home

SIGNALEMENTEN
VAN ARBEIDSPASTORAAT DISK

WERKLOOSHEID, SCHULDEN EN ARMOEDE
Uit het jaarverslag 2010

Elk jaarverslag van de Stichting landelijk bureau DISK opent met een beschouwing, waarin we beeldend en bezinnend omschrijven wat we ontmoeten en hoe we er mee omgaan. Het essay vertolkt een inhoudelijk signalement van het bestuur over actuele ontwikkelingen rond arbeid, zorg en inkomen in dat jaar.

Klik hier om onderstaand essay als Word-document te downloaden.

Door Hub Crijns en Herman Noordegraaf

Inleiding

In 2010 staan de activiteiten van landelijk bureau DISK voor een belangrijk deel in het teken van aandacht voor de gevolgen van de economische crisis in ons land. Een ingrijpend gevolg van de crisis is voor veel mensen de toename van de werkloosheid geweest, de toename van de armoede en de toename van de huishoudens met schulden. Dit essay schetst kort de mensen waar het om gaat, hoe kerken betrokken zijn met diaconale hulp, cijfers over werkloosheid, armoede, schulden, en wat kerken kunnen doen.

De gezichten van armoede

Armoede heeft vele gezichten, ook in Nederland, in elk dorp, elke plaats. Schrijnend zichtbaar zijn de ontheemden en verwarden die wij vaak op straten van grotere steden tegenkomen. Soms ervaren wij hun aanwezigheid als overlast. Even schrijnend zichtbaar zijn de 120 voedselbanken en de 20.000 huishoudens, die daar eind 2010 gebruik van maken. Het taboe rond de voedselbanken is door de TV-serie en actie van de familie Froger in 2008 duidelijk doorbroken.
Minder zichtbaar is de stille armoede, die zich afspeelt achter de voordeuren van mensen in alle delen van Nederland, die er op het eerste gezicht vaak niet arm uitzien. Het zijn de gezichten van ouderen, vaak vrouwen met een AOW. De gezichten van allerlei uitkeringsgerechtigden, die een verschraling van de voorzieningen moeten meemaken. Die gezichten hebben allerlei etnische kleuren en ook hier zijn het vooral vrouwen. Het zijn ook de gezichten van betaald werkende mensen, die ondanks hun ploeteren in verschillende baantjes, op of onder de armoedegrens leven. Heel vaak zijn dit ook kleine zelfstandige ondernemers of familiebedrijven.
Eén ingrijpende gebeurtenis kan mensen naar het bestaansminimum duwen. Denk aan echtscheiding, overlijden, verlies van de baan (vooral nu de wereldwijde kredietcrisis zichtbaar wordt), te hoge woonlasten. Het zijn de gezichten van werklozen en mensen die daardoor problemen met de hypotheekaflossing krijgen. De gezichten van mensen met schulden laten vermoeden dat dit steeds vaker voorkomt. De gezichten van vluchtelingen, illegalen, arbeidsmigranten, Roma en Sinti zijn ook zichtbaar her en der.
In al die huishoudens die worstelen met armoede groeien kinderen op. Hun gezichten laten meestal de zorgen van armoede niet zien, maar ze maken wel die levenservaring mee.

omhoog

Armoede en diaconale hulp

In 2010 hebben vijftien kerken en bisdommen de resultaten bekend gemaakt van een onderzoek naar de financiële hulp, die Parochiële Caritas Instellingen (PCI), diaconieën en andere kerkelijke instellingen geven aan individuen in nood. Het onderzoek Armoede in Nederland 2010 is op 4 november gepresenteerd (Alle resultaten en de teksten staan op www.armekant-eva.nl en op de website: www.kerkinactie.nl/armoedeonderzoek).

