home

PROJECTEN

WMO
WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

Kerken en het morele debat met overheden

Inleiding van drs H.J.G.M. Crijns tijdens de studiedag 'Invoering Wmo in uitvoering - (On)mogelijkheden voor de kerken' over WMO en Kerken op vrijdag 8 december 2006 te Sittard, georganiseerd door Dienst Kerk en Samenleving van het bisdom Roermond, Fontys, Centrum Theologie en Pastoraat en Protestantse Kerk in Nederland. Hub Crijns is directeur van landelijk bureau DISK.

Inleiding
I. Meerdere niveaus van verantwoordelijkheid en een privaat en publiek aspect
II. Uitgangspunten in het sociale denken van de kerk
IIIa. Een kaart van onze economische en sociale samenleving
IIIb. Verhoudingen tussen kerk en staat
IV. WMO implicaties voor diaconie

Inleiding

Zoals bekend vormt de invoering van de WMO de aanleiding voor mijn inleiding van vandaag. De eerste kennismaking met de nieuwe Wet is al gedaan. Ik start het morele debat met een korte verkenning van de waarde verantwoordelijkheid. Die verkenning nodigt uit om enkele kernen uit het katholieke sociale denken neer te zetten. Daarna schets ik een korte kaart van onze economische samenleving, en plaats daarin mogelijke verhoudingen tussen staat en kerk. Om tenslotte te eindigen met hoe wij in de diaconie kunnen omgaan met de overheid rond de WMO en de gevolgen daarvan voor de samenleving.

I. Meerdere niveaus van verantwoordelijkheid en een privaat en publiek aspect

Ik maak een eerste reflectie rond de waarde 'verantwoordelijkheid', die een kernbegrip is in de WMO. We zien al snel dat er verschillende niveaus zijn.
1. De persoonlijke verantwoordelijkheid kent grenzen, waar de eigen mogelijkheden mentaal en fysiek bereikt zijn. In de dienst van barmhartigheid bijvoorbeeld raakt de hulp aan medemensen helaas aan einders.
2. Hier komt de groepsverantwoordelijkheid in beeld. Een huishouden, familie, clan, groep, organisatie van uitkeringsgerechtigden, vereniging, kerk, vakbond, et cetera kan meer dan een individu. Zeker als die groep tekening en structuur aanbrengt in ieders vermogen zodat er structuren van de dienst van gerechtigheid ontstaan. Maar ook deze groepsverantwoordelijkheid raakt aan haar grenzen, zoals honderd jaar emancipatie van de arbeidersbeweging en vrouwenbeweging bewezen heeft.
3. Hier komt de collectieve verantwoordelijkheid in beeld: je kan beter iets met zijn allen organiseren en daar samen een steentje aan bijdragen, dan ieder apart. Vanuit deze ervaring hebben we een 'sociaal contract' opgebouwd, waarin de niveaus van verantwoordelijkheid aan elkaar aansluiten in een netwerk van rechten en plichten. Dat netwerk houdt ook in dat de overheid zal zorgdragen voor banen en dat mensen de plicht kennen met hun arbeid bij te dragen aan de samenleving: betaald (veelal mannen) en onbetaald (veelal vrouwen).
Die verantwoordelijkheid kent tevens een privaat en een publiek aspect, dat aan te wijzen is op elk van de drie genoemde niveaus. Geweld op straat in de publieke ruimte mag niet, en dus ook niet thuis. Wie in huis netjes is, maar zijn rotzooi over het balkon het parkje van de gemeente in kiepert, maakt een publiek probleem. Wie niet steelt van familie, maar wel zwart werkt met een uitkering, is niet lekker bezig. Wie prettig aan het ondernemen is en bij tegenwind mensen afvoert via de WAO, profiteert ook van de publieke ruimte.
Zo hebben we in die drie niveaus van verantwoordelijkheid en de private en publieke aspecten daarvan binnen het netwerk van rechten en plichten afgesproken, dat wat op een lager niveau goed kan gebeuren, een hoger niet moet gaan regelen. We noemen dat subsidiariteit of autonomie in eigen kring En andersom: waar de lagere niveaus tekortschieten, daar moet het hogere niveau inspringen. We noemen dit verplichtende solidariteit.
Bij verantwoordelijkheid moet je wat verder kijken dan je neus lang is: wie denkt privaat wel een loopje te kunnen nemen met verantwoordelijkheid door wat regels op te rekken, die merkt na enige tijd dat dit publiek bij hem terugkomt, vaak negatief. Want als we met zijn allen privaat wat regels oprekken, komen we elkaar met zijn allen publiek tegen in het motto 'Zo kan het niet langer meer!'
Bij het leven en handelen in een samenleving gaat het om de goede afstemming van de private en publieke aspecten van verantwoordelijkheid op alledrie de niveaus.

