home

PROJECTEN

WMO
WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

WMO en armoedebestrijding

Inleiding
Inhoud rapport

Het sociaal minimum is te laag
Armoede als maatschappelijk en persoonlijk probleem
De WMO als participatiewet

Inleiding

Inleiding zoals gehouden door drs. Hub Crijns, directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken(DISK) en namens de Raad van Kerken lid van de Agendacommissie Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid tijdens de aanbieding van het rapport 'Wet maatschappelijke ondersteuning en armoedebestrijding' op dinsdag 25 maart 2008.

Beste mensen,

Dank aan de Arme Kant van Zuid-Holland voor het uitdenken van de opdracht en het Tympaan Instituut voor het aangeboden rapport, de energie die erin is gaan zitten en de resultaten waar ik later op terug zal komen.

Mijn naam is Hub Crijns. Ik ben directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK), dat sinds 1987 samen met de Raad van Kerken in Nederland opdracht is van de oecumenische werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA en de kerkelijke campagnes tegen verarming en verrijking. Sinds de oprichting in 2000 ben ik namens de Raad van Kerken in Nederland en namens DISK ook betrokken bij de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid, kortweg ook Sociale Alliantie genoemd. Dat is een beweging van nu 45 landelijke en regionale organisaties en groepen die hun krachten gebundeld hebben in hun inzet tegen armoedebestrijding. De kern bestaat uit het Platform Armoedebestrijding KHV, dat kerken, humanistische organisaties en vakcentrales in 1997 hebben opgericht en in 2000 is voortgezet in de Alliantie.

De Sociale Alliantie werkt met jaarprogramma's, waarin veel plek is voor de inbreng van alle aangesloten organisaties. In mei is er een Alliantie Raad, waarin een jaarthema wordt doorgesproken. Daarna wordt in taakgroepen gewerkt aan diverse notities. Die komen in het najaar ter sprake in vijf Alliantiedagen. Dat alles levert een agenda op voor het jaarlijks gesprek met de staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid, nu de heer Aboutaleb. Tenslotte verschijnen de resultaten op de website www.socialealliantie.nl of worden er werkboekjes of handreikingen gemaakt. Dit jaar is als jaarthema gekozen de Voedselbank, de schuldenproblematiek en het niet-gebruik van voorzieningen. Om extra input te hebben van ons netwerk zal het activiteitenplan van 2008 starten met meerdere expertmeetings rondom Voedselbank en schuldhulpverlening.

Inhoud rapport

U heeft een heel mooi rapport gemaakt en naar aanleiding daarvan zal ik vier opmerkingen maken, die ik elk verder uitwerk.

a. Het sociale minimum in Nederland is te laag. Dat is al sinds 1990 het geval. De stelling van de Sociale Alliantie: Verhoog dat minimum en de armoede zal minder worden. Er is evenwel een ontbreken van politieke wil daartoe. Casus over de ontwikkeling van inkomens.
b. Er is een politieke trend gaande om de armoede weg te definiëren. Het leergeld dat de Sociale Alliantie opgedaan heeft: met een behoeftendebat kom je aan deze trend tegemoet. Casus behoeften-meten discussie.
c. Armoede is zowel een maatschappelijk als een persoonlijk probleem. De stelling van de Sociale Alliantie luidt dat armoede een probleem is van de samenleving als geheel. Er is een tendens gaande om armoede alleen maar te omschrijven als een probleem van armen zelf. Casus toegespitst op stapeleffecten.
d. De valkuil van doelgroepen en criteria discussie. Er zijn nu 68 inkomensvoorzieningen voor minima (u noemt er in de bijlagen 44) met bijkomende criteria, invulformulieren, toetsing en weging en bureaucratie. De stelling van de Sociale Alliantie: met zo'n lappendeken bestrijd je geen armoede, integendeel. Casus: uw rapport met aanbevelingen en de reeks van 'moeten, moeten, moeten'.