Ruim driekwart van de kerken geeft aan betrokken te zijn bij diaconale hulp, zowel aan individuen als door middel van collectieve projecten. Het aantal hulpvragen is in het crisisjaar 2009 gestegen. Binnen de Protestantse Kerk in Nederland zijn de hulpvragen verdubbeld van 7.623 in 2008 naar 15.852. Bij de Rooms-Katholieke Kerk is het aantal met ruim 20% gestegen van 9.809 in 2008 tot 11.911 aanvragen om hulp in 2009. Dat is ook het beeld bij de andere deelnemende kerken. De totaalcijfers laten zien dat een diaconale organisatie gemiddeld 11,2 aanvragen per jaar ontvangt. Gemiddeld besteedt een diaconale organisatie een bedrag van € 4.058 aan individuele financiële hulpverlening. Omgezet in totaalcijfers komt het erop neer dat de diaconale organisaties € 12.327.739 aan individuele hulpverlening hebben besteed. Naast individuele hulp ondersteunen de diaconale organisaties ook collectieve initiatieven van armoedebestrijding zoals noodfondsen, voedselbanken of andere diaconale doelen, die zich op groepen richten, zoals jongeren, vrouwen en ouderen. Daarmee is een bedrag gemoeid van € 12.206.330. Dit optellend bij het eerder genoemde bedrag voor individuele hulp en de specifieke middelen die besteed worden om de situatie van mensen te verlichten via kerstpakketten, te weten € 3.369.915 en ondersteuning via inloophuizen, te weten € 1.715.562 is met de diaconale hulp een totaalbedrag gemoeid van € 29.619.546.

omhoog

Wie worden vooral door kerken geholpen?

De kerken helpen geen andere groepen dan in reguliere onderzoeken rond armoede van het SCP en CBS naar voren komen. Vooral alleenstaande ouders worden geholpen (51,8%), direct gevolgd door mensen zonder betaald werk (48%). Volgens de gegevens van de kerken zijn dit niet samenvallende groepen. Andere veelvoorkomende groepen zijn ouderen, asielzoekers en mensen met psychische beperkingen. Diaconale organisaties geven aan dat hulpvragen vooral nodig zijn vanwege schuldenproblematiek of dat men lang met een laag inkomen moet rondkomen. De derde veel genoemde oorzaak is de onbekendheid met regelgeving en de bureaucratie. Ook incidentele hoge uitgaven waarvoor op een andere manier geen voorzieningen voorhanden zijn, veroorzaken dat mensen hulp moeten vragen bij een diaconale organisatie.
De belangrijkste conclusie zit op het einde van alle cijfers. Grote groepen burgers zijn langdurig afhankelijk geworden van diaconale hulp. Hun positie is dermate kwetsbaar dat hun recht op het opbouwen van een zelfstandig economisch bestaan teniet is gedaan. De zorg- en beschermingstaak van de overheid blijkt te kort te schieten. Dat is iets wat de kerken tegen de borst stuit. Dit onderzoek zal daarom niet alleen in eigen kring besproken moeten worden, maar hoort vooral thuis op de tafels waar het gesprek wordt gevoerd met de lokale en landelijke overheid, overige partijen en organisaties. Zeker nu het gevaar dreigt dat de financiële draagkracht en ondersteuning van deze groepen door bezuinigingen nog meer onder druk komen te staan. De diverse onderzoeken en de ervaringscijfers van de kerken leren dat de situatie in Nederland erger is geworden. De armoede is gegroeid en daarmee samenhangend de huishoudens in schulden. Er is alle aanleiding om waar dat kan hulp in te zetten. Dat kan onder de noemer van barmhartigheid en dan wordt vooral noodhulp en incidentele ondersteuning ingezet. Onder de noemer van gerechtigheid is ook betrokkenheid nodig: met structurele maatregelen is armoede ook te bestrijden voor grotere groepen. Daar is inzet van iedereen voor nodig en die gevraagde solidariteit door en voor iedereen maakt het spannend omdat het dan gaat om politieke argumentatie en strijd.

Werkloosheid in cijfers

De werkloosheid in Nederland kent in 2010 een dalende tendens. Hoewel veel andere indicatoren van de economie op rood staan vanwege de doorwerking van de economische crisis, is de trend van de werkloosheidscijfers juist andersom.