II. Uitgangspunten in het sociale denken van de kerk

Ik probeer dit nog wat verder in te vullen met hulp van de katholieke sociale leer.
De katholieke sociale leer is 'gelaagd'. De posities die ingenomen worden met betrekking tot concrete sociale en politieke problemen, worden als volgt opgebouwd.
1. Vanuit de eigen taak en gelegd naast analyse van contexten begint men met een schetsen van de eigen gelovige uitgangspunten of geloofsoriëntaties.
2. Deze leiden tot de ontwikkeling van morele beginselen en gedragsregels,
3. die vervolgens door personen of groepen toegepast worden, die daarbij gebruik maken van de in 1 geschetste geloofsoriëntaties en in 2 de ontwikkelde morele beginselen door deze te betrekken op/in concrete situaties
De gelaagdheid is dus drievoudig, en dit betekent ook verschillende graden van urgentie.

A. Er zijn drie geloofsoriëntaties aan te wijzen:
1. Er is vooreerst de overweging dat de schepping van de mens door God aan dit schepsel - dus aan alle mensen en aan ieder mens afzonderlijk - een 'onherroepelijke waardigheid' verleent.
2. Niet alleen dit menselijk wezen is door God geschapen, maar "alles komt voort uit Gods scheppingskracht": het universum, de aarde en al het levende en levenloze dat op aarde bestaat
3. Van doorslaggevend belang in de idee van de menselijke waardigheid is dat deze zijn 'creativiteit en vrijheid' inhoudt. Deze geven de mens een betrekkelijke zelfstandigheid, een persoonlijk initiatief ten aanzien van zijn eigen bestaan en van alles wat bestaat

B. Er zijn vier morele beginselen karakteristiek voor de sociale leer.
1. Allereerst kan gewezen op het personalistisch karakter van de sociale leer. In de concrete persoon komen de dimensie van socialiteit en die van individualiteit samen. Daarom impliceert dit personalisme de waarde van de 'solidariteit'. (Dit wordt in de katholieke traditie uitgewerkt in het beginsel van de subsidiariteit, en in de gereformeerde traditie in dat van de soevereiniteit in eigen kring).
2. De zelfverwerkelijking van de mens, het streven naar zijn menselijke waardigheid, kan ook worden gezien als een proces van het nastreven van belangen, hier in de ruimste zin van het woord genomen. Daarbij kunnen de belangen van personen en groepen met elkaar botsen, Op zich is het opkomen voor belangen een rechtvaardige zaak.
3. Een derde moreel beginsel is de erkenning van de intrinsieke 'waarde van de menselijke arbeid'. Arbeid is hier niet identiek met een baan; dat is één vorm van arbeid, binnen een gedifferentieerd modem economisch stelsel.
4. Tenslotte is er het morele beginsel van een 'gemeenschappelijke zorgplicht', de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor hen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, hetzij tijdelijk, hetzij structureel.

C. Onder de toepassingen van de sociale leer komen veel bisschoppen tot de volgende drie:

1 Relatie van de persoon tot de overheden in het algemeen en tot overheidsinstanties en overheidsvoorzieningen in het bijzonder.

  • Hier gaat het om de verhouding tussen individu en overheid, die in het christendom een 'zekere anarchie' kent: principe van solidariteit en subsidiariteit

2 De economische orde in algemene zin.

  • De verhouding tussen de persoon en de economie, tussen persoon en kapitaal, arbeid en markt. Persoon en arbeid gaan boven kapitaal en markteconomie.
  • De sociale leer streeft naar rechtvaardige omstandigheden voor iedereen met een sterke nadruk inzake de zwaksten en de vreemdelingen
  • Tegenwoordig een sterk accent op de verhouding van het individu tot de rol van de economie in zijn/haar leven: nadruk op spiritualiteit, soberheid, solidariteit.