Het sociaal minimum is te laag

De inkomensontwikkeling sinds 1990 leert dat het laagste tiende deel van de inkomens in de jaren negentig gemiddeld op 0 procent is gebleven en sinds 2000 tussen de +2% (uitkeringsgerechtigden) en -8% (vooral gehandicapten) uitkomt. Het hoogste tiende deel van de inkomens is in diezelfde periode sinds 1990 in inkomen gestegen met gemiddeld tussen de 6% (de gewone inkomensontwikkeling), dat is minstens 102% voor 17 jaar (jaarlijkse indexering moet er nog bijgeteld worden) en 13% (als we de vermogensontwikkeling meetellen), dat is minstens 221% voor de hele periode, exclusief indexering.
De tabel van 2007 leert dat de inkomensontwikkeling tussen hoog en laag ver uit elkaar gegroeid is (Het Fiancieele Dagblad 12 februari 2008). De decielen van 10 tot 100 hebben in afnemende volgorde van hoog tot laag als percentage van alle inkomsten de volgende resultaten geboekt: hoog 22,1; 14,0; 11,9; 10,6; 9,5; 8,5; 7,7; 6,8; 5,9 en laag 3,0. Uit dit onderzoek blijkt dat de 10% met de hoogste inkomens 22,1% van alle inkomsten verdient en de 10% met de laagste inkomens het moet doen met 3% van alle inkomsten.
Die verdelingen zijn bepaald geen strijdmiddel tegen de verarming in Nederland. De Sociale Alliantie houdt al jaren een pleidooi voor een koppeling plus. Die is november 2007 door het huidige kabinet wederom afgewezen. Evengoed is het belangrijk om dit politieke standpunt te blijven innemen.

Zijn er argumenten om aan te geven dat het minimum te laag is?
De Sociale Alliantie is in 2004 meegegaan op een vraag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om met een behoeften discussie aan te geven of het minimum voldoende hoogte had of niet. Dat debat heeft geleid tot nieuwe armoedegrenzen. Ik verwijs naar de
definities of armoedegrenzen van de Armoede monitor in 2005 en 2007):

De lage-inkomensgrens is afgeleid van het bedrag dat een alleenstaande bijstandsgerechtigde in 1979 ontving. Voor latere jaren is deze norm bijgesteld via de consumentenprijsindex. Dit niveau is niet gekoppeld is aan een bepaald minimaal consumptiepakket.

De beleidsmatige inkomensgrens is vastgesteld op 70% van het wettelijk minimumloon.

De budgetgerelateerde grens is door het SCP vastgesteld met behulp van normbedragen die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) regelmatig publiceert.
In de laagste variant is gekeken naar wat men in Nederland voor een alleenstaande als volstrekt minimaal kan beschouwen, ofwel de basisbehoeften, en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Dit zijn de nauwelijks te vermijden uitgaven voor voedsel, kleding, wonen (o.a. huur, verzekeringen, energie, water, telefoon, inventaris, onderhoud woning en woongerelateerde belastingen) en enkele overige posten (zoals voor vervoer, extra ziektekosten, persoonlijke verzorging en wasmiddelen).
In de tweede variant zijn ook bescheiden uitgaven opgenomen voor recreatie, lidmaatschap van een bibliotheek, een sport- of hobbyvereniging, een abonnement op een krant en tijdschrift, en een huisdier. Zo'n consumptiepeil wordt in de literatuur vaak aangeduid als niet veel, maar toereikend (modest but adequate).

De relatieve armoedegrens van de Europese Unie (EU). In 2001 heeft de Europese Raad deze vastgesteld om de omvang van armoede tussen de lidstaten te kunnen vergelijken. De grens is gelijk aan 60% van het mediane besteedbare inkomen van het land.

Het Nationaal Actie Plan ter bestrijding van armoede en uitsluiting 2003 omschrijft armen als volgt: "Armen zijn mensen, gezinnen of groepen van wie de middelen (materieel, cultureel en sociaal) zo beperkt zijn, dat zij uitgesloten zijn van de minimaal aanvaardbare levenspatronen in het land waarin zij leven".