Nederland
x 1.000

Bevolking van 18-65 jaar

Beroeps-
bevolking

Werkzame
Beroeps-bevolking

Werkloze
Beroeps-
bevolking

Percen-tage

Kwartaal I

11.014

7.780

7.312

467

6,0

Kwartaal II

11.016

7.807

7.370

437

5,6

Kwartaal III

11.018

7.866

7.455

410

5,2

Kwartaal IV

11.020

7.816

7.426

390

5,0

Totaal

11.017

7.817

7.391

426

5,4

De hoogste werkloosheid zit in 2010 in de provincie Drenthe met gemiddeld 6,9%, gevolgd door de provincie Flevoland met 6,5%. De provincie Utrecht heeft met gemiddeld 4,6% de laagste werkloosheid. Van de grote steden scoort Rotterdam met gemiddeld 8,8% het hoogst en Utrecht met gemiddeld 5,2% het laagst.
Bij deze cijfers valt op te merken dat door de invoering van de Wet Investeren in Jongeren vanaf 1 oktober 2009 (WIJ) de cijfers van de jonge beroepsbevolking niet meer volledig doortellen in de werkloosheidscijfers. WIJ moet ervoor zorgen dat alle jongeren tot 27 jaar een opleiding volgen of werken. Ook jongeren die nu niet naar school gaan en geen werk hebben. Jongeren kunnen geen uitkering aanvragen maar krijgen een werkleeraanbod. Dat is een opleiding of werk, of een combinatie daarvan. Op basis van het werkleeraanbod, beoordeelt de gemeente of iemand recht heeft op een (aanvullende) inkomensvoorziening op grond van de WIJ. De bedoeling van WIJ is te voorkomen dat jongeren zonder diploma of werkervaring thuis blijven zitten. De gevolgen zijn dat een deel van de jongeren zich niet meer aanmeldt voor een uitkering of als baanzoekende. Dat deel verdwijnt gewoon uit de cijfers.
Een tweede opmerking is dat in de werkloosheidscijfers de toestand van de flexibele arbeidsmarkt niet volledig zichtbaar is. Onduidelijk is hoeveel flexibele arbeidskrachten in 2010 actief zijn op de arbeidsmarkt, dan wel door de crisis geen baan meer hebben. En onduidelijk is hoeveel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) door de crisis hun werk (gedeeltelijk) zijn kwijt geraakt. Ook deze groep is voor een groot deel niet in de werkloosheidscijfers terug te vinden.

omhoog

Armoede in cijfers

Nederland kent eind 2009 15,698 miljoen mensen, die leven in 6,9 miljoen huishoudens. Daarvan leven er blijkens het Armoedesignalement 2010 eind 2009 531.000 (7,7%) onder de lage-inkomensgrens. We hebben het dan over 1.090.000 personen. Ten opzichte van 2008 komt dit neer op een stijging met 41.000 mensen (0,2%). In 2009 leefden 164.000 huishoudens al vier jaar of langer onder de lage-inkomensgrens. Dat komt overeen met 2,6% van alle huishoudens; dat is net zoveel als in 2008. In aantallen personen gaat het dan in 2009 om 328.000 (2,3% van de bevolking).
Als de beleidsmatige armoedegrens erbij gepakt wordt, blijkt dat in 2009 in totaal 482.000 huishoudens (7,0%) in armoede leven. In 2008 is dat 6,4%. Van deze huishoudens leven zes op de tien met bijstand als belangrijkste inkomensbron. Bij huishoudens met een migrantenafkomst ligt het percentage armoedehuishoudens vier keer hoger dan bij huishoudens met een Nederlandse achtergrond.

In Nederland worden vier armoedegrenzen gehanteerd.
De beleidsmatige armoedegrens is de hoogte van de sociale uitkeringen, die elk half jaar door de Regering worden vastgesteld.
De lage-inkomensgrens is afgeleid van het bedrag dat een alleenstaande bijstandsgerechtigde in 1979 ontving. Voor latere jaren is deze norm bijgesteld via de consumentenprijsindex. Dit niveau is niet gekoppeld is aan een bepaald minimaal consumptiepakket. Dit niveau wordt verhoogd voor diverse samenlevingsvormen: meerpersoonshuishoudens en kinderen.
De budgetgerelateerde grens is door het Sociaal Cultureel Planbureau in 2005 vastgesteld met behulp van normbedragen, die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) regelmatig publiceert. Deze armoedegrens is uitgewerkt in twee varianten. Het referentiejaar is 2000 (en wordt vanaf dat jaar geïndexeerd).
a.  In de laagste variant is gekeken naar wat men in Nederland voor een alleenstaande als volstrekt minimaal kan beschouwen, ofwel de basisbehoeften (basic needs) en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Dit zijn de nauwelijks te vermijden uitgaven voor voedsel, kleding, wonen (o.a. huur, verzekeringen, energie, water, telefoon, inventaris, onderhoud woning en woongerelateerde belastingen) en enkele overige posten (zoals voor vervoer, extra ziektekosten, persoonlijke verzorging en wasmiddelen).
b.  In de tweede variant zijn ook bescheiden uitgaven opgenomen voor recreatie, lidmaatschap van een bibliotheek, een sport- of hobbyvereniging, een abonnement op een krant en tijdschrift, en een huisdier. Zo’n consumptiepeil wordt aangeduid als niet veel, maar toereikend (modest but adequate).