3. De ecologische verantwoordelijkheid

  • De scheppingstheologie wijst op verantwoordelijkheid: micro, meso, macro.
  • Rentmeesterschap wijst op zorg: voorzorg (preventief), zorg (onderhoud), nazorg (curatief)

IIIa. Een kaart van onze economische en sociale samenleving

Uit het langdurige armoede onderzoek van bijvoorbeeld Godfried Engbersen en uit de economische theorieën komt een kaart van onze economische en sociale samenleving naar voren. Ik werk vaak met die kaart. Bij het nadenken over de prestatievelden van de WMO zult u merken dat die kaart behulpzaam is om onze strategie voor het handelen te bepalen.
Bij het indelen van de kaart maak ik gebruik van de woorden formeel en informeel. De formele economie is de economie van wetten, procedures, regels, contracten. De informele economie is die van handjeklap, vrijwilligerswerk, mantelzorg, opvoedwerk, weinig of geen regels, geen papieren.
Een tweede indeling die ik gebruik is die van betaald en onbetaald. De betaalde economie is die van het betaalde werk, arbeidsmarkt, loon. De onbetaalde economie is die van gratis werken zonder betaling of inkomen.
Met hulp van deze twee indelingen ontstaan vier vakken in de economische en sociale samenleving, waar we allemaal wel op de een of andere manier in staat en aan meedoen.

Formeel Informeel
  • Economie van de ruil
    Arbeid voor inkomen
  • Economie van de gift
    Onbetaalde economie
  • Economie van de herverdeling
    Arbeid voor inkomen
  • Grijze informele economie
  • Zwarte criminele economie
Betaald Onbetaald

Ik leg aan de hand van mijn eigen leven kort uit hoe ik aan deze vier soorten van economie meedoe. Als directeur van landelijk bureau DISK verdien ik mijn inkomen in het vak van de herverdeling. Het rijk doet hetzelfde: via de belastingen wordt geld opgehaald, waarmee betaald werk wordt mogelijk gemaakt in het onderwijs, de zorg, de infra-structuur, de veiligheid et cetera. Mijn bestuur werkt met subsidies en giften en maakt vandaaruit betaald werk mogelijk. We zijn tevens een uitgever van tijdschriften en boeken en komen wat die vorm van economisch handelen betreft in het eerste vak terecht: de formele economie. Hier zit vooral het commerciële bedrijfsleven en dienstensector. Als ouder ben ik opvoeder van drie kinderen en heb ik met mijn partner vier ouders verzorgd toen ze in hun laatste levensfase waren. De gratis arbeid van opvoeding en mantelzorg. Het grijze deel van de economie heb ik ook bewandeld, met name toen ik jongeren op onze jonge kinderen liet oppassen of toen ik kleine klussen heb laten doen, zoals elektriciteit aanleggen.
Globaal kun je zeggen dat de overheid in het sociaal-economische beleid van de recente 20 jaar de formele ruileconomie wil bevorderen, de formele herverdelingseconomie wil bezuinigen, de informele gifteconomie te weinig waardeert en de informele criminele economie wil bestrijden.
Als we over de WMO spreken, is het handig om deze economische en sociale kaart in ons hoofd te houden. De WMO wil namelijk die kaart ook gebruiken, vooral waar het de herwaardering van de informele gifteconomie betreft.

IIIb. Verhoudingen tussen kerk en staat

De relatie tussen kerken en overheid is in de loop van de geschiedenis vaak spanningsvol geweest. Die spanning vloeit voort uit het gegeven dat beide instituties aanspraak maken op de levensinrichting van haar leden respectievelijk burgers. Hiermee is direct de vraag naar de macht in het geding. Spanningen worden ook opgeroepen als het beeld dat de kerk van zichzelf heeft niet door de overheid erkend wordt en andersom.