Met deze nieuwe armoedegrenzen zien de armoedelijnen er in cijfers van einde 2005 als volgt uit (Armoedemonitor 2007).
De basisbehoeftengrens gaf 3,5% van de huishoudens in 1995, 3,6% in 2000 en 3,7% in 2005 als armoedig; de niet-veel-maar-toereikende variant gaf 7,8% in 1995, 6,8% in 2000 en 6,4% in 2005 en de lage-inkomensgrens leerde dat 15,5% van de huishoudens in 1995, 11,9% in 2000 en 10,0% in 2005 in armoede leefde.

Sinds 2005 is er een politieke tendens om de armoede naar beneden te definiëren, getuige deze definities. Het Centraal Plan Bureau voorspelt al twee jaar dalende armoedecijfers, en doet dat zo goed in de persberichten, dat niemand door heeft dat de feitelijke cijfers alleen maar stijgende zijn.
We hebben als Sociale Alliantie leergeld betaalt om mee te gaan met het behoeftendebat. Hoewel de vraag zinnig is en de argumenten degelijk, is er blijkens de praktijk politiek misbruik van gemaakt. Ik zie hoe in allerlei studies en rapporten namens de overheid steeds meer de lage basisbehoeftengrens opduikt.

Terwijl het Centraal Bureau voor de Statistiek alleen maar stijgende cijfers rond armoede produceert.
Ik noem die van 20 maart 2008 rond de koopkrachtcijfers, waaruit blijkt dat 15% van alle huishoudens in Nederland ofwel 600.000 huishoudens moeilijk (de helft) tot zeer moeilijk (de andere helft) kan rondkomen met het beschikbare inkomen. Tweederde van deze huishoudens had geen geld voor het vernieuwen van versleten wooninventaris. Bijna 60% heeft geen middelen voor vakantie of recreatie en de helft kan geen nieuwe kleren aanschaffen.
Armoede huishoudens met een uitkering bestaan uit vrouwen (al of niet met kinderen), etnische groepen, ouderen zonder pensioenen en of met AOW-gaten. Werkende armen zijn zelfstandige ondernemers (ongeveer 60.000) en mensen met twee of drie banen voor laaggeschoolde arbeid, bijvoorbeeld in de horeca en de schoonmaak (ongeveer 100.000).

Een verbijzondering hiervan is de situatie van kinderen en armoede. Er is hierover in februari 2008 een rapport uitgebracht door het CPB op verzoek van de Tweede Kamer. De cijfers over het aantal kinderen in een armoede situatie staan op pag. 4: in 2005 3.418.000., waarvan 114.00 langer dan drie jaar. Van deze groep komen 359.000 kinderen uit een eenoudergezin. Andere samenlevingsgegevens leren dat deze groep kinderen grotere kansen heeft op slechtere gezondheid, mindere schoolresultaten, hogere werkloosheid, hogere zwerfkans, hogere criminaliteit.

Armoede als maatschappelijk en persoonlijk probleem

Er zijn volgens onderzoek van de Sociale Alliantie minstens acht oorzaken of indicatoren van armoede te noemen:

a. economisch-technologische ontwikkelingen: veranderingen in de economie en arbeidsmarkt;
b. sociaal-demografische veranderingen in de samenstelling bevolking;
c. cultureel-politieke opvattingen over werken, vrije tijd, zorgen en over relaties (eerste, tweede, derde, etc);
d. institutioneel-juridische opvattingen, bijvoorbeeld over kostwinnaarschap, moederschap, economische zelfstandigheid;
e. veranderingen in stelsel sociale zekerheid, vooral bezuinigingen;
f. sociaal-ethsiche opvattingen ofwel het concept rond jong, gezond, welvarend dat basis is voor arbeidsethos;
g. pedagogisch-onderwijskundige ontwikkelingen: de kwaliteit van opvoeding en de mate van onderwijs bepaalt arbeidskansen;
h. gedrag en handelen van personen, bijvoorbeeld verslaving, verslonzing, schulden,

Bij armoede is de opstapeling van de verschillende indicatoren een heel belangrijke, die vaak vergeten wordt. Ik verwijs daarom ook naar tabel 3 van het rapport op pagina 10, waar in het verklaringsmodel van sociaal isolement een aantal van deze indicatoren genoemd wordt.