omhoog

In vergelijking met de lage-inkomens armoedegrens is het opvallende aan deze beide budgetgerelateerde armoedegrenzen, die gebaseerd zijn op vaststelling van de levensbehoeften, dat het aantal armen daalt.
Volgens de niet-veel-maar-toereikende armoedegrens leeft in 2009 6,2% van de Nederlanders in een huishouden met een besteedbaar inkomen onder deze grens. Dat zijn 971.000 personen in 453.000 huishoudens. In 2008 verkeert 5,5% van de personen onder deze grens. Op basis van het niet-veel-maar-toereikendcriterium neemt de langdurige armoede van 2008 op 2009 wel toe. Het aandeel personen dat tenminste drie jaar onder deze grens leeft is gestegen van 2,0% tot 2,2%.
De strengere basisbehoeften armoedegrens levert in 2009 een nog lager aantal armen op: 4,4% van alle Nederlanders, ofwel 684.000 personen in 315.000 huishoudens. In 2008 gaat het om 3,8% van alle Nederlanders, ofwel 600.000 personen in 285.000 huishoudens

omhoog

Kinderen in armoede

Eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen, huishoudens uit diverse etnische groepen, alleenstaanden tot 65 jaar, chronisch zieken en mensen met een beperking, en ouderen zonder pensioenregeling kampen het vaakst met armoede.
Het aandeel kinderen van 0-17 jaar in armoede is in 2009 gestegen. In 2009 is hun aantal volgens de lage inkomensgrens 331.000 (9,9%), waarvan 108.000 langer dan vier jaar. Ruim vier op de tien van hen groeit op in een bijstandsgezin.
Volgens de armoedegrens niet-veel-maar-toereikend leven in 2009 311.000 kinderen of 9,1% van de 0-17 jarigen in een arm huishouden. In 2008 is dat 8,1%.
Deze jonge mensen worden geconfronteerd met problemen op verschillende terreinen: sociaal-emotionele ontwikkeling, onderwijs, gezondheid, inkomen. Een kwart van de gezinnen op het minimum eet niet elke dag een warme maaltijd, omdat het geld ontbreekt.

omhoog

Meer werkende armen

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) beschouwt een betaald werkende als arm indien hij of zij onder de armoedegrens zit en werkend is, en het inkomen uit werk het grootste bestanddeel is van het totale inkomen. Het sociaal minimum voor een alleenstaande is 917 euro per maand (inclusief vakantietoeslag), voor een gezin (ouders, twee kinderen) 1450 euro (niveau 2010).
Rond 1990 staan tegenover één werkend arm huishouden twee arme uitkeringsgerechtigde huishoudens. Aan het eind van het decennium is die verhouding opgelopen tot één op één. In het jaar 2000 zijn er 232.000 huishoudens met als belangrijkste inkomstenbron werk in loondienst of als zelfstandig ondernemer zonder personeel (zzp’er), die met hun inkomen onder de lage-inkomensgrens bleven. In 2007 constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau dat er 281.000 mensen zijn die wél betaald werken, maar toch arm zijn.
Het aantal werkende armen is in 2010 gestegen tot 576.000. De verslechtering is voornamelijk toe te schrijven aan de economische crisis. Hierdoor hebben veel flexwerkers en zzp’ers hun werk verloren. Van zelfstandigen die hun bedrijf overeind hebben kunnen houden zijn de inkomsten behoorlijk gedaald.
‘Werkende armen’ maken een groeiend deel uit van de totale groep arme huishoudens; hun aandeel neemt het afgelopen decennium toe van 50% naar 59%.