Welke relatiepatronen kunnen wij waarnemen?

a. Kerk boven staat
Er is de opvatting dat de kerk boven de wereldlijke overheid staat. Door de genadevolle band en de kennis van de goddelijke leer behoort aan de kerk uiteindelijk het hoogste gezag toe. Dit model is vooral vanaf de vroege tot in de late Middeleeuwen door de pausen van Rome in de Rooms-Katholieke Kerk uitgewerkt. Maar ook in sommige theocratische opvattingen van protestantse snit is deze visie terug te vinden. Het grote gevaar van dit patroon is dat de kerk een machtsinstituut wordt dat eigen macht en belangen vooropstelt.

b. Staat boven kerk
Het omgekeerde van het zojuist genoemde is de opvatting dat de wereldlijke overheid boven de kerk staat. Dit model is feitelijk aanwezig geweest in het Byzantijnse rijk, dat ontstond na het uiteenvallen van het Romeinse rijk aan het eind van de vierde eeuw na Christus (ook wel Oost-Romeinse rijk genoemd). Het grote gevaar van dit model is, dat de kerk een kritiekloos instrument in de handen van de overheid wordt.

c. Kerk en staat nevengeschikt
Kerk en wereldlijke overheid zijn nevengeschikt ten opzichte van elkaar te zien, maar staan beide onder het gezag van God. De kerk vervult een soort 'wachtersfunctie' ten opzichte van de overheid: vervult deze haar door God gegeven ambt op een goede wijze? Dit model vinden we in kerken met een calvinistische achtergrond. Zo kent de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1951 de bepaling dat het de taak is van de diakenen om 'staande temidden van de sociale noden van het volk, hun kennis dienaangaande dienstbaar te maken aan de voorlichting van de Kerk, opdat deze ook overheid en samenleving wijze op haar roeping, de gerechtigheid te betrachten' (artikel IV, lid 7).

d. Kerk en staat werken samen
In dit model werken staat en kerk samen op basis van wederzijds voordeel. De staat heeft bijvoorbeeld baat bij loyale burgers. De kerk werkt aan deze disciplinering mee via de door haar overgebrachte denkbeelden en sancties (weigeren van de toegang tot het heil, van financiële ondersteuning in het geval de armenzorg bij de kerk berust) en krijgt daarvoor belangrijke vrijheden door de staat toegewezen, zoals de vrijheid van godsdienst, onderwijs, en vereniging. Zo bevatte de Grondwet van 1814 de bepaling dat het openbaar onderwijs diende 'ter bevordering van Godsdienst als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis'.

e. Kerk bemoeit zich niet met de staat
Een volgende variant is dat de kerk zich niet met de staat en de politiek bemoeit. Hieraan kunnen verschillende overwegingen ten grondslag liggen, zoals:

  • Er is een scherp onderscheid tussen het geestelijke terrein en het wereldse, waarbij de kerk respectievelijk de overheid verantwoordelijk zijn. Dat is het geval in bepaalde interpretaties van Luthers tweerijkenleer.
  • Men ziet het geloof als een puur individuele zaak, waarbij het gaat om het eeuwige heil en niet om de wereld, zoals zichtbaar is bij bepaalde pinkster- en evangelische groepen en in de praktijk ook bij leden van andere kerken.
  • Gelovigen wenden zich af van hetgeen zij zien als de 'boze wereld' en kiezen ervoor om een eigen, afgescheiden en niet-zondige samenleving op te zetten, die als alternatief geldt voor die boze wereld.

f. Kerk participeert via haar leden
De kerk neemt niet rechtstreeks aan de politiek deel als instituut, maar via haar leden die participeren in confessionele politieke en maatschappelijk organisaties. Deze visie was lang, tot in de jaren zestig, overheersend in de Gereformeerde Kerken Synodaal. De kerk als instituut legde zich toe op de bediening van het Woord en de sacramenten, terwijl de kerk als organisme gestalte kreeg via de individuele gelovigen en hun deelname aan confessionele organisaties in de onderscheiden sectoren van de samenleving. Het instituut kerk had door de voeding van het organisme een indirecte invloed op de samenleving. We herkennen deze positie ook terug in het katholieke sociale denken.