Het is opvallend dat de politiek (landelijk, regionaal, lokaal) de grote neiging heeft om eerder in te gaan op de micro-ontwikkelingen van armoede. die met personen, gedrag en handelen, achterstanden te maken hebben, dan op de macro-ontwikkelingen. Die kijkrichting alleen is niet goed genoeg.
De stelling van de Sociale Alliantie is dat armoede en verarming niet alleen een probleem is van de enkeling die in armoede terecht is gekomen, maar vooral ook een probleem van de samenleving, die armoede veroorzaakt. Als wij kiezen voor hoogtechnologische diensteneconomie, verplichting tot werken, vrije inkomensontwikkeling, culturele vrijheid vooral in relaties, hoge mate van welvaart en cultuur van hebben dan sluiten we vanzelf uit de laagopgeleiden, werklozen, armen, overblijvenden in relaties, en de niet-hebbers. Er zijn ook structurele zaken aan de orde en het is van belang om bij armoedebestrijding daar op te blijven letten.
Echte armoedebestrijding is die, welke in zijn uitvoering rekening houdt met de verschillende stapeleffecten.

De WMO als participatiewet

De Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning is een participatiewet rond wonen, welzijn en zorg. De negen prestatievelden geven alle negen mogelijkheden om concreet te worden als het gaat om armoedebestrijding. De wet lijkt ook in te spelen op stapeleffecten en is ook daarom positief te benaderen als het gaat om armoedebestrijding. Die positieve conclusie kan zonder meer uit het rapport dat vandaag is gepresenteerd worden afgeleid. Dat is de winst van dit onderzoek.
Het volgende is bedoeld om daarop door te denken.

Die positieve tendens kan ertoe leiden dat je mee gaat doen met het debat om bijzondere signaleringen, regels, inspanningen, et cetera.
Vanuit het werk van de kerkelijke arme kantbeweging en van Sociale Alliantie wijs ik u op de valkuil van doelgroepen en criteria discussie. Er zijn thans 68 inkomensvoorzieningen voor minima (u noemt er in de bijlagen 44) met bijkomende criteria, invulformulieren, toetsing en weging en bureaucratie. De stelling van de Sociale Alliantie: met zo'n lappendeken bestrijd je armoede slechts moeizaam. Veel beter is het om te ijveren voor algemene voorzieningen, regels voor categorieën, koppelingen van bestanden, éénloketvoorziening, et cetera.

Ik heb uw rapport met aanbevelingen met aandacht gelezen. Mij viel op de herhaalde reeks van 'moeten, moeten, moeten' in uw aanbevelingen. Om twee redenen lijkt me dat we die vorm van werken kritisch moeten doornemen.
Ten eerste zullen de instanties en organisaties, die u wil aanspreken, er wellicht korzelig op reageren. "Weer wat erbij wat moet. En we moeten al zoveel." Het kan zijn dat u met veel aanbevelingen eerder een moeras van onwil opent waarin mensen wegzinken, dan een weg die toegangen verleent.
Ten tweede betwijfel ik of mensen zelf al dat extra geregel positief zullen ontvangen. Ze hebben al met zoveel regels, formulieren, ambtenaren te maken, dat ze er in ieder geval niet meer bij willen. Eerder minder. Ik ontmoet in heel Nederland veel mensen, die liever geen bijzondere voorziening hebben, en daarmee rust, in plaats van wat extra inkomen.

Derhalve zou ik u willen toewensen voor het vervolg van deze dag: probeer op grond van wat dit rapport ons leert te komen tot wensen en aanbevelingen, die open zijn, voor iedereen geldend, gemakkelijk uit te voeren en daadwerkelijk participatie bevorderend, sociaal isolement doorbrekend, armoede bestrijdend.

Ik dank u voor uw aandacht.


Naar beginpagina wmo

home