home

PROJECTEN

SOLIDARITEIT IN DE POLDER?
Boekbespreking

Door Ab Kerssies

Inleiding
Opbouw van het boek
Solidariteit
Visies en strategieën bij armoedebeleid

Inleiding

"In de Nederlandse polder valt het voor talloze mensen niet mee om een boterham te vinden. Bijna een miljoen mensen heeft te kampen met armoede. Dat is een groot economisch probleem. Maar het is vooral een groot menselijk probleem." Zo opent het boek 'Solidariteit in de polder?'. Dat heet met de deur in huis vallen. De toon is gezet. Tegen deze achtergrond wil het boek gelezen worden. De onderzoeksgroep REA (Religie, Economie en Arbeid) heeft dit boek het licht doen zien om een bijdrage te leveren aan het debat over armoede, sociale uitsluiting en solidariteit. Het bijzondere van deze bijdrage is dat er vanuit verschillende deskundigheden en disciplines naar de thematiek is gekeken. De verschillende auteurs doen dit als maatschappelijk geëngageerd onderzoeker en/of als betrokken werker in een sociale praktijk.
De plaatsbepaling is gegeven. En ook de probleemstelling is helder: aan welke criteria moet een beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting voldoen, opdat het zowel effectief als solidair is? Het boek biedt een schat aan informatie en schildert een weidse achtergrond. In die zin is het niet direct een boek dat je in één adem van kaft tot kaft uitleest. Alle hoofdstukken afzonderlijk zijn de moeite waard om met aandacht te lezen. En naar gelang de eerste interesse, zal de een meer vinden bij de meer beschrijvende delen, terwijl een ander meer bespiegelend is ingesteld. Beide lezers komen aan hun trekken. Het eerste deel bevat vooral een beschrijving van armoede, uitsluiting en solidariteit in haar feitelijke gestalte. In het tweede deel volgen reflecties op de beschreven situaties. Het is niet mijn bedoeling elk hoofdstuk grondig te bespreken. Daar ligt niet mijn competentie. Na een korte beschrijving van de opbouw van het boek, zal ik aansluitend op enkele thema's dieper ingaan.

Opbouw van het boek

Het boek bestaat uit twee delen. Eerst komen er enkele hoofdstukken waarin het probleem van armoede, sociale uitsluiting en solidariteit nauwgezet in beeld is gebracht. Het eerste hoofdstuk geeft een beschrijving van de armoede in Nederland. Dan volgt er een hoofdstuk over het armoedebeleid van de overheid. Het derde hoofdstuk gaat in op het publieke debat over armoede. In het tweede deel van het boek komen reflecties op de feitelijke gegevens aan bod. Het eerstvolgende hoofdstuk in dit deel is gewijd aan het begrip solidariteit in de christelijke traditie. Daarna volgt een hoofdstuk over de thematiek rechtvaardigheid en eigendom. In hoofdstuk 6 horen we in de titel een echo van de economische theologie van Arend van Leeuwen: 'Nacht en macht - Armoede en afname van solidariteit: noodzaak of noodlot?'. Daarna wordt de vraag opgeworpen in hoeverre maatschappijkritische visies bij kunnen dragen aan het omvormen van de sociale werkelijkheid. In het achtste hoofdstuk volgt een bespiegeling over het al dan niet oppositioneel zijn van de begrippen solidariteit en markteconomie. En tot slot is er een terugblikkend hoofdstuk.