g. Scheiding tussen kerk en staat
In de huidige moderne democratische samenleving is de verhouding tussen kerk en staat geregeld door een scheiding door te voeren tussen kerk en staat. Hierbij mengt de overheid zich niet in de interne aangelegenheden van kerken, worden geen kerken boven andere bevoordeeld en worden kerken niet boven andere levensbeschouwelijke organisaties en instituties bevoordeeld. De kerken oefenen geen directe macht uit over de overheid. Als zij een weg ter beïnvloeding willen kiezen, dan zijn daar democratische procedures voor. Hiermee is ook gezegd dat de scheiding van kerk en staat niet impliceert dat de kerk zich niet met politiek zou mogen bemoeien (een zeer hardnekkig misverstand, dat ook binnen kerken leeft). Het gaat om de kanalen waarlangs zij dat doet. Ook het hedendaagse diaconaal werk in Nederland beweegt zich in dit kader.

Ontwikkelingen

Zowel de rol van de kerken als die van de overheid ondergaat ingrijpende veranderingen. De positie van de kerken als instituut is aan erosie onderhevig door de ontkerkelijking en vergrijzing, alsmede door de individualisering en subjectivering van de religieuze beleving, waarbij de eigen beleving en keuze van het individu voorop staan.
Het geloof dat de nationale overheid de samenleving vorm kan geven (de zogeheten maakbaarheid) neemt af. De macht van de nationale overheid verschuift in toenemende mate naar andere actoren, te weten:

  • het nationale en internationale bedrijfsleven (privatisering, sterke toename van de invloed van de marktsector);
  • internationale overheden en verdragen (Europese Unie, internationaal recht en afspraken);
  • lokaal bestuur (decentralisatie);
  • maatschappelijke organisaties (overdragen van verantwoordelijkheid);
    groepen en individuen (herwaardering persoonlijke verantwoordelijkheid);
    de rechter (conflicten vecht men uit via de rechter).
  • Voor een deel hangen deze verschuivingen samen met economische, technologische en culturele ontwikkelingen (bijvoorbeeld globalisering, individualisering), voor een deel zijn zij terug te voeren op politieke keuzes en voorkeuren onder politici, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers.

Civiele samenleving

In termen van het huidige debat over de relatie tussen overheid en samenleving maken kerken onderdeel uit van het maatschappelijk middenveld. De kerken vormen voor de overheid een van de vele maatschappelijke organisaties, en hebben op zich geen meerwaarde boven andere. Bij de voorbereiding van deze inleiding is me gevraagd hier op in te gaan. Kerken worden beoordeeld op de kwaliteit van hun inbreng.
Men spreekt ook wel van 'civiele samenleving' als men de maatschappelijke verbanden bedoelt die noch tot de staat noch tot de formele economie noch tot de individuele levenssfeer behoren. De discussie over deze civil society kent overigens een normatieve toonzetting, omdat deze civiele samenleving als een tegenwicht wordt gezien tegen enerzijds een te sterke overheidsinvloed en anderzijds een te grote invloed van de marktsector. De civiele samenleving zou bij uitstek de plaats zijn waar mensen verantwoordelijkheid (leren) nemen, vaardigheden opdoen voor het maatschappelijk verkeer, relaties en onderlinge betrokkenheid ontwikkelen en een waarden- en normenbesef kunnen praktiseren dat het eigen belang overstijgt.
Een aanduiding van de belangrijke rol die kerken hebben bij de vorming van dit sociaal kapitaal, blijkt onder meer uit het gegeven dat kerkelijk betrokken personen een grotere maatschappelijke inzet tonen, vaker lid zijn van verenigingen en meer vrijwilligerswerk (waarvan diaconale activiteiten deel uitmaken) verrichten dan andere bevolkingsgroepen.

