten georganiseerd over de kredietcrisis. Deze initiatieven kunnen soms helpen om het gesprek over de kredietcrisis in een lokale samenleving op gang te brengen. Het debat in onze samenleving over de kredietcrisis is een voortgaand proces waarin zeker niet door kerken het laatste woord gesproken hoeft te worden. Bij de organisatie van zo’n debat is het echter goed dat kerken laten blijken wat hun zorgen zijn. Zorgen over mensen die hun werk (dreigen te) verliezen. Zorgen over de scheve verdeling van welvaart over onze planeet en zorgen over de verdere aantasting van het ecosysteem. Kerken herbergen mensen met verschillende belangen in hun gemeenschap. Het is hun als het ware op het lijf geschreven om duurzaamheid ter sprake te brengen als een spanningsveld van verschillende dimensies. Een spanningsveld waarin we allemaal staan en onze keuzes maken. Via werk en consumptie zijn we allemaal verbonden met dit economische systeem. Een (indirecte) rol als aandeelhouder hebben we vaak via onze deelname aan pensioenfondsen en verzekeringen. Kerken hebben ook zelf vaak de beschikking over financiële middelen. Het debat in kerken over dit onderwerp gaat daarmee ook over onszelf. Of de huidige kredietcrisis een ‘Kairosmoment’ wordt, hangt niet alleen samen met keuzes van ondernemingen en overheden, maar is ook afhankelijk van de keuzes die we persoonlijk en als onderdeel van het maatschappelijk middenveld (inclusief kerken) maken.

omhoog

Naar andere signalementen

home

i