Migranten en niet-westerse huishoudens in armoede

Het armoederisico van mensen van Turkse, Marokkaanse of overig niet-westerse herkomst is eind 2009 18-22%. In 2009 heeft bijna een kwart van de huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner een laag inkomen. Dit is ruim driemaal zo veel als gemiddeld en vier keer zo veel als onder autochtonen. Bij niet-westerse huishoudens heeft het lage inkomen bovendien vaker een aanhoudend karakter: bij hen komt een langdurig laag inkomen daardoor bijna vier keer zo veel voor als gemiddeld. Huishoudens waarvan de hoofdkostwinner uit Marokko afkomstig is, zijn in 2009 met 13,6% het meest getroffen door een langdurig laag inkomen. Onder Surinaamse huishoudens komt een langdurig laag inkomen in 6,7% voor.
De dynamiek van werk naar uitkering en omgekeerd is bij niet-westerse allochtonen groter dan bij autochtonen, vooral bij jongeren. In economisch slechte tijden (2005 en 2009) neemt het percentage met een laag inkomen sterker toe, in goede tijden (2006-2007) sterker af dan voor de totale groep huishoudens.

omhoog

Meer huishoudens in de problemen

Het aantal huishoudens met problematische schulden is verontrustend gegroeid de afgelopen drie jaar. Volgens CBS-cijfers van 200.000 in 2005 via 350.000 in september 2008 naar 500.000 eind 2008.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in 2008 opdracht gegeven voor een onderzoek naar huishoudens met een verhoogd risico op problematische schulden. In oktober 2009 heeft het bureau Panteia de resultaten gepubliceerd in Huishoudens in de rode cijfers. Bijna één op de tien huishoudens in Nederland kampt met problematische schulden. Dat zijn 700.000 huishoudens, met de effecten van de economische neergang nog voor de boeg! Nog eens 250.000 huishoudens kampen in oktober 2008 met hun financiën vanwege hun koophuis. In november 2008 blijken er dus ongeveer 1 miljoen huishoudens te zijn met een problematische geldhuishouding. In deze cijfers zit volgens de deskundigen 60% van de huishoudens met een laag inkomen, laaggeletterd, wisselende loopbaan met betaald werk. Dat is de groep die traditioneel bekend is vanuit de sociale zekerheid. Ongeveer 40% van deze groep is nieuw: hoog inkomen, tweeverdieners, hooggeletterd, stevige loopbaan met betaald werk. Bijzonder in deze groep is dat ze eerder in de problemen blijkt te komen door echtscheiding dan door werkloosheid.
Volgens het Armoedesignalement 2010 hebben arme huishoudens in 2009 volgens alle armoedegrenzen vaker financiële problemen dan huishoudens met een hoger inkomen. Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens rapporteren vaker betalingsachterstanden dan huishoudens met een hoger inkomen (2009: 17% tegen 4%). Ook geven ze vaak aan zich bepaalde uitgaven niet te kunnen veroorloven. Zo noemt ruim 11% onvoldoende geld te hebben voor een warme maaltijd met vlees, vis of kip om de dag. Bijna 40% heeft niet genoeg geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Ook geeft 37% aan (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen.
Uit de Monitor Betalingsachterstanden 2010 komt naar voren dat bij alle huishoudens alle onderscheiden vormen van betalingsachterstanden ten opzichte van de Monitor 2009 zijn toegenomen. Met inbegrip van de 32.000 trajecten voor de Wet Sanering Natuurlijke Personen (WSNP) zijn er einde 2010 in Nederland ruim 1,89 miljoen huishoudens met diverse vormen van betalingsachterstanden. Gerelateerd aan het totaal van bijna 7,1 miljoen huishoudens (CBS-Statline) blijkt dat dit 26,7% van alle huishoudens is. In 2009 ligt dit percentage met 6,9 miljoen huishoudens op 24,8%.
Op 11 april 2011 meldt ‘Trouw’ dat in de stad Amsterdam in 2010 ruim 12.500 gezinnen en alleenstaanden zich aangemeld hebben voor schuldhulp. Dat is 13% meer dan in 2009. In vier jaar tijd hebben ruim 40.000 huishoudens zich voor schuldhulpverlening aangemeld in de stad Amsterdam. Het bedrag aan schuld per huishouden neemt elk jaar toe in die laatste vier jaar: van 19.000 naar 27.000 euro gemiddeld. Het aantal schuldeisers stijgt ook: van gemiddeld 6,5 naar 9.
De Nederlandse Vereniging van Kredietbanken meldt eind april 2011 dat zich in 2010 in totaal 80.000 huishoudens hebben aangemeld voor schuldhulpverlening, ruim 25.000 meer dan in 2009.