IV. WMO implicaties voor diaconie

Wat betekenen deze ontwikkelingen nu voor de diaconale inzet met en voor mensen in nood? Of voor het omgaan met de decentralisering van de sociale wetten van rijk naar burgerlijke gemeente? We gaan van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad. In een moderne democratie is de kerk, met inbegrip van haar diaconale werk, voor de overheid een van de vele maatschappelijke organisaties, die vanuit zichzelf geen meerwaarde heeft boven andere.
De kerk zal vanuit haar zelfverstaan zichzelf zien als een organisatie met een eigen kwaliteit en daar wellicht ook een meerwaarde aan ontlenen. Ook voor ons christenen geldt daarbij: het gezag van kerken is niet met het kerk-zijn als zodanig gegeven, maar dient te berusten op de kwaliteit van het handelen en (waar het gaat om de visie van kerken) op de kwaliteit van de motivatie en argumentatie en hun kennis van zaken.
De geloofwaardigheid van de diaconie en daarmee ook zijn gezag wint aan betekenis als deze diaconale inzet authenticiteit kent. Dat wil zeggen: berust op een door het geloof geïnspireerde en gevoede inzet voor en met mensen in de knel, die niet plaatsvindt op grond van kerkelijke belangen, maar omwille van de verbetering van de situatie van mensen in nood.
Diaconie zet zich er daarbij voor in om de kerken zelf in hun functioneren een afspiegeling te laten zijn van waar het in het diaconale handelen omgaat: een kerk die ruimte, gemeenschap en mogelijkheden tot participatie biedt. Ook het kerkelijk beleid wat betreft gebruik van gebouwen, financiën en personeel wordt hierop getoetst.
Voorts werkt diaconie aan bewustwording van noden bij individuele kerkleden, opdat die in hun onderscheiden posities (werkgever, werknemer, burger, consument, lid van verenigingen) aan hun verantwoordelijkheid gestalte geven.
Diaconie vervult tevens een rol in de samenlevingsopbouw door mensen de mogelijkheid te bieden en te stimuleren om door diaconaal werk hun verantwoordelijkheid voor het functioneren van de samenleving vorm te geven. Daarbij kan goede diaconie ook bruggen bouwen tussen mensen en groepen die in conflict verhoudingen leven door ontmoetingen te organiseren en gezamenlijke activiteiten te ontwikkelen.
De diaconie beschikt daarbij nog steeds over belangrijke hulpbronnen die voor vrijwilligersinzet van grote betekenis zijn: mensen, geld, kennis, een uitgebreid netwerk aan de basis dat met geen ander te vergelijken is, de habitus om moreel te denken, gezag op sociaal vlak, een (spirituele) traditie van inclusief denken over de mens, het vermogen om als instituut voort te blijven bestaan in de tijd.
Diaconie zal zich niet beperken tot opvang (denk aan de werken van barmhartigheid), maar ook proberen door het bevorderen van structurele en culturele veranderingen noden te bestrijden (het werken aan gerechtigheid). Daartoe ondersteunt het mensen in knelsituaties om op te komen voor verbetering van hun positie en/of treedt het zelf op als pleitbezorger en neemt deel aan het publieke debat. We noemen dat vanuit de kerkelijke armoedebeweging: helpen onder protest. Plaatselijke kerken kunnen daarbij een eigen expertise inbrengen door de ervaringen die opgedaan zijn in allerlei kleinschalige diaconale activiteiten, in dat debat in te brengen.
Diaconie is bij uitstek in staat om netwerken mogelijk te maken, lokale coalities aan te gaan, lobbies te voeren. Zeker nu zoveel van het sociale beleid van het rijk naar de burgerlijke gemeente wordt overgeheveld, is het nodig dat mensen lokale allianties maken. De prestatievelden van de WMO bieden daartoe kansen.
Eerder signaleerde ik dat de rol van de overheid verandert. Ook bij die verandering blijft staan dat de overheid medeverantwoordelijk is voor goede sociale zekerheid en voor goede sociale voorzieningen, die een volwaardige participatie van eenieder in de samenleving mogelijk maken. De zorg- en beschermingsplicht van de overheid voor de burgers in nood blijft een uitgangspunt in onze samenleving. Zonder deze voorzieningen is namelijk de rechtszekerheid van burgers niet fundamenteel gewaarborgd. Nadrukkelijk zullen daarbij ook andere actoren aangesproken worden, al naar gelang de vraagstukken die aan de orde zijn.


Naar beginpagina wmo

home