Solidariteit

Zoals gezegd wil het boek een bijdrage leveren aan het publieke debat over armoede, uitsluiting en solidariteit. In dat licht is de beschrijving van de oorsprong van het begrip solidariteit interessant. Met name het hoofdstuk over solidariteit in de christelijke traditie door Hoekstra en Van der Wal gaat hier uitgebreid op in. In de negentiende eeuw ontwikkelde dit begrip zich als antwoord op een fundamentele verlegenheid die gegeven was met de erfenis van de Franse Revolutie. Het probleem lag vervat in de vraag: hoe gestalte te geven aan de samenhang van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Met name de spanning tussen vrijheid en gelijkheid riep een politiek dilemma op. De invoering van het algemeen kiesrecht verzekerde een politiek-burgerlijke gelijkheid maar liet een economisch-burgerlijke ongelijkheid voortbestaan. Deze kloof was niet te overbruggen zonder inbreuk te doen op de individuele vrijheid. De keuze waarvoor men stond was dus: of inperking van de individuele vrijheid omwille van de gelijkheid, ofwel accepteren van de ongelijkheid omwille van de individuele vrijheid. Tegen deze achtergrond ontwikkelde zich aan het eind van de negentiende eeuw het idee van de solidariteit als verzoening tussen de vrijheid en de gelijkheid omwille van de broederschap.
Het bovengenoemde dilemma herkennen we moeiteloos in het huidige debat over de inrichting van het sociale zekerheidsstelsel. Liberalen geven de hoogste prioriteit aan de vrijheid van het individu. Socialisten leggen vanouds meer het accent op gelijkheid. Maar in het huidige debat over solidariteit blijken zij beide een instrumentale benadering te hanteren. De (neo)liberalen benadrukken dat de individuele mens niets in de weg gelegd mag worden voor haar/zijn ontplooiing. Daarnaast brengen ze ook nog een economisch bezwaar naar voren: solidariteit wordt te duur, het sociale zekerheidstelsel onbetaalbaar. Daar stellen de (neo)socialen tegenover dat solidariteit nodig is om een gemeenschap (nationaal en internationaal) soepel en leefbaar te laten functioneren. Ook zij hebben een economisch argument: bij gebrek aan solidariteit zal er dure maatschappelijke schade ontstaan door gebrek aan cohesie en stabiliteit. In het actuele debat over het stelsel van sociale zekerheid zoekt men als het ware een antwoord op de vraag: hoeveel binding heb ik nodig om ongebonden te blijven? Solidariteit is zo gezien de prijs die men betaalt met het oog op het soepel en leefbaar functioneren van de samenleving in ruil voor individuele rust en ruimte voor ongestoorde zelfontplooiing.
Het is duidelijk dat Hoekstra en Van der Wal menen dat een christelijke opvatting over solidariteit niet in deze instrumentele valkuil mag stappen: "Het (...) roept de vraag op of de solidariteit die door middel van dit stelsel van sociale zekerheid gerealiseerd wordt, 'naar de geest van Christus' is, als de overheveling van meer draagkrachtigen naar minder draagkrachtigen 'een onsje meer' is?" Het probleem dat schuil gaat in een instrumentele benadering ligt erin dat er een contract gedacht wordt tussen ongelijken, tussen sterkeren en zwakkeren, of tussen draagkrachtigen en minder draagkrachtigen. Het is feitelijk een poging het maatschappelijke gegeven van ongelijkheid te reguleren. De zwakkere, bijvoorbeeld de arme, wordt als de ander geobjectiveerd. Er is geen sprake van wederkerigheid, of anders gezegd de instrumentele solidariteit met de arme bestendigt de positie van de draagkrachtige en stelt deze positie veilig. De mechanismen die deze ongelijkheid produceren (Van Hoogstraaten) blijft daarmee buiten beeld en gevrijwaard van kritiek.
Daartegenover pleiten de auteurs voor een 'andere' solidariteit. Solidariteit "als conditie die ons confronteert met het in de tijd met-anderen-zijn, als de zijnsgrond van onze existentie. Deze conditie decentreert het zelfgenoegzame subject". In dit verband verwijzen zij naar de socioloog Sennett. Hij beschrijft solidariteit als een diep besef van wederzijdse afhankelijkheid. Ook daarbij komt de spanning tussen individu en gemeenschap naar voren: je kunt zelfstandig zijn omdat je samen met anderen in een weefsel staat. Solidariteit heeft dan het karakter van het diepe besef dat je als individu fundamenteel verbonden bent met en afhankelijk van een gemeenschap.