omhoog

Perspectief in de nabije toekomst

De gevolgen van de kredietcrisis, economische crisis, eurocrisis en bezuinigingscrisis in 2010 en 2011 zijn nog niet verwerkt in de landelijke cijfers over armoede. Gedeeltelijk wel in de cijfers over schulden. De verwachtingen zijn, mede als het onderzoek naar diaconale hulp door kerken Armoede in Nederland 2010 als mede indicator gebruikt wordt, dat de armoede in kwantitatieve zin zal toenemen. Vooral de mensen met minder kansen op de arbeidsmarkt zullen in de armoede blijven. Temeer omdat door de bezuinigingen de hoogte van de herverdelingsinkomens behoorlijk zal gaan dalen. Waarschijnlijk is dat er een toename is naar 9 of zelfs 10 procent van de huishoudens.
Een kwantitatieve benadering van armoede is één manier van kijken. De kwalitatieve manier van kijken leert iets over wat armoede betekent voor mensen. Het niet volop mee kunnen doen in de samenleving, het tekort aan inkomen, het telkens moeten zorgen voor de dag van morgen: dat alles tekent mensen. Armoede heeft grote invloed op het leven van mensen, de relaties die ze aan kunnen gaan, de identiteit. Vooral huishoudens die al vier jaar of langer onder de beleidsmatige armoedegrens moeten leven hebben het moeilijk. Ouders blijken zichzelf weg te cijferen om hun kinderen betere kansen te geven. Het meest moeilijke is de uitzichtloosheid, het verlies aan toekomstperspectief.

omhoog

Wat dienen kerken te doen?

De vraag naar wat kerken in deze grote maatschappelijke problematieken dienen te doen verwijst naar de onderliggende visie op mens, maatschappij en kerk. Kerken doen mee en willen meedoen in de samenleving vanuit hun gelovig verstaan van Godsdienst en mensendienst. Dat wil zeggen dat zij vanuit hun kerkelijke participatie ook uitdrukkelijk verantwoordelijkheid willen dragen in het publieke domein. Op grond van de ervaringen in het diaconale veld dient de kerkelijke inzet altijd er één van kritische participatie te zijn op het lokale niveau (zoals het gemeentelijk armoedebeleid, de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en in het landelijk beleid.
Deze keuze voor kritische participatie betekent dat de kerken zich niet moeten afwenden van de samenleving met de motivering dat ze zich niet met ‘de wereld’ inlaten of zich alleen op de eigen leden richten. Die deelname betekent ook niet dat kerken zich in het publieke domein kritiekloos dienen aan te passen en accommoderen. Het gaat er om vanuit de eigen geloofsachtergrond en de eigen opdracht tot kerk-zijn mee te doen. Soms leidt dat tot overeenstemming met de inzet van anderen, soms echter tot een protest en soms ook tot verzet.
Kerken en diaconaat nemen deel aan de samenleving via een breed scala van activiteiten, zoals uit het onderzoek naar diaconale betrokkenheid in armoedesituaties blijkt. Het is van belang dat kerken daarbij bereid zijn om in netwerken met andere relevante groeperingen, organisaties en overheden samen te werken om zo des te effectiever noden te kunnen bestrijden. Zij dienen echter ook in die vormen van samenwerking kritisch te participeren, omdat zij, daartoe aangezet vanuit hun geloofstraditie, zullen signaleren wanneer mensen door de vloer van het bestaan zakken, of wanneer verschraling van zorg plaatsvindt, of wanneer de Nederlanders zich te zeer afsluiten voor mensen van elders uit de wereld. Daarbij zal het erom gaan een verworvenheid van de verzorgingsstaat, namelijk het rechtskarakter van sociale zekerheid en van sociale voorzieningen, overeind te houden in wetgeving en andere regelgeving, beleid, financiële prioriteiten en het rechtsbesef en onderlinge betrokkenheid in de samenleving. Dit met het oog op een fatsoenlijk bestaan voor een ieder en de volwaardige deelname van mensen in de samenleving naar hun mogelijkheden. Participatie van kerken valt niet samen met kritiekloze aanpassing aan dominante trends, maar gaat juist vanuit solidariteit met mensen in de knel gepaard met kritische bezinning op wat gaande is.