Visies en strategieën bij armoedebeleid

Deze diepgravende beschouwing staat dichter bij de praktijk dan op het eerste gezicht wellicht lijkt. In hoofdstuk 3 is een gedetailleerd overzicht te vinden van visies en strategieën van de verschillende organisaties die zich bezig houden met het armoedebeleid. Naast overeenkomsten zijn er uiteraard ook verschillen. Als voorbeeld het mensbeeld. Enerzijds zie je een benadering waarbij het accent ligt op het autonome, zelfredzame individu. Strijd tegen armoede vanuit deze visie richt zich met name op sociale activering, gedragen door een optimistische visie op de kracht van het individu. Aan de andere kant zie je een opvatting die meer uitgaat van de mens als sociaal wezen. Van de sociale zekerheid verwacht men dat deze de condities biedt voor een menswaardig bestaan, met name voor de meest kwetsbaren. Hier herkennen we de twee stromen die in bovenstaande beschouwing onder de loep zijn genomen.
Dit verschil in mensbeeld lijkt min of meer samen te vallen met het onderscheid tussen een humanistische/liberale visie en een christelijke/socialistische opvatting. Het lijkt een principekwestie waarbij of het individu of de gemeenschap als startpunt geldt. Het probleem van deze benadering is dat ze m.i. vaak vastloopt in een welles-nietes discussie. Het is zonneklaar dat de anti-armoedebeweging daarmee niet gediend is, laat staan de mensen die in armoede leven. Een dialectische relatie tussen individu en gemeenschap lijkt mij vruchtbaarder. Dat houdt bijvoorbeeld in dat van elk individu, met haar mogelijkheden en beperkingen, gevraagd mag worden een zinvolle bijdrage te leveren aan de samenleving. Deelname aan de samenleving is een belangrijke bron voor zelfrespect en eigenwaarde. Omgekeerd mag van de samenleving gevraagd worden dat zij de voorwaarden schept om de inbreng van elk individu mogelijk te maken. Heel concreet: wanneer mensen om welke reden dan ook niet kunnen deelnemen aan het systeem van de betaalde arbeid, dan wil dat nog niet zeggen dat zij niets te bieden hebben aan de samenleving. Wellicht hebben ze andere talenten waarop ze aangesproken kunnen en willen worden. Door dat te doen, maak je duidelijk dat je mensen niet alleen ziet in hun tekort maar ook nieuwsgierig bent naar hun mogelijkheden. Voor alle duidelijkheid: ik bedoel dit niet als aanpassing aan de eisen van de samenleving, juist het gegeven dat mensen kwaliteiten blijken te hebben die niet tot hun recht komen in het bestaande systeem is als zodanig een kritiek op dat systeem. Deze cultuur- en systeemkritiek moet dan ook luid en duidelijk onder woorden worden gebracht door maatschappelijke organisaties zoals kerken, vakbonden, sociale bewegingen en politieke partijen. Vanuit deze dialectische verhouding tussen individu en gemeenschap zou de anti-armoedebeweging de patstelling tussen het accent op de eigen verantwoordelijkheid enerzijds en de verantwoordelijkheid van de politiek aan de andere kant kunnen overstijgen.
In dit verband is het onderscheid dat Van Hoogstraaten - in navolging van Arend van Leeuwen - tussen ontocratie en theocratie maakt interessant. Kort gezegd: in de ontocratie is het bestaande normstellend, het is goed omdat het zo is en niet anders. Daartegenover gebruikt Van Leeuwen het begrip theocratie voor kritiek op het bestaande. Hij plaats zich daarmee in de lijn van de zogeheten dialectische theologie waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen religie (als heiliging en legitimatie van de bestaande orde) en geloof (openbaring als kritische inbreuk op het bestaande). Je zou kunnen zeggen dat een instrumentale opvatting van solidariteit, of die nu liberaal dan wel socialistisch wordt gebezigd, in feite de ontocratie van de bestaande machts- en bezitsverhoudingen ongemoeid laat. Wanneer solidariteit gezien wordt als een dialectische relatie van wederkerige afhankelijkheid tussen mensen en tussen individu en gemeenschap, dan is het niet kunnen deelnemen van mensen aan de bestaande orde als zodanig kritiek op die bestaande orde. Als openbaring vanuit de marge.
Lei Delsen, Toine van de Hogen, Eric van de Laar, Jan Peil, Solidariteit in de polder? Armoede en sociale uitsluiting in Nederland bezien vanuit de economie en de theologie', Van Gorcum, Assen, 2006

Deze boekbespreking is ook verschenen in 'Ophef', juni 2007.

Naar openingspagina Solidariteit in de polder

home