omhoog

Twee manieren van hulp verlenen

Bij armoedebestrijding en schuldhulpverlening en het kerkelijke doen of het helpen is het verstandig eerst onderscheid te maken tussen twee soorten van benadering of hulp bieden en organiseren, te weten de interventie benadering en de presentie benadering.
De eerste is die van de interventie benadering. Deze is kenmerkend voor alle professionele hulpverlening. Kenmerkend is de sociaal-technische aanpak: intake, analyse van wat het probleem is, diagnose rond middelen en instrumenten om het probleem op te lossen, uitvoeren van die middelen, evaluatie van de inzet met het beoogde effect of remedie en tenslotte de afsluiting. Meestal kenmerkt de interventie benadering zich door een procedure, een traject, een behandelplan, een tijdpad, een doel.
Andries Baart is de grondlegger van de theoretische beschrijving van een benadering van diaconaal handelen die de benaming heeft gekregen van presentietheorie of presentie benadering. Hier kunnen heel bondig enkele karakteristieken van die presentiebenadering geschetst worden. Kenmerkend is het er zijn voor de ander, de volgehouden nabijheid en solidariteit weegt zwaarder dan het hoe dan ook oplossen van problemen, zorg om de waardigheid en bejegening van de ander, de wederzijdsheid van de diaconale relatie. Belangrijk is: nooit iemand afschrijven ondanks zijn of haar tekortkomingen, het samen mee uithouden van het sociaal of persoonlijk lijden. Je kan met mensen meelopen, een hand uitsteken, de administratie op orde brengen, iemand leren lezen, meegaan naar een loket of een arts. Bij presentie horen ook signaleren, aanwijzen, verwijzen en als er teveel mensen gewond langs de weg liggen: protesteren, de publiciteit zoeken, zij die de middelen hebben om te helpen te pressen die in te zetten.
De rol van kerken zal vaker liggen in de presentie benadering, dan in de interventie benadering. Belangrijk is ook van elkaar weet te hebben, naar elkaar te verwijzen, gebruik te maken van elkaars capaciteiten en mogelijkheden.

omhoog

Vier strategieën in diaconaal handelen

In armoedebestrijding of helpen bij mensen in nood zijn in algemene zin vier strategieën aan te wijzen, die alle met een ‘c’ beginnen:

  • Communicatie: met mensen in nood, de eigen parochie of gemeente, anderen in de stad, andere kerken. Het gaat om voorlichten, informeren, signaleren, ontmoeten, netwerken, terugkoppelen, public relations, folders, pers, et cetera.
  • Coöperatie: werk samen met anderen, zowel bij plannen, uitvoeren, evalueren.
  • Compensatie: het opzetten van nieuwe activiteiten bij het constateren van een witte plek in de voorzieningen: opzetten sociaal noodfonds, hospice, inloophuis, exodushuis, eetgroep, voedselbank, kledingwinkel, enzovoorts.
  • Correctie: het weghelpen van gebleken zaken, die te kort schieten met betrekking tot noodlijdenden, zoals rond procedures, bejegening, bureaucratie, uitvoering, et cetera.

    omhoog

Voornaamste manieren van helpen vanuit kerken

Diaconale hulp geven aan mensen in nood en aan mensen met schuldproblemen kan op twee manieren: helpen met geld en helpen zonder geld.

a. Helpen met geld
Helpen met geld kan op meerdere manieren:
a.         Een financiële gift geven
b.         Een lening verstrekken, al of niet renteloos.
c.         Noodhulp in natura.
d.         Een hulpfonds of noodfonds.
e.         Sociaal, diaconaal en missionair pastoraat.

b. Helpen zonder geld
Helpen zonder geld kan ook op meerdere manieren:
a.         Naast de belanghebbenden gaan staan.
b.         Activeren van de eigen kerkelijke achterban.
c.         Zichtbaar maken van de armoede.
d.         Inzet van vrijwilligerswerk.
e.         Helpen onder protest.
f.          Werken aan rechtvaardiger verhoudingen.

Deze concrete activiteiten van kerken bij bestrijding van armoede en hulp aan mensen die financieel in de knel zitten komen terug in de ervaringen en inzichten die inmiddels in meer dan twintig jaar zijn opgedaan en de principiële Bijbelse lijnen over rechtdoen. In de handreiking Armoede en recht doen. Helpen onder protest in de praktijk (Werkgroep Arme Kant van Nederland en Kerk in Actie 2010) zijn achttien concrete voorbeelden genoemd en uitgewerkt.

omhoog

Naar andere signalementen

